Wonderbaarlijke redding in India

MANGRULE, 5 OKT. Elke aardbeving kent ondanks alle ellende wel een wonderbaarlijke redding. Gisteren, op de vijfde dag na de beving van donderdag, was het zo ver in het Indiase dorp Mangrule.

Een vader, die er zeker van dacht te zijn dat zijn dochtertje van anderhalf jaar onder de grote brokstukken van zijn woning was verpletterd, verzocht de militairen ter plekke om het lijkje op te graven zodat hij het ordentelijke kon cremeren.

Toen de militairen het puin behoedzaam begonnen te verwijderen, merkte één van hen plotseling dat het meisje nog bewoog. Daarop bood Someet Baxi, een jonge soldaat van het achtste Bihar-regiment, zich aan om met gevaar voor eigen leven onder het puin te kruipen en het meisje weg te trekken van onder de metalen stang, die haar kennelijk bescherming had geboden tegen het neervallende puin.

“Ik was nog maar net met het meisje boven de grond,” vertelt een glunderende Baxi, “of een groot deel van de zware brokstukken verzakte op zo'n manier dat ik en vermoedelijk ook het meisje waarschijnlijk zouden zijn gedood als wij er nog onder hadden gezeten.”

Buiten zichzelf van geluk holde de vader onmiddellijk naar zijn vrouw om haar van het wonder te vertellen. Het meisje zat van top tot teen onder de modder en pas na anderhalf uur, toen ze al goed en wel in het ziekenhuis was, begon ze weer wat te brabbelen. Hoe ze het al die tijd zonder eten en drinken in de vooral overdag snikhete omgeving heeft uitgehouden, is een raadsel.

De wonderbaarlijke redding gaf de militairen nieuwe moed om hun sisyfusachtige arbeid voort te zetten. De ravage in Mangrule, voor de beving een dorp van 7000 zielen, is gigantisch. Staande op een verhoging midden in het dorp zijn in alle windrichtingen slechts enorme puinhopen te zien met her en der nog rokende asresten van gecremeerde lijken. Wie door het dorp loopt, moet goed oppassen dat hij niet ongemerkt tegen een half verbrande schedel schopt.

Het dodental in Mangrule is nog verre van duidelijk. “Ze graven elke dag gemiddeld zeventien of achttien lijken op, dus het gaat niet snel”, zegt een militair. Naar alle waarschijnlijkheid liggen er nog veel lijken onder de puinhopen. Het lot van zo'n 5.000 inwoners is ongewis. Velen zijn na de beving een eind weg gevlucht en hebben sindsdien niets van zich laten horen.

Nog steeds wordt er slechts met de hand gewerkt. Nu er nog een kleine kans blijkt te zijn dat er overlevenden worden gevonden, stelt men het gebruik van bulldozers en dergelijke zware apparatuur even uit. De lijkengeur van menselijke en dierlijke overschotten wordt intussen steeds penetranter. In sommige dorpen is men begonnen met het publiekelijk voorlezen van lijsten van de namen van vermisten om een beetje greep te krijgen op het dodental.

De hulpoperatie verloopt tamelijk chaotisch en wisselt in de tientallen getroffen dorpen sterk van kwaliteit. In sommige plaatsen zoals Mangrule zet het leger zich uit alle macht in voor de hulp aan de bevolking, in andere dorpen zijn helemaal geen militairen of hangen dezen maar wat rond. Ook de particuliere organisaties verschillen sterk in doelmatigheid. Sommigen voorzien de totaal berooide dorpelingen op gezette tijden van maaltijden, anderen geven lukraak wat pillen of gesteriliseerde handschoenen.

Evenals hun islamitische tegenhangers in het Midden Oosten zijn ook de hindoe-fundamentalisten in India onmiddellijk uitgerukt om de bevolking in de getroffen gebieden voor zich te winnen. Uitgelaten vrijwilligers van de militante organisatie RSS en van Shiv Sena laten hun aanwezigheid niet ongemerkt voorbijgaan. Toch spelen ze in het geheel van de hulpinspanning maar een ondergeschikte rol.

De regering lijkt ondanks plannen voor nieuw te bouwen dorpen nog geen erg helder beeld van de hulp op langere termijn te hebben. “Toen ik met een hoge ambtenaar sprak over de hulp die we konden verstrekken, zei die: rijd maar rond en zoek maar een paar dorpen uit waar je je nuttig denkt te kunnen maken”, vertelt een medewerker van de Zwitserse evangelische hulporganisatie Liefdeswerk.

Ook andere internationale hulporganisaties zoals het Amerikaanse CARE zijn bezig een inventarisatie te maken van de behoeften van de getroffen dorpen. Die zijn juist op lange termijn talrijk. Zo is er in Mangrule geen school meer en, erger nog, alle leerkrachten zijn dood of vermist. Ook is bijna al het zaaigoed verloren gegaan en hetzelfde geldt voor veel van het landbouwgereedschap.

Wie de meeste hulp ontvangt, hangt mede af van de invloed van de lokale politici. “De plaats Sastur staat bekend om zijn invloedrijke politici met hun uitstekende contacten”, zegt een student uit de omgeving van het aardbevingsgebied. Vooral in de kleinere dorpen ontbreekt het daar aan zodat die buiten de prijzen dreigen te vallen.

De meeste overlevenden wachten gelaten af wat er voor hen in het vat zit en met ogenschijnlijke gelijkmoedigheid kamperen ze op het land met hun resterende buffels en geiten, op ruime afstand van de puinhopen van hun vertrouwde dorpen.

    • Floris van Straaten