Schwerpunkt Fries volgens Kindler

De Duitse literatuurliefhebber grijpt sinds kort meer dan ooit naar Kindlers Literatur Lexicon. Niet alleen omdat onlangs een sterk aangepaste herdruk van dit twintigdelig werk is verschenen maar omdat op de jaarlijks terugkerende Frankfurter Buchmesse die vandaag is begonnen, de Nederlandse en Vlaamse literatuur als Schwerpunktthema is uitverkoren.

Er is geen naslagwerk dat zo ruim aandacht besteedt aan de buitenlandse letteren als de Kindler. De eerste editie (1965-1972; ongewijzigde herdruk in paperback) was geordend op titel van de besproken werken, de nieuwe is herschikt op auteursnaam. Het internationale karakter van de Kindler wordt in het laatste deel overtuigend geïllustreerd door de honderddertig korte essays die evenzovele literaire tradities voor het voetlicht brengen.

Het lijkt wel alsof de Friese literatuur hier als Schwerpunkt is gekozen want die krijgt een apart hoofdstuk terwijl de Vlaamse letteren zijn ondergebracht bij de Nederlandse. De redactionele coördinatie is minimaal geweest; men mag tenminste hopen dat het geen opzet was om elke Friese bard die wel eens een bundeltje heeft gepubliceerd meer aandacht te geven dan de P.C. Hooft-prijswinnaars Ida Gerhardt en Gerrit Kouwenaar; of om alle Friese kinderdichters te noemen terwijl de winnares van de Hans Christian Andersenprijs, Annie M.G. Schmidt, geheel ontbreekt.

Het artikel over Nederlandse en Vlaamse literatuur werd in de vorige druk geschreven door Leo Deflos. Hij geeft een brave samenvatting van de literatuurgeschiedenis die begint met de twaalfde-eeuwse minnezanger Hendrik van Veldeke en eindigt bij het veelzijdige oeuvre van Simon Vestdijk. “Het gaat de goede kant uit met de Nederlandstalige literatuur”, zo eindigde hij, “maar in het raamwerk van de wereldliteratuur is er voorlopig geen actieve rol voor weggelegd.” De tekst van Deflos is in de nieuwe editie in grote trekken overgenomen en aangevuld door Rein A. Zondergeld, een literatuurhistoricus die volgens opgave van de Koninklijke Bibliotheek tien jaar geleden het Lexicon der phantastischen Literatur samenstelde. Het is voor de liefhebbers van dat genre te hopen dat Zondergeld daar meer verstand van heeft dan van naoorlogse Nederlandstalige literatuur. Een blik op de literatuuropgave doet echter anders vrezen.

Alle titels die Zondergeld aan die van Deflos toevoegde bevatten fouten. Deflos vermeldde nog dat het bekende Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde van G. Knuvelder in Herzogenbusch is uitgegeven en niet in s-Hertogenbosch, zoals op de titelpagina staat.

Misschien behoort zo'n annotatie tot de mores van de Duitse bibliografie, maar Zondergeld is ronduit een sloddervos omdat hij Néerlandaise als Nérlandaise schrijft, R.F. Lissens ook als R.R. Lissens opvoert en Th. Weevers Engelstalige studie over Nederlandse poëzie een verkeerde naam geeft. Erger is nog dat elementaire handboeken niet genoemd worden. Dat Ton Anbeek samen met anderen een cursusboek voor Teleac schreef, is aardig om te weten maar zinniger was het geweest te vermelden dat Anbeek in 1990 zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985 publiceerde. Kent Zondergeld deze opvolger van Knuvelder niet of wil hij niet dat Duitsers het boek kennen omdat Anbeek daarin de Grootnederlandse gedachte heeft veronachtzaamd door de Vlamingen gewoon weg te laten?

De Duitse literatuurliefhebber kon enkele maanden geleden van de invloedrijke literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki vernemen dat de Nederlandse auteur Cees Nooteboom de volgende Nobelprijswinnaar is - zo er nog enige rechtvaardigheid op deze wereld bestaat. Verder hoorde hij dat Harry Mulisch zich in meesterschap kan meten met Umberto Eco en de charmante Hella Haasse eveneens een schrijfster van “Europees niveau” is. Kortom, Nederland telt voortaan mee aan het internationale literaire front. Er zijn dan ook zoals bekend een paar Nederlandse schrijvers die op het ogenblik goed verkopen in Duitsland en andere landen en hun successen zullen nog groter worden door de grote aandacht die het Schwerpunktthema oplevert.

Hugo Claus, Harry Mulisch en Cees Nooteboom treden in Frankfurt op naast Tsjêbbe Hettinga. Wie deze krant niet leest heeft misschien nog nooit van deze Friese dichter gehoord maar de Nederlandse stichting die het Schwerpunkt organiseert, heeft eerder in NRC Handelsblad laten weten dat de presentatie “locker” mag zijn omdat de Nederlanders nu eenmaal ontspannener en informeler zijn dan de Duitsers. Hoe moet de Duitse literatuurliefhebber erachter komen wie voor de ontspannen lol is uitgenodigd en wie op basis van serieuze literaire verdiensten die in eigen land als zodanig erkend worden?

Uitgeverij De Arbeiderspers kan een lockere advertentie voor Cees Nooteboom plaatsen met daarin enkele citaten uit de talloze Duitse recensies waaruit blijkt dat hij in Duitsland hoger gewaardeerd wordt dan in Nederland, maar daarmee is niet duidelijk gemaakt dat hij ook in eigen land beroemd is. Vindt men Haasse, Van der Heijden en Claus in elke behoorlijke Duitse boekhandel, Hettinga niet. Maar Hettinga staat wel in de Kindler, en nog wel als een van de “wichtigsten Mitarbeiter der Zeitschrift Hjir”, terwijl Haasse geen vermelding waard bevonden werd.

Zondergeld wijdt twaalf pagina's aan de Nederlandse en Vlaamse literatuur, waarvan anderhalf aan de naoorlogse. De Friese literatuur krijgt voor dezelfde periode bijna evenveel ruimte, op een totaal van zes door Jelle Krol volgeschreven bladzijden. Niet alleen wordt Hjir genoemd maar ook de tijdschriften De Tsjerne, Trotwaer en Quatrebras. Die bladen zijn dus voor de Kindler belangrijker dan Hollands Maandblad, Tirade, Raster, Optima, Maatstaf, Ons Erfdeel, Kreatief en Nieuw Wereld Tijdschrift want die blijven achterwege. Alleen De Revisor is buiten Friesland interessant genoeg voor vermelding. Critici worden door Zondergeld evenmin genoemd terwijl Krol er drie naar voren schuift.

Dat Adriaan Morriën niet voorkomt, moet de Duitse lezer van Kindler ook vreemd aandoen. Want werd die al niet eind jaren veertig met enig succes in zijn land vertaald? Nooit geweten dat die thuis helemaal niet meetelde! En over de in Duitsland zeer bekende Maarten 't Hart schrijft de literatuurhistoricus: “einen der erfolgreichsten” maar “auch überschatztesten niederländischen Gegenwartsautoren”.

Die Duitsers laten zich werkelijk afschepen met rare schrijvers. Want het “unübertreffbarer Höhepunkt” doch niet vertaalde werk van Geerten Maria Meijsing houden de Nederlanders kennelijk voor zichzelf. Maarten Biesheuvel wordt niet genoemd, W.F. Hermans met één titel tussen haakjes, zoals Gerard Reves "Kultroman' De avonden tussen haakjes blijft, terwijl Steven de Jong met zijn “bemerkenswerte Kriegsroman De Wuttelhaven del” voor de Duitse lezer interessant gevonden wordt. Andere toonaangevende dichter-romanciers van de laatste jaren zijn Tiny Mulder, Durk van der Ploeg en G. Willem Abma. Als belangrijke essayist en Kurzgeschichtenerzähler trad na de Tweede Wereldoorlog Jo Smit naar voren.

Terwijl u dit leest, loop ik met een lichte huiver over de Buchmesse. Wat moet ik zeggen als ze hier in Frankfurt vragen waarom de toonaangevende Nederlandse auteurs niet in het Duits vertaald zijn?

De nieuwe Kindler is binnenkort voor ƒ 4450,= in de Nederlandse boekhandel te koop.

    • Hans Renders