Schwerpunkt

We hadden het er over welke Nederlandse schrijver we het liefst naar een onbewoond eiland zouden meenemen, en de algemene voorkeur ging uit naar Cees Nooteboom.

Natuurlijk! Jarenlang volgestopt met smakelijke zarzuela, pittige boudin en eerlijke Bratkartoffeln. Begoten met uitgelezen wijnen. Afgemaakt met de fijnste digestieven. Daar heb je wat aan als het scheepsbeschuit opraakt en de nood aan de man komt op dat eiland. Harry Mulisch is ook hoogwaardig gemest, maar hij heeft geen maag, zodat de vraag op kan komen of alle exotische ingrediënten wel diepgaand verwerkt zijn. Voor de rest is het schraalhans keukenmeester. Hermans te zuur, 't Hart een schrale winterwortel, Reve een proletarisch sobere schotel op basis van droge boterham, oude krant en kruidenierswijn. De in kriek gestoofde Vlaamse Reus Hugo Claus leek ons ook wel smakelijk, maar er was geen twijfel aan dat de uiteindelijke keus op Nooteboom zou vallen.

Zo moet ook Marcel Reich-Ranicki gedacht hebben, de beroemde Duitse criticus die gaat zorgen dat Nooteboom de Nobelprijs krijgt. Het is een lekkerbek, die Reich-Ranicki. In Der Spiegel vertelt hij over een ontmoeting die hij in 1952 in Warschau had met Bertolt Brecht. Van het gesprek herinnert hij zich niet veel. Des te meer van de schaal met lekkernijen die Brecht op zijn tafel had staan. Sinaasappels, bananen, druiven. Onmogelijk te krijgen in Warschau. En niets van al dat heerlijks werd door Brecht aan zijn gast aangeboden. Het maakte diepe indruk op Reich-Ranicki. Hij zag er het bewijs in van de genialiteit van Brecht. Het literaire genie heeft slechts omgang met de criticus voor zover hij die criticus kan gebruiken om zijn werk populair te maken. Zoals Brecht zou ook Schiller zijn opgetreden en Thoman Mann. Zo zijn schrijvers nu eenmaal, in ieder geval de geniale schrijvers, zegt Reich-Ranicki.

Het moet toch een trauma bij hem hebben achtergelaten. In een interview met Jan Blokker zei hij dat een schrijver evenveel verstand heeft van literatuur als een vogel van ornithologie. Die heb ik al eens meer van hem gehoord, dacht Blokker. In het interview met Der Spiegel maakt Reich-Ranicki hetzelfde grapje opnieuw. Hij doet het kennelijk in ieder interview. Vanavond is hij op de VPRO-televisie en dan vliegt die vogel waarschijnlijk weer voorbij. Het is een variatie op een oude wijsheid, toegeschreven aan George Bernard Shaw en misschien nog aan vele anderen, die zegt dat een kip niet de aangewezen figuur is om te beoordelen hoe een ei smaakt. Het is duidelijk dat Reich-Ranicki de schrijver beschouwt als een heerlijke braadkip. Watertandend moet hij naar Cees Nooteboom gekeken hebben. Begrijpelijk zijn enthousiasme. Teleurstellend maar verklaarbaar zijn afwijzing van De ontdekking van de Hemel van Mulisch. Een roman van meer dan 800 pagina's past niet meer in het tijdperk van fast food en nouvelle cuisine.

Mulisch kon het niet op zich laten zitten natuurlijk. Vandaag houdt hij de openingsrede op de Frankfurter Buchmesse, waar de Nederlandstalige literatuur dit jaar Schwerpunkt is, pièce de résistance, hoofdgerecht. Der Spiegel drukte de rede alvast af. Mulisch beziet de toestand in Europa en het valt te begrijpen dat die hem tot somberheid stemt. Overal bloeit agressief nationalisme. De droom van een betere wereld, de utopie, volgens Mulisch het collectieve pendant van de individuele menselijke liefde, lijkt verdwenen. Maar Mulisch zou Mulisch niet zijn als hij niet een lichtpunt zag. Menigmaal heeft hij ons al verzekerd dat het goede op den duur altijd zal overwinnen. Het goede heeft al overwonnen, dat hebben we kunnen leren uit zijn fabel van het spermatozoön, in Mijn Getijdenboek. Ieder mens is de overwinnaar geweest in een race van miljoenen zaadcellen, negen maanden voor zijn geboorte. Eén zaadcel heeft de race naar de eicel gewonnen. Die zaadcel is de mens die geboren wordt. Als een van de andere miljoenen had gewonnen, waren we er nooit geweest. Ieder mens is als het ware de eerste nieuwe haring op vlaggetjesdag. Begrijpelijk is nu het onverwoestbaar optimisme van Mulisch. In dit licht gezien is deze wereld waarlijk de beste van alle mogelijke werelden. Ontelbaar zijn al die verschrikkelijke mogelijke werelden waar we nooit zouden hebben bestaan. Huiveringwekkend die ene ondenkbare wereld waarin helemaal niets zou zijn.

Het lichtpunt dat Mulisch in de Europese duisternis ziet is, het zal niemand verbazen, hijzelf. Kijk naar mij, zo zal hij vanavond zijn toehoorders voorhouden. Zijn moeder een jood uit Frankfurt die in Antwerpen geboren is. Zijn vader een soms duitstalige, dan weer Tjechisch of Pools sprekende burger van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, geboren in de velden van Bohemen.

En Harry Mulisch zelf, wat is hij? Al deze ingrediënten zijn in mijn lichaam niet lokaliseerbaar, zegt hij terecht. Men zou hem niet in stukken kunnen hakken om de etnisch zuivere onderdelen te scheiden. Hij is geen mengvorm, maar een nieuwe chemische verbinding. Een heerlijke éénpansmaaltijd waarin de afzonderlijke spijzen een harmonieuze en onscheidbare eenheid vormen. “En als ik kennelijk kan bestaan, kan er in de grond van de zaak ook een vreedzaam, tolerant multi-etnisch Europa bestaan, als een nieuwe collectieve verbinding.”

Zoals Hegel de Wereldgeest te paard zag toen Napoleon voorbij kwam, zo wijst Mulisch op zijn eigen lichaam en zegt: Zie de mens die uw verlossing mogelijk maakt. En het is duidelijk dat bij deze wonderbare spijziging die de toehoorders vandaag op de Frankfurter Buchmesse ten deel zal vallen geen ordinaire braadkip zal worden aangeboden, maar een nobeler gerecht, in de traditie van het Paaslam, de Verlosser. Zijn bloed de wijn waarmee wij ons verkwikken, zijn lichaam het brood dat ons zal doen leven in de moeilijke jaren die Europa tegemoet gaat.

    • Hans Ree