SCHRIJVERS, LEZERS ALLER LANDEN, VERENIGT U!

Met een oproep besluit Harry Mulisch vanmiddag zijn openingsrede op de Frankfurter Buchmesse, waar de Nederlands-Vlaamse literatuur het centrale thema vormt. De rede, getiteld "Een spookgeschiedenis', is hieronder integraal afgedrukt.

Ein Gespenst geht um in Europa', met die dreigende woorden begonnen Marx en Engels in 1848 hun spookverhaal, dat zij Manifest der Kommunistischen Partei noemden. Men moet het er al bij zeggen, want velen zullen het niet meer weten. Sinds 1989 kan men de opening van hun verhaal met een zekere nostalgie in het imperfectum parafraseren: “Ein Gespenst ging um in Europa, das Gespenst des Kommunismus. Alle Mächte des alten Europa hatten sich zu einer heiligen Hetzjagd gegen dies Gespenst verbündet, der Papst und der amerikanische Präsident, Luns und Thatcher, französische Sozialdemokraten und deutsche Polizisten.” Want die heilige drijfjacht slaagde ten slotte. Na bijna anderhalve eeuw bloedstollend rondgewaard te hebben, is het communistische spook ten slotte verjaagd uit Europa, of liever: plotseling door de schoorsteen verdwenen, iedereen sprakeloos van verbazing en opluchting achterlatend. Eindelijk was het stil in huis, iedereen kon weer rustig slapen.

Maar hoe stil is het nu in Europa? De geestdrift van velen over de installatie van het spookhuis in 1917 duurde ruim tien jaar, de geestdrift over zijn verdwijning nauwelijks drie. Is Gorbatsjovs "gemeenschappelijke huis Europa' vandaag in mindere mate een spookhuis? Overal weerklinkt het bovennatuurlijke geklop intussen weer, rinkelt het serviesgoed, dansen de tafels, slieren de lijkwaden weer door de lucht. Het is of het spook, na de onbegrijpelijke vervluchtiging van zijn massieve imperium, zich in honderd kleine spookjes heeft opgedeeld, die door alle kieren en gaten in ons huis teruggekeerd zijn. Het is of het spook heeft gedacht: als een internationaal wereldrijk niet mogelijk is, dan maar weer honderd nationale rijkjes. Als de heerschappij van het proletariaat gefrustreerd wordt door de communistische partij, de communistische partij door de burocratie en de burocratie ten slotte door één man, dan maar weer een "onafhankelijk Servië', een "onafhankelijk Kroatië', een "onafhankelijk Kazachstan', een "onafhankelijk Abchazië'. En de eeuwige bloedrivier stroomt onverminderd voort.

Het verschil tussen de langdurige geestdrift van 1917 en de kortdurende van 1989 is, dat de eerste was getekend door hoop, gericht op iets dat ontstond; de tweede door opluchting, toen het ontstane verdween. Sommigen, onder wie ik, vreesden in 1989 dat nu ook het einde van de utopie was gekomen, de utopie in haar positieve verschijningsvorm, de droom van een betere wereld, het collectieve pendant van de individuele liefde, dat wil zeggen: van het mooiste in de mens. Maar die angst bleek ongegrond, kennelijk is er sprake van een ideologische horror vacui. Dat de plaats van het grote communistische spook onmiddellijk werd ingenomen door de nationalistische kleine, onthult de utopische aard van al die spoken. Alleen, de realisering ervan leidt tot hetzelfde resultaat: op slag degenereerden de mooie dromen tot nachtmerries. De liefde voor iets dat er niet is, uit zich onmiddellijk weer als haat tegen iets anders, dat er wel is en dat uitgeroeid moet worden. Ook het mooiste in de mens is uiteindelijk blijkbaar slecht voor de mens, bijkans even slecht als de realisering van negatieve utopieën, die regelrecht uit de haat voortkomen, zoals het nationaal-socialistische project van een wereld zonder joden. Het is al bijna een definitie van de Griekse tragedie. Literair gezien behoort de wereldgeschiedenis tot het genre tragische spookverhalen.

Hoe moeten wij de heilige drijfjacht op die nationalistische, racistische en religieuze spoken van het negatieve soort voeren? Met rationele argumenten? Welke? Tot de nationalisten zouden wij bij voorbeeld kunnen zeggen, dat dat hele idee van een "natie', waarvoor men bereid is te moorden en te sterven, een denkfout is. Omdat het algemene logisch hoger staat dan het bijzondere, heeft sinds Plato de opvatting postgevat, dat een entiteit als de natie ook ontologisch of metafysisch hoger staat dan het individu. Maar dat is uitsluitend een hypostase van de logica, die, als het over mensen gaat, leidt tot onafgebroken bloedvergieten, want het enige dat met onomstotelijke zekerheid bestaat is het individu. Dat is het enige dat je kunt martelen en vermoorden, het enige, dat martelt en moordt. Als een Nederlander of een Duitser sterft, dan sterft er geen Nederlander of een Duitser, maar iemand, "on mourra seul', zoals Pascal zei: "men sterft alleen'. Met dit argument gaan wij nu dus naar die weerzinwekkende houwdegens in het voormalige Joegoslavië, behangen met messen en geweren. Zal hun een groot licht opgaan, zullen zij hun wapens wegwerpen, ophouden met moorden en verkrachten en zich verdiepen in de geschiedenis van de filosofie? Nee, er zal niets gebeuren, zij zullen ons glazig aanstaren en verdergaan met hun smerige handwerk in naam van het hogere. Wij trekken al die fanatische dromers nog snel aan hun geïmproviseerde uniformjas en leggen hun uit, dat het verschil tussen volkeren, zoals Serven en Kroaten, Armeniërs en Turken, Duitse skin heads en "buitenlanders', veel schimmiger is dan dat tussen het ene individu en het andere, tussen de ene Serviër en de andere, de ene skin head en de andere. Eigenlijk zou elk individu dus alle andere moeten verdrijven of doden, omdat zij anders en dus minder zijn. Het behoren tot een familie, een groep of een volk kan de persoonlijke identiteit een bijkomende betekenis verlenen, zoals dat ook gebeurt door kleding, die altijd het karakter heeft van een uniform; maar als het uniform de zin van zijn drager wordt, dan is er een fundamentele leugen aan de gang. Wij proberen hen aan hun verstand te brengen, dat hun etnocentrische instelling trouwens ook verder totaal idioot is, want als een volk hoger staat dan het individu, dan staat de mensheid als geheel nog weer hoger; maar daartoe behoort dan vervolgens ook het gehate andere volk, zodat zowel Servië als Kroatië volgens Serviërs en Kroaten elk hoger staan dan de hele mensheid, en daarmee elk volk tegelijk hoger dan zichzelf. Maar het zijn paarlen voor de zwijnen, zij schieten alweer op een kerkhof, waar mensen hun doden begraven, zij gooien alweer een molotovcocktail in een kinderkamer. Zingen in het donker helpt misschien nog beter tegen spoken dan argumenteren.

Hier, in deze vredige boekenwereld waarin wij ons nu bevinden, is het zinvol om vast te stellen, dat het allemaal neerkomt op de taal. Wanneer in dit land een groep mensen "Deutschland! Deutschland!' brult, dan is dat angstaanjagend; en tegelijk is het ondenkbaar, dat een groep duitsers "Die Bundesrepublik! Die Bundesrepublik!' zou brullen. Daarom is de Bondsrepubliek in orde, maar Duitsland niet in die mate. Het denkbeeld, dat men in mijn land buiten het voetbalstadion "Holland! Holland!' zou brullen, is volstrekt belachelijk. Daarom is het nog zo slecht niet in Holland. Als iemand in Nederland zou zeggen, dat hij bereid is voor Nederland te sterven, zouden alle andere Nederlanders zich doodlachen. Als op Nederlandse verzetsmonumenten staat, dat die en die hun leven hebben gegeven voor koningin en vaderland, dan is dat in twee opzichten misleidend. In de eerste plaats hebben zij hun leven niet gegeven, maar het is hun ontnomen; en in de tweede plaats zijn zij in meerderheid niet zo zeer gestorven voor koningin en vaderland, maar voor de vrijheid. Want zoals woorden het huiveringwekkende kunnen onthullen, zo kunnen zij het ook versluieren. Het laatste snufje is natuurlijk de term "etnische zuivering', die het woord "volkerenmoord' onzichtbaar moet maken, en die in het voorbijgaan het woord "zuiver' vervuilt. Het is een waardige opvolger van de woorden "Sonderbehandlung' en "Endlösung', tot dusver de beroemdste voortbrengselen van Siegfrieds verbale Tarnkappe.

Hier kan een schrijver een beetje behulpzaam zijn, maar is dit soort schoolse correcties het enige dat hij kan bijdragen? Wat kan hij bijdragen in Bosnië, anus europae, bij de aldaar rondwarende superspoken? Daar wordt de zinloosheid van rationele argumentatie pas goed duidelijk. Bestaat de christelijke Heer? Bestaat al-Lah? Bestaat Zeus? Bestaat Osiris? Bestaan naties? Daarop kan niet eenvoudig met een logisch "ja' of "nee' geantwoord worden. Als het uitsluitend over de fysische werkelijkheid gaat, kan de wetenschap eenduidige antwoorden geven. Bestaan atomen? Ja. Bestaan zwarte gaten? Vermoedelijk. Bestaat de ether? Nee. Maar als het over de vraag naar het bestaan van metafysische werelden gaat, luidt het paradoxale antwoord: "ja en nee'. Wie werkelijk aan het bestaan van de Heer of al-Lah of Jupiter gelooft, zal steeds ook tastbare bewijzen vinden voor hun bestaan. Wie gelooft aan wonderen, astrologie, handlijnkunde, geesten, telepathie, UFO's, predestinatie, reïncarnatie of superieure rassen en naties, hij zal daar in de werkelijkheid bewijzen voor vinden. De werkelijkheid is niet zo of zo, maar zo èn zo: zij is oneindig. Zij is alles, maar ook niets, voor wie dat liever heeft. Zij heeft de aard van een rorschachfiguur en bedient iedereen op zijn wenken. Hiermee wil ik geen relativistische positie innemen, maar eerder een standpunt dat neigt naar de mystieke verzen van Angelus Silesius: Ich weib, dab ohne mich Gott nicht ein Nu kann leben.

Werd' ich zunicht, er mub vor Not den Geist aufgeben.

Met andere woorden: weliswaar is het de mens, die een metafysische wereld ontwerpt, maar dat houdt niet in dat zij dus eigenlijk niet bestaat, maar dan bestaat zij ook inderdaad voor de betreffende. Voor het metafysische geldt geen objectieve waarheid, zoals (tot op zekere hoogte) voor het fysische, ook niet de rationalistische waarheid dat het metafysische niet bestaat. Voor wie zij subjectief bestaat, bestaat zij objectief. Daarin schuilt het probleem. Voor wie een joods wereldcomplot ontwerpt, zoals Hitler in Mein Kampf, voor die is dat complot even reëel als voor ons de Frankfurter Buchmesse. Hij beschouwt zich niet als de schepper er van, maar als de ontdekker. Daarom is de geestenbezweerder niet voor argumenten vatbaar en zal hij eventueel ook moorden voor zijn spook, of er voor willen sterven.

Al deze creaties, zowel de positieve als de negatieve, hebben op een overspannen manier de zijnswijze van de literatuur. De bijbel, de koran, Griekse en Germaanse mythen, nationaal-chauvinistische legenden het zijn allemaal verhalen, het is allemaal taal. Wie zou durven volhouden, dat Hamlet, Don Quijotte of koning Oedipus niet bestaan? Dat zij "slechts' literaire verbeeldingen zijn? In zover zij geen zelfbewustzijn hebben en niet kunnen sterven, bestaan zij niet; maar tegelijk bestaan zij voor mij in hogere mate dan veel mensen die ik ken. Maar als de literatuur dus grenst aan de religie en de ideologieën, ook de barbaarse, kan zij dan niet een uitvalsbasis zijn naar sommige van die gebieden, ten einde daar goed werk te doen? Dat dat mogelijk is, wordt bewezen door de affaire-Rushdie: sinds de Satanic Verses weten wij met huiveringwekkende zekerheid, dat er aanrakingspunten zijn als wij dat niet al sinds de Inquisitie wisten. Deze grensoverschrijding van de literatuur naar een religie, die tevens de politieke macht vertegenwoordigt, is ervaren als agressief en heeft het conflict uitsluitend toegespitst; maar is het ondenkbaar dat het ook op een andere, omzichtiger manier kan? Als een soort literaire VN-missies? Ik denk niet dat dat ondenkbaar is. Ik zeg ook niet dat het de "plicht' is van schrijvers om iets dergelijks te ondernemen; de plicht van schrijvers is uitsluitend om goede boeken te schrijven. Maar als hij verder nog iets wil, zal hij misschien in die richting moeten denken, met het besef, dat uit de spookkastelen ook op blauwhelmen wordt geschoten.

En intussen, in afwachting van ook weer deze utopie, lijkt het mij het zuiverst om de etnische onzuiverheid in een gunstig daglicht te stellen. Misschien is het toegestaan, hier mijzelf als troostrijk voorbeeld te nemen. Ik ben geboren in Nederland, in Haarlem, maar mijn moeder in Vlaanderen, in Antwerpen, dat komt vandaag dus goed uit. Zoiets als een Vlaamse was zij intussen niet; van moederskant stamde haar joodse familie uit Frankfurt, dat komt dus nog beter uit, vandaag. Op school sprak zij Nederlands, waar mijn Nederlands uiteindelijk vandaan komt, met haar gouvernante Frans en met haar ouders Duits. Haar vaders familie is afkomstig uit het Oostenrijk en Hongarije van de Habsburgse monarchie. Ook mijn vader stamt uit dat Kakaniën van mijn bijna-anagrammatische naamgenoot Musil, uit de Boheemse contreien, die nu tot Tsjechië en Polen behoren. Als hij zich in zijn vinger sneed, vloekte hij in het Nederlands, als hij zich dieper sneed in het Duits, en als het nog dieper was in het Tsjechisch en Pools. Nog tijdens de tweede wereldoorlog, na een fles wijn, riep hij soms plotseling: "Serbien mub sterbien!' Dat begrijp ik nu pas, vijftig jaar later, na wat er momenteel in Sarajevo gebeurt. Die kreet stamde uit het Wenen van 1914, na wat er toen in Sarajevo was gebeurd, toen hij beroepsofficier werd en de eerste wereldoorlog ging verliezen.

Een etnisch "onzuiverder' Nederlander dan ik is dus bijkans niet denkbaar. Toch ziet u mij hier nu staan, als een ondeelbare eenheid, wat de vertaling is van het woord "individu'. Als de etnische zuivering werkelijk doorzet, zou men mij in verscheidene stukken moeten hakken, maar de stukken zijn niet gelokaliseerd, elk deel bevindt zich overal. Ik ben geen mengsel, maar een nieuwe chemische verbinding. Ik woon in de Nederlandse taal en daarom is mij dit jaar de eer aangedaan, hier de openingsrede te houden; maar "etnisch' ben ik nog eerder een Oostenrijker dan een Nederlander. Verder ben ik net zo min een zogenaamde "halfjood' als water "halfzuurstof' genoemd kan worden, en water is niet minder zuiver en van levensbelang dan zuurstof. Als ik dus kan bestaan, dan kan in beginsel ook een vreedzaam, tolerant, multi-etnisch Europa bestaan, als een nieuwe collectieve verbinding. Ook ik belichaam geen gevecht, maar wel een onafgebroken gesprek, tussen christendom en jodendom, tussen Duitsland en Nederland, en zo nog een paar dingen meer. Ik ben niet van mening, dat een monoloog hoger staat dan een dialoog.

Of is ook dit weer een utopie? Is alles misschien nog veel angstaanjagender? Zou het zo kunnen zijn, dat al die moderne nationalistische en xenofobe spookverschijningen eigenlijk helemaal geen echte utopieën meer zijn, maar voornamelijk laffe voorwendselen van de naakte barbarij, van banditisme en moordzucht? In dat geval is er een gestalte verschenen, die ook in de negentiende eeuw is aangekondigd door een Duitser. “Der Nihilismus steht vor der Tür: woher kommt uns dieser unheimlichste aller Gäste?” Met andere bewoordingen geeft Nietzsche zelf het antwoord: uit het niets, dat de messiaanse dromen en nachtmerries hebben achtergelaten, hij is dat niets. Wat brengt iemand er toe, een meisje te verkrachten en vervolgens dood te schieten? Een invalide uit zijn rolstoel te ranselen? De utopie? Volk en vaderland? Nee, het niets. En na de verzen van Angelus Silesius uit de zeventiende eeuw schieten mij nu de regels te binnen van een moderne troubadour Leonard Cohen:

Give me back the Berlin Wall, Give me Stalin and Saint Paul, I've seen the future, brother: It is murder.

Krijgen wij in ons belaagde huis inderdaad heimwee naar de grote, goedwillende maar falende spoken, ten einde ons te vrijwaren voor de luguberste van alle gasten? Dat kan toch evenmin! Hoe radeloos zijn wij eigenlijk al?

Ik ben aangeland bij de Frankfurter Buchmesse. Beslist heeft iemand haar wel eens denigrerend vergeleken met de Toren van Babel, "alwaar Jahweh de ene taal van de hele aarde heeft verward en de mensenkinderen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid'. Zelfs "de toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt' staat sinds kort hiernaast. Maar de mensenkinderen van de vijfduizend nationale talen, die op goddelijk bevel zijn ontstaan, waaronder het Nederlands, dat door ruim twintig miljoen mensen wordt gesproken, zijn hier nu juist bijeengekomen van overal op aarde, en zij verstaan elkaar; deze internationale jaarbeurs is geen symbool van de verstrooide veelheid, maar van de eenheid in verscheidenheid. Als een gebeurtenis als deze mogelijk is, is dat dan niet een teken dat de wereldvrede niet principieel is uitgesloten?

Schrijvers, uitgevers, lezers aller landen, verenigt u!

    • Harry Mulisch