Osmose in authentieke uitvoering van muziek

Concerten: Radio Kamerorkest en Omroepkoor o.l.v. Frans Brüggen en Freiburger Barockorchester o.l.v. Thomas Hengelbrock. Gehoord: 1 en 2/10, Vredenburg, Utrecht. Radio: Radio Kamerorkest Radio 4, 5/10 20.02 uur.

In de "authentieke' uitvoeringspraktijk is langzamerhand alles mogelijk. Het afgelopen weekeinde stond in Vredenburg bij voorbeeld een dirigent uit de oude muziek (Frans Brüggen) voor een "modern' orkest (Radio Kamerorkest) om een jeugdwerkje van Mendelssohn te dirigeren en speelde een ensemble dat zich er op voorstaat een barokorkest te zijn (Freiburger Barockorchester) een ouverture van Wagner. Beide orkesten hadden A Midsummer Night's Dream van Mendelssohn op het programma staan.

Die osmose is een goede ontwikkeling. De aandacht voor historische instrumenten heeft er weliswaar voor een grote schoonmaak gezorgd, maar de fixatie op de instrumenten legde te veel nadruk op de klank.

Muziek is meer dan alleen geluid. Het gaat in een compositie ook om de vorm, om de opbouw, de samenhang van thema's en motieven. Om dat alles tot zijn recht te laten komen heb je niet per se instrumenten nodig uit de tijd dat de componist leefde.

Sterker nog, op moderne, in klank meestal gelijkmatiger en technisch geperfectioneerde instrumenten is het vaak eenvoudiger om muzikale structuren bloot te leggen dan op de rommelige oude instrumenten. Er gaat echter ook iets verloren. Wagner bij voorbeeld hield van extremen en tergde zijn musici met klanken die van hen het uiterste vroegen. Maar riedeltjes die op een hoorn of een hobo uit 1840 klinken naar zwetende musici, zijn vaak niet meer dan soepele glijbaantjes op een modern instrument.

Dat moeizame, die uiterste krachtsinspanning was zaterdagavond te horen in de uitvoering door het Freiburger Barockorchester van Wagners ouverture Der fliegende Holländer. De houtblazers vlogen een keer behoorlijk uit de bocht, en de koperblazers wisten hun instrument slechts met moeite in toom te houden. Iets van dat lijden van de musici wil je graag horen bij Wagner, al leek die in de uitvoering van de Freiburger vooral een gevolg van onervarenheid met muziek en instrumentarium. Ook de eerste "authentieke' Bach-uitvoeringen een kwart eeuw geleden verliepen niet vlekkeloos.

In het Pianoconcert van Schumann uit 1841 bespeelde Andreas Staier een fortepiano die ongeveer tien jaar oud was toen Schumann het werk schreef. Historisch gezien was de zaak dus in orde, en toch klopte het niet. Het benepen geluid van de oude vleugel stond in geen verhouding tot de rijke orkestklank. Hoe mooi er ook gespeeld werd, en hoe fraai sommige lyrische passages ook klonken (nooit eerder zo gehoord), de verstoorde balans leidde te veel de aandacht af.

Pas in Mendelssohns A Midsummer Night's Dream bleek waartoe een authentiek orkest ook in het vroeg-romantische repertoire in staat is, zeker in vergelijking tot de middle-of-the-road uitvoering van een dag daarvoor, toen Frans Brüggen hetzelfde werk dirigeerde bij het Radio Kamerorkest. De Freiburger van Thomas Hengelbrock lieten horen wat er schuil ging achter al die overbekende muzikale clichés.