"Hongaars lidmaatschap van Navo is een proces'

Vandaag is de president van Hongarije, ARPAD GONCZ, begonnen aan een driedaags bezoek aan Nederland. Begeleid door de minister van financiën, twee staatssecretarissen en meer dan dertig zakenlieden wil de Hongaarse president zijn bezoek vooral gebruiken voor het geven van nieuwe impulsen aan de handelsbetrekkingen tussen Hongarije en Nederland, dat, zoals hij zegt, naast Duitsland, “de meeste praktische steun” aan Hongarije geeft bij de integratie van het land in Europa.

BOEDAPEST, 5 OKT. Een gesprek met de president van Hongarije in het neogotische parlementsgebouw aan de Donau op het moment dat het gebouw van het Russische parlement in Moskou, het Witte Huis, langzaam zwart wordt van de brand die er woedt, heeft iets absurds. Árpad Göncz is zich daar scherp van bewust. Hij verontschuldigt zich op veel vragen “zoveel onzekere antwoorden” te hebben gegeven. “Een week geleden was ik nog heel zeker in mijn antwoorden. Na mijn bezoek aan Nederland kan ik dat, hoop ik, weer zijn.”

De Hongaarse president zegt te hopen dat niemand van de gebeurtenissen in Moskou “lessen zal hoeven te leren”. “De situatie in Hongarije is in elk geval veel stabieler dan in Rusland”, zegt Göncz. “Ik kan, al moet het schriftelijk, met een gerust hart beloven dat ik nooit op het parlement zal hoeven te schieten.”

Maar Göncz erkent wel dat de gebeurtenissen in Rusland een grote uitwerking zullen hebben op het lot van de wereld. Hij zegt het gebruik van geweld zeer te betreuren, maar meent dat Jeltsin, als democratisch gekozen president, geen andere keus had. Het is, zo zegt Göncz, “van vitaal belang” voor Hongarije dat de hervormingsgezinde krachten overwinnen. “Ik denk niet dat er voor Oost-Europa een direct gevaar van de Russische situatie uitgaat. Maar indirecte invloeden, natuurlijk, er zal een economische repercussie zijn te merken.”

Moet, op basis van wat nu in Rusland gebeurt, niet de conclusie worden getrokken dat een lidmaatschap van de NAVO, het schuilen onder de veiligheidsparaplu van het bondgenootschap, voor Oosteuropese landen in feite een hogere prioriteit heeft dan lidmaatschap van de Europese Gemeenschap?

Göncz: “Het hangt niet alleen van ons af. Mijn intuïtie zegt me dat er veel verwarring is ontstaan over de brief die Jeltsin onlangs naar NAVO-leiders heeft gestuurd. (In die brief liet Jeltsin doorschemeren dat Rusland in een geïsoleerde positie zou raken indien Oosteuropese landen zouden worden opgenomen in het bondgenootschap, red.) We verwachten van de NAVO-top in januari dat er kansen worden geschapen voor een verdere toenadering tot de NAVO en tot nauwere samenwerking. De NAVO en de Westeuropese Unie zijn organen die cruciaal zijn voor de veiligheidssituatie in Europa, maar ik geloof niet dat lidmaatschap een zaak is die acuut aan de orde is. Het is een geleidelijk proces, dat tijd kost. De huidige situatie in Rusland kan een factor zijn die dat proces juist afremt.”

Tot januari kan er volgens Göncz nog veel gebeuren, een verder verslechtering van de situatie in Rusland kan niet worden uitgesloten, maar één ding is zeker: “Militair blijft Rusland een grote macht en het is onmogelijk nu te voorspellen hoe de NAVO in januari tegen de situatie aankijkt en of het Russische standpunt tegenover een NAVO-lidmaatschap van Oosteuropese landen tegen die tijd wellicht is veranderd. Je kunt in dit geval antwoorden geven - voor of tegen NAVO-lidmaatschap - die allebei volstrekt logisch zijn, maar die tegelijkertijd volstrekt tegengesteld zijn. Dus stel deze vraag niet, want in deze onzekere situatie kan ik er in mijn positie geen antwoord op geven.”

Over de parlementsverkiezingen volgend voorjaar in Hongarije, de tweede democratische verkiezingen sinds 1989, maakt de Hongaarse president zich geen al te grote zorgen. Vergelijkingen met Polen, waar vorige maand de linkse partijen een absolute meerderheid behaalden, gaat hij uit de weg. “Natuurlijk zal er ook hier een reactie zijn, de levensstandaard van veel mensen is omlaag gegaan, die van anderen is spectaculair gestegen. De werkloosheid is toegenomen, het is onvermijdelijk dat er dan een soort vijand wordt gezocht. Sommigen vluchten dan in het nationalisme als compensatie. Ik durf geen voorspelling te doen, maar ik vertrouw volledig op de wijsheid van de Hongaarse kiezer”, zegt de president.

Tot de belangrijkste prioriteiten van de Hongaarse regering behoren het lidmaatschap van de EG, de regionale samenwerking en het opzetten van een markteconomie, maar ook de totstandbrenging van “etnische vrede” in de hele regio. Hongarije heeft onlangs een wet aangenomen over de rechten van de minderheden, waarin de culturele autonomie van die minderheden wordt gegarandeerd. “Daarvoor is aan alle kanten veel tact nodig”, zegt Göncz. “Er heersen hier en in de buurlanden veel vooroordelen, gevoelens van wantrouwen en angst. Nationalistische geluiden hoor je in deze regio overal en altijd, maar die zijn vooral bestemd voor de binnenlandse consumptie. De nationalistische gevoelens kunnen alleen worden weggewerkt door wederzijdse goodwill.”

Wantrouwen bestaat vooral in landen met een grote Hongaarse minderheid, zoals Roemenië en Slowakije, die Hongarije ervan verdenken de grenzen die zijn vastgelegd aan het eind van de Eerste Wereldoorlog bij het Verdrag van Trianon, te willen veranderen. Tot dusver heeft Hongarije nog geen verdrag met die landen gesloten over de onveranderlijkheid van die toen vastgelegde grenzen, die tot gevolg hadden dat grote Hongaarse minderheden (600.000 in Slowakije, 1,5 miljoen in Roemenië) een ander vaderland kregen.

Göncz vindt dat veel afhangt van de vraag “of je kunt denken met het hoofd van de ander”. “We hebben al die akkoorden ondertekend, Trianon, Parijs, Helsinki. Er wordt nu gewerkt aan een bilateraal verdrag met Roemenië. Wij beschouwen de internationale verdragen die we hebben ondertekend als geldig. Als je naar de kaart kijkt is het vanzelfsprekend. Zou Hongarije ooit een Roemeense minderheid van zes miljoen mensen binnen zijn grenzen willen hebben?”

Bij de vraag over de voortgang van de samenwerking met de andere landen in de Visegrád-groep (Tsjechië, Polen en Slowakije) krijgt Göncz de vergelijking voor ogen die vroeger in Hongarije werd gemaakt als men te spreken kwam over de Comecon, het economische samenwerkingsorgaan van de zeven Europese communistische landen: zeven schonkige koeien die elkaar leegmolken. “Natuurlijk”, zegt Göncz, “het is essentieel om onze handel te verbreden, en onze politiek te coördineren, maar die onderlinge handel kan geen vervanging zijn voor de handel met de Europese Gemeenschap.”

En hij besluit, met een verontschuldigende lach, omdat de vergelijking misschien wat al te cru zou overkomen: “Naar Nederland kom ik natuurlijk ook vooral omdat de koeien daar niet mager zijn.”