Goedkoop Mexico vaak illusie

Lage lonen trekken Amerikaanse ondernemers naar Mexico. Maar er is een keerzijde: ook de produktiviteit is laag, het ziekteverzuim hoog en de bedrijfsvoering op afstand levert problemen op. Sommige Amerikaanse bedrijven keerden teleurgesteld op hun schreden terug.

Keith Gibson hoorde vier jaar geleden het “gigantische slorpende geluid” van de lage Mexicaanse lonen en trok naar het zuiden. Hij sloot zijn fabriek aan de kust van Connecticut en begon er een in Ciudad Juarez, waar hij Mexicanen in dienst kon nemen voor een derde van de uurlonen die hij voor Amerikanen betaalde. “Alle cijfers wezen in de richting van een fenomenaal succes,” zegt hij.

Maar de onderneming die hij drijft, Quality Coils Inc., ontsnapte ternauwernood aan de ondergang. De in Bristol gevestigde fabrikant van elektromagnetische spoelen draaide in Mexico structureel met verlies, zegt hij, als gevolg van een hoog verzuim, lage produktiviteit en moeilijkheden met bedrijfsvoering-op-afstand. Moegestreden zette Gibson in april van dit jaar een punt achter de Mexicaanse operaties, verplaatste de produktie terug naar Stonington in Connecticut en nam een aantal van zijn in 1989 ontslagen werknemers weer in dienst.

De les die hij heeft geleerd: “Ik kan hier met één werknemer toe voor wat ze in Juarez met hun drieën deden.”

Het lot van het Noordamerikaanse Vrijhandelsverdrag (nafta), dat in het Amerikaanse Congres op sterke tegenstand kan rekenen, hangt voornamelijk af van de vraag of het verdrag de Verenigde Staten banen gaat kosten. Terwijl zijn hoogste beleidsmakers woensdag 22 september in het Congres op die vraag een klinkend "nee' lieten horen, sprak president Clinton in het kader van zijn nafta-campagne in New Orleans, een drukke havenstad die al sinds vijf jaar profiteert van de inmiddels vervijfvoudigde handel met Mexico.

Intussen beweert de belangrijkste tegenstander van nafta, voormalig presidentskandidaat Ross Perot, dat de lage Mexicaanse lonen miljoenen hoogbetaalde Amerikaanse banen als een reuzenstofzuiger de grens over zullen trekken, hetgeen de diepgewortelde vrees bij veel werknemers versterkt dat de grote multinationals hen zullen laten vallen. Vakbondsonderhandelaars klagen dat er niet te concurreren valt met het Mexicaanse minimum-uurloon van 60 dollarcent (1,10 gulden).

Maar de ervaringen in Mexico van bedrijven als Quality Coils doen vermoeden dat het betoog van Perot te simplistisch is, en waarschijnlijk onjuist. Het houdt geen rekening met de vele factoren die, naast het loonniveau, bepalend zijn voor het functioneren van een onderneming.

Zo zijn de lonen in Mexico zeker niet zo laag als veel mensen denken, en de lage produktiviteit in dat land doet het loonvoordeel vaak alweer grotendeels te niet. Bovendien worden de operationele kosten opgedreven door een veelheid aan problemen, variërend van overvolle wegen tot corrupte rechters. En niet veel ondernemingen baseren hun vestigingsbeleid op een simpele berekening van de verschillen in loonkosten. Voor de meeste fabrikanten in de VS is de factor arbeid minder belangrijk dan de scholing van het arbeidspotentieel, kwaliteit en beschikbaarheid van vervoer en de verkrijgbaarheid van technologie.

Intussen is Mexico een reusachtige markt aan het worden voor Amerikaanse produkten wat in dat land honderdduizenden banen heeft opgeleverd. De tariefsverlagingen en investeringsregelingen zoals die in nafta zijn voorzien zouden die winst nog moeten vergroten, zo voorspellen de meeste economen, en dat zou het verlies aan banen door overplaatsing van bedrijven naar Mexico ruimschoots compenseren. “Het zuigende geluid dat u hoort is afkomstig van 85 miljoen Mexicanen die Amerikaanse cola drinken door een Amerikaans rietje bij een hamburger van McDonald's,” aldus Don Nibbe, uitgever van het vakblad voor Amerikaanse ondernemers in Mexico, Twin Plant News in El Paso (Texas).

Om de export te stimuleren wil het Amerikaanse ministerie van handel een programma opzetten onder de naam "Export Mexico' waar bedrijven informatie kunnen krijgen over vergroting van hun afzet in Mexico. “Mexico koopt jaarlijks voor 40 miljoen dollar aan Amerikaanse goederen, en we willen ondernemers leren hoe ze meer omzet kunnen halen”, aldus minister van handel Ron Brown.

Pag.14: Soms trekt de "banenstofzuiger' in richting van Verenigde Staten

Soms trekt de banenzuiger ook noordwaarts. McIlhenny Co. had in de jaren vijftig een Tabasco-fabriek opgezet in Mexico Stad omdat de hoge tarieven en strenge voorschriften in Mexico import verhinderden zodat dit de enige manier was om aldaar tabasco te verkopen. Maar de afgelopen tien jaar heeft Mexico zijn handelsbarrières geslecht, en dus besloot McIlhenny in Mexico te stoppen, uit te breiden in Avery Island (Louisiana), en van daar uit naar Mexico te gaan exporteren.

De machines in Louisiana konden de pikante saus vier keer zo snel bottelen als die in Mexico Stad wat veruit opwoog tegen elk verschil in loonniveau, zo zegt adjunct internationale zaken Carlos Malespin. Bovendien kon het bedrijf de kwaliteit "thuis' beter in het oog houden.

Thomson, de Franse elektronikagigant die de consumenten-elektronica van RCA heeft overgenomen, zou dit voorbeeld wel eens kunnen gaan volgen. Joseph Donahue, vice-president bij Thomsons Amerikaanse dochterbedrijf, zegt dat RCA al tientallen jaren in Mexico City beeldbuizen maakt voor de plaatselijke markt, vanwege importrestricties. “Als de grens opengaat, is er geen reden van bestaan meer voor de “kleine, inefficiënte” fabriek.

Haworth, een grote fabriek van kantoormeubelen in Holland (Michigan), heeft de afgelopen jaren twee keer de kosten van het produceren in Mexico uitvoerig doorgerekend, en beide keren geconcludeerd dat het in Michigan goedkoper kan. In 1989 vloog Richard Berreth, adjunct produktiezaken, naar Nogales om te kijken of het zin had daar kantoormeubelen te gaan fabriceren voor de snelgroeiende Mexicaanse markt en zo de vijftien procent invoerrechten te omzeilen.

Zelfs als hij een Mexicaan maar één dollar per uur zou betalen, besefte hij, dan nog kon hij zijn meubelen in Michigan 25 procent goedkoper maken. Haworth zou miljoenen dollars hebben moeten investeren in de bouw van de fabriek in Nogales, en aan werving en opleiding van personeel. Later, in de produktiefase, zouden tegen hoge kosten onderdelen op en neer naar Mexico moeten worden vervoerd. De besparing op arbeid zou die kosten in de verste verte niet dekken.

Toen Haworth in 1991 nieuwe kantooruitrusting ging ontwerpen, stond het bedrijf opnieuw voor een keus: bepaalde elektrische apparatuur betrekken van een vaste toeleverancier en fabrikant in Mexico, of de apparatuur zelf maken in een Haworth-fabriek in Michigan. Haworth rekende uit dat zelf maken 20 procent goedkoper zou uitkomen. In Michigan kostte de produktie per eenheid drie dagen, zodat de voorraad beperkt kon blijven en bestellingen snel konden worden afgewerkt. De Mexicaanse toeleverancier had twee weken nodig. “Wie achter goedkope arbeid aan gaat, kan daar wel eens spijt van krijgen”, aldus Betreth. Tot op heden heeft Haworth kunnen uitbreiden met 35 arbeidsplaatsen voor de produktie van de elektrische apparatuur.

De vrees voor een groot verlies van banen aan Mexico vindt haar oorsprong in de onderlinge nabijheid van Mexicaanse steden en belangrijke Amerikaanse markten, de enorme aantallen werkzoekende Mexicanen en hun verbazend lage lonen. Volgens schattingen van het departement van arbeid bedroeg het gemiddelde loon van de Mexicaanse fabrieksarbeider in 1992 2,35 dollar (4,35 gulden), een zevende van dat in de VS. Volgens Bartjens zouden werkgevers dus moeten staan trappelen om van dat gat te profiteren, en waarschijnlijk zullen sommige takken van industrie met lage lonen, zoals de kledingindustrie, inderdaad uit de Verenigde Staten naar het zuiden wegtrekken. “De kostenbesparingen zijn zo groot dat dat de doorslaggevende factor wordt” bij de keuze van een fabriekslocatie, zo zegt Pat Choate, met Ross Perot auteur van een boek tegen nafta. Maar de kledingindustrie verliest ook nu al werkgelegenheid aan diverse onderontwikkelde landen.

Sinds 1965 hebben zich vlak ten zuiden van de Mexicaanse grens duizenden fabrieken gevestigd om te profiteren van belastingvoordelen en lage lonen. Maar de afgelopen jaren nemen deze zogeheten maquilladora-fabrieken, met de groei van de export uit de VS naar Mexico, een allengs geringer deel van de Amerikaans-Mexicaanse handel voor hun rekening. Gary Hufbauer en Jeffrey Schott, beiden handelseconomen verbonden aan het Institute for International Economics, betogen dat tientallen jaren van vrijhandel met een ander Spaans-sprekend gebied vlak bij de VS, Puerto Rico, geen Amerikaanse wergelegenheid heeft doen wegvloeien. Tussen 1970 en 1990, zeggen zij, is de werkgelegenheid in de industriële sector daar van 132.000 slechts gegroeid tot 160.000, en als percentage van de gehele werkende bevolking is het aantal werknemers in de industrie zelfs gedaald.

Als in een magische Latijnsamerikaanse roman zijn de realiteiten van Mexico in mythische nevelen gehuld. De arbeidskosten zijn er verrassend hoog als gevolg van de secundaire arbeidsvoorwaarden die door de wet of in arbeidsovereenkomsten worden afgedwongen. Hewitt Associates, een consulentschap in Chicago, berekent het Mexicaanse loonniveau van jaar tot jaar aan de hand van 103 arbeidsovereenkomsten. Inclusief het volle pond aan emolumenten - eindejaarsuitkeringen, vakantiegeld, winstdeling, levensmiddelenpakketten, spaarplannen en de gratis lunch - komt het loon van de gemiddelde produktiearbeider in Mexico volgens Hewitt uit op 3,39 dollar (6,25 gulden) nabij de Amerikaanse grens, en op 5,05 dollar (9,35 gulden) meer naar het zuiden, waar meer werknemers zijn georganiseerd.

In de toppen van bedrijven worden in Mexico Stad en Monterrey hogere salarissen verdiend dan in New York of Los Angeles. Arturo Fisher, een Mexicaanse consulent bij Hewitt, zegt dat Mexicaanse managers met 15 jaar ervaring, inclusief een periode bij een Amerikaanse multinational, een jaarsalaris van circa 175.000 dollar (320.000 gulden) toucheren, terwijl 500.000 dollar (925.000 gulden) geen uitzondering is.

Het grootste probleem betreft de produktiviteit. Volgens berekeningen van Daniel Oks, econoom bij de Wereldbank, zijn de lonen in de VS 5,25 maal hoger dan die in Mexico, maar is de produktiviteit per werknemer in Mexico ongeveer een vijfde van die in de Verenigde Staten vanwege sterk verouderde machines, overvolle wegen, ineffectief management en een lage opleidingsgraad. Het eindresultaat, rekening houdend met de produktiviteit: De Amerikaanse lonen zijn gemiddeld maar 2,6 procent hoger dan de Mexicaanse. Oks maakt zich wel zorgen over schadelijke gevolgen van nafta, maar zijn zorgen zijn niet die van Ross Perot. Hij is bang dat fabrieken in Mexico niet meer zullen kunnen concurreren met de kwaliteitsprodukten uit de VS naarmate de handelsbarrières verdwijnen.

Sommige Amerikaanse ondernemingen, vooral de grotere, brengen hun Mexicaanse vestigingen op Amerikaans kwaliteitsniveau. Volgens Ford scoort haar fabriek in Hermosillo op produktiviteit in de bovenste 33 procent van de autoindustrie. Maar Ford heeft dan ook veel meer aandacht aan deze fabriek besteed dan de meeste ondernemingen zich kunnen veroorloven. Ford heeft gezorgd voor busvervoer van werknemers, heeft honderden mensen opleidingen in het buitenland laten volgen en heeft bij de Mexicaanse regering gelobbyd voor het bouwen van woningen.

Voor kleinere ondernemingen is dat een te grote inspanning. Quality Coils, met een jaaromzet van tien miljoen dollar, rekende vier jaar geleden, toen het zijn fabriek in Stonington sloot, op grote kostenbesparingen. Zoals veel kleine bedrijven die zich voor het eerst op Mexicaans grondgebied wagen, nam Quality Coils een firma in de arm die zou zorgen voor fabrieksruimte in Juarez, voor utilitaire voorzieningen en voor arbeiders tegen een all-in-loontarief van 3,35 dollar. Vergeleken bij een uurloon van tien dollar exclusief emolumenten in Connecticut - waarbij de factor arbeid dertig procent van de kosten per spoel uitmaakte - leken de potentiële voordelen immens.

Maar de problemen traden al snel aan het daglicht. Veel afnemers van Quality Coils verlangden, om hun voorraden klein te kunnen houden, dat het bedrijf een veelheid van kleine orders, voor telkens een aantal duizenden spoelen, binnen dertig dagen zou kunnen uitvoeren. Maar de Mexicaanse fabriek kon niet aan zulke flexibiliteitseisen voldoen; men was alleen in staat de eenvoudigste produkten in grote series te vervaardigen.

“Als je praat over kleine series worden de problemen met de levering van materialen onhanteerbaar” in Mexico, aldus Ned Dougherty, president van Pentex Enterprises de firma in El Paso (Texas) die voor Quality Coils de faciliteiten in Juarez had geregeld.

En zelfs van spoelen die wel in Mexico konden worden gemaakt bleef de kwaliteit onder de maat. Zendingen onderdelen bleven wekenlang aan de grens hangen ten koste van de produktietijd. Na enige vrije dagen rond de kerst, waarin arbeiders met heimwee naar thuis in het binnenland van Mexico waren gereisd, kwam van de vijftig werknemers bijna de helft niet meer opdagen. “We waren voortdurend aan het her- en bijscholen,” aldus Keith Gibson. “Zo ging alle produktiviteitsvoordeel verloren.” Als nafta van kracht wordt zal dit probleem wellicht kleiner worden, omdat dit soort fabriekjes dan dichter bij de woonplaats van de arbeiders kunnen worden gevestigd.

De eerste tijd begreep Gibson niets van de problemen in Juarez. Hij vertelt dat hij erheen vloog om te zien of hij het aantal spoelen dat een werknemer produceerde, kon meten. Dat aantal bleek vergelijkbaar te zijn met dat in Connecticut. Maar op een of andere manier werd in Mexico een verlies geleden van 100.000 à 150.000 dollar op een omzet van 750.000 dollar. Als de arbeid goedkoper was en de produktiviteit vergelijkbaar, vanwaar dan dat verlies? Langzaam kwam Gibson erachter, zo vertelt hij, dat de werknemers in Juarez hun produktie verhoogden wanneer hij of andere managers uit Connecticut op bezoek waren.

Gibson probeerde op allerlei manieren de produktie te verhogen. Hij bood werknemers die hun produktiequotum overschreden coupons aan waarmee voedsel in de supermarkt kon worden gekocht. Maar al deze pogingen faalden. Een jaar geleden stelde Gibson ten slotte een ultimatum. De Mexicaanse vestiging moest in staat zijn om 2000 spoelen per week te produceren met een machine die wordt bediend door twee personen - een norm die in Connecticut al jaren werd gehaald. Maar, aldus Gibson, het werden er zelden meer dan duizend per week. De Mexicanen deden veel langer over het in bedrijf stellen van en het opereren met de machine dat die per dag maar enkele uren effectief draaide.

Uiteindelijk, afgelopen april, sloot Quality Coils zijn fabriek in Mexico om die in Connecticut te heropenen. Gibson is blij dat hij de knoop heeft doorgehakt. De kosten aan loon en overhead zouden dit jaar zijn opgelopen tot 5,38 dollar per uur. Omdat de produktiviteit in Juarez maar een derde was van die in Connecticut, is hij goedkoper uit met Noordamerikaanse werknemers.

In de fabriek in Stonington kijkt Karen Clark even op van haar werk: het verpakken van kleine spoelen in plakband. Vier jaar geleden werd ze door Quality Coils ontslagen. Nu is ze weer terug aan de produktielijn. En ze zegt: “Wie naar Mexico wil verhuizen mag zich wel zorgen maken.”

© The Wall Street Journal

(vertaling René Kurpershoek)

    • Bob Davis