De overkant

De stad: een paradijs van asfalt, steen en staal, de geur van uitlaatgassen, after-shaves en Vietnamese loempia's, het stoplicht, neonlicht en flikkerlicht, de mengelmoes van mensen, jong en oud, mooi en minder mooi - de zwerver met een viezig zakje friet, een etalagepop met bruidsjapon.

De olifant: een monument van wildernis, het hoge voorhoofd, kleine oog en logge kniegewricht, de kromme rug, de bolle buik, de barsten in de huid, het stof van de savanne en de modder van de waterkant, hun liefde voor het kalf, hun vriendschap met elkaar - het tastend zwaaien met de slurf.

Je kent de stad, je kent de olifant. Nu nog de combinatie van die twee: een stoet van olifanten langs het postkantoor.

We stonden aan de overkant. Ik had een linnen tasje in mijn hand; in dat tasje zat een doos en in die doos een veelbelovend paar nieuwe schoenen, toch weer Timberlands.

Eerst een verkeersagent, daarna een bus die stil bleef staan en toen de eerste olifant, gevolgd door nummer twee en drie en vier, tot nummer vijftien toe.

“Ik word hier treurig van”, zei ik en Iris had de tranen bijna in haar ogen staan.

De dieren sjouwden voort, verdwenen in de straat waar wij die schoenen hadden gehaald. Geen toeloop, geen gejuich, geen kind dat door een vader op zijn schouders werd gezet. Wie maalt er nog om olifant?

    • Koos van Zomeren