Consument is aan zet

Varkens en koeien poepen. De boeren verzamelen en strooien die mest vervolgens over hun land. Daardoor groeien de gewassen beter. Dreigen er toch nog planten ziek te worden dan sproeien boeren daar een middeltje over, zodat de gewassen gezond blijven. Alleen met grote hoeveelheden en puntgave produkten kan een agrariër het hoofd boven water houden. Daarom zijn boeren veroordeeld tot de strontkar en de gifspuit.

Ondanks dit imago is de landbouw met het milieu op de goede weg. Minister Hans Alders van VROM stak de landbouw vorige maand zelfs een pluim op de hoed bij de presentatie van zijn begroting; ''De agrarische sector haalt ruimschoots de ammoniakdoelstelling voor het jaar 2000''.

Dat boeren goed bezig zijn, bleek al eerder dit jaar na het verschijnen van de derde Nationale milieuverkenning van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM). De doelstelling voor 1994 om de ammoniakuitstoot te verminderen is in 1992 al bijna gehaald. De stikstof- en fosfaatbemestingen nemen enorm af. Ook het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen loopt fors terug. De milieudoelstellingen voor het jaar 2000 zijn messcherp en kosten handen vol geld. De netto milieulasten in 1994 stelde VROM voor de landbouw vast op 836 miljoen gulden. Voor de bouwnijverheid bedraagt dat 671 miljoen en voor transport 963 miljoen. Na deze inspanningen kunnen boeren niet vergenoegzaam onderuitzakken in een luie stoel. In de begroting voor 1997 is dit bedrag voor de landbouw verhoogd met 63% en voor de bouwnijverheid de transportsector met respectievelijk 6 en 18 procent. Dat de landbouw binnen tien jaar schoon zal produceren staat als een paal boven water. De prijs die de boeren daarvoor moeten betalen is echter hoog. De schoonmaak is zo peperduur dat het velen van hen de kop kost. Omdat de land- en tuinbouw toch al in zware financiële problemen zit, vroeg het Landbouwschap om uitstel van een aantal dure milieumaatregelen. Alders - en met hem overigens een overgrote kamermeerderheid - wil hier echter niets van weten.

De laatste hoop is gevestigd op de consument. Die zou de extra milieu-inspanning van boeren moeten honoreren. Helaas blijkt dat zwaar tegen te vallen. Veel consumenten belijden met de mond dat ze veel over hebben voor het milieu, maar wanneer ze boodschappen doen, bepalen reclame, gemak en deportemonnaie veelal het koopgedrag.

Wanneer alle huishoudens het milieu zo belangrijk vinden zouden biologische produkten als warme broodjes over de toonbank moeten gaan. Biologische boeren lopen vooruit op de regelgeving. Hun produkten zijn duurzaam geproduceerd, zonder een druppel gewasbeschermingsmiddel of een schepje kunstmest. Het milieu eist echter zijn tol. De opbrengsten zijn kleiner en daarom is het produkt duurder. Ook de aparte distributie en controle moet de consument betalen. De teelt van biologische produkten wordt vanaf begin tot eind gevolgd door een onafhankelijke instelling - de stichting SKAL - en uiteindelijk van een keurmerk voorzien. Het marktaandeel van biologische produkten is slechts één procent. Er valt weliswaar een stijging te bespeuren van 20 procent per jaar, maar de totale belangstelling is en blijft vooralsnog gering. ''De belangrijkste reden voor de tegenvallende omzet is het beperkte communicatiebudget,'' meent Jan Wieringa, directeur van de markt- en branche organisatie van de biologische landbouw; de Stichting Biologica. De bekendheid bij het grote publiek is onvoldoende. ''Het aanbod is er, maar je moet vraag creëren.'' Daarnaast noemt hij de verkrijgbaarheid en de prijs als storende factoren voor een succesvolle omzet. De tegenvallende verkoopcijfers van biologische produkten ten spijt, is de kreet 'milieuvriendelijk geproduceerd' een interessant verkoopargument. Producenten die menen dat hun produkt met iets minder bestrijdingsmiddel of minder mest geproduceerd is, besluiten steeds vaker 'milieuvriendelijk' op de verpakking te vermelden. Hierdoor dreigt een wildgroei te ontstaan van aanduidingen, merken en logo's die iets moeten zeggen over milieuvriendelijkheid. Het gevolg is echter dat de consument er niets meer van snapt en geen waarde meer hecht aan milieulogo's.

Zowel consumenten- als milieu-organisaties willen dit voorkomen met een eenduidig en onafhankelijk agro-milieukeur. Naast het SKAL-keurmerk voor biologische produkten zouden produkten die met weinig mest en bestrijdingsmiddelen zijn geteeld ook een officieel stempel moeten krijgen. Ook het landbouwbedrijfsleven is voor zo'n keur, omdat boeren die extra inspanningen leveren voor het milieu, zich zo helder en duidelijk kunnen onderscheiden. Het Centrum voor Landbouw en Milieu in Utrecht werkt thans aan zo'n certificeringssysteem. Het is de bedoeling dat er komend jaar voor zes produkten een agro-milieukeurmerk wordt ingevoerd: voor aardappelen, uien, granen, varkensvlees, een vollegronds groente en voor een produkt uit de sierteelt.

Wieringa van Biologica is echter niet blij met deze ontwikkeling. ''Het is niet zinnig een keurmerk te ontwikkelen voor semi-milieuvriendelijke produkten.'' Hij ziet liever dat de agrarische sector de volledig milieuvriendelijke biologische produkten meer naar voren schuift. Wanneer biologische produkten op grotere schaal gedistribueerd worden zullen de omzet toenemen en de kostprijs dalen. Wieringa legt uit dat wanneer meer boeren op de biologische toer kunnen gaan, de produktie per hectare afneemt. Dit is ook goed voor boeren die op gangbare wijze blijven produceren omdat de overproduktie daardoor verdwijnt. Hij vreest dat de biologische produkten nu nog meer wind van voren krijgen. Wanneer er straks naast officieel gecertificeerde biologische produkten ook nog gecertificeerde semi-milieuvriendelijke produkten liggen, verwacht Wieringa dat de consument op basis van het prijsverschil voor het laatste zal kiezen. Ben Kimman van het Produktschap voor Aardappelen is het niet met Wieringa eens. Er kleven volgens hem bij het grote publiek te veel bezwaren aan biologische produkten. ''De consument is veeleisend ten aanzien van de smaak, kooktype en jaarrond verkrijgbaarheid van aardappelen. Daar kunnen biologische aardappelen niet altijd aan voldoen. Bovendien is de consument helaas niet bereid de hogere prijs te betalen.'' Hij verwacht wel een aardig marktaandeel voor aardappelen met het nieuwe milieukeur, die aan alle wensen van de klant tegemoet komen en die bovendien met minimale hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen zijn geteeld. Wieringa en Kimman zijn het er wel over eens dat nu de consument aan zet is. Het aanbod is er, maar de consument bepaalt de vraag en geeft daarmee de snelheid aan, waarmee de milieuvriendelijke teelten van de grond kunnen komen.