"Buchmesse tekent verwarring over culturele betrekkingen'

AMSTERDAM, 5 OKT. “Over onze culturele betrekkingen met het buitenland bestaat altijd een begripsverwarring. Die leidt tot een klagerige sfeer in de trant van: wij doen nooit iets. Dat zag je heel goed bij de problematische totstandkoming van de Nederlandse deelname aan de Frankfurter Buchmesse,” zegt drs J.K.M. Gevers, voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam.

Gevers was ook voorzitter van een commissie die onlangs een advies uitbracht over de internationale culturele betrekkingen, waarop minister d'Ancona van WVC deze of volgende maand zal reageren. De commissie kwam tot de conclusie dat een apart overheidsinstituut hiervoor overbodig zou zijn.

“Het is helemaal niet slecht gesteld met onze buitenlandse culturele betrekkingen,” vindt hij. Omdat de omvang van de Nederlandse culturele presentaties in het buitenland nauwelijks bekend is, heeft zijn commissie dat ook in het onderzoek betrokken. In 1992 werd de Nederlandse cultuur op meer dan duizend evenementen in het buitenland gepresenteerd. Het initiatief daartoe is in negentig procent van de gevallen genomen door galeriehouders, impresario's, festivaldirecteuren, kortom: de kunstwereld zelf. Slechts tien procent werd door de overheid geïnitieerd.

Gevers vindt dat een goede zaak. “Het kunstenveld regelt zelf van alles, en de rol van de overheid is daarbij maar klein. Zo hoort het ook te zijn. Het probleem ontstaat als je in de discussie over de culturele betrekkingen van ons land "Nederland' alleen maar opvat als: de staat, dat wat uitgaat van de overheid. De rol van de overheid, zeker in internationale culturele betrekkingen, moet duidelijk omschreven en marginaal zijn, vind ik. Wij zijn Frankrijk niet, waar de staat in alles prominent aanwezig is. Onze traditie is: veel meer aan de samenleving overlaten. Dat moet zeker ook voor het kunstenveld gelden.”

De staat, vindt hij, moet “een groot mecenas zijn” en de kunsten “ruimhartig subsidiëren”, maar zich verder niet al te veel bezig houden met het regelen van internationale betrekkingen. Dat is in strijd met het open karakter van het Nederlands cultuurleven. Bovendien “is elke gulden die in Nederland besteed wordt aan kunst ook internationaal besteed,” omdat voor goede internationale culturele betrekkingen in de eerste plaats de kwaliteit van onze kunst van belang is. “Het blijkt dat van de evenementen die wij geïnventariseerd hebben, twee op de drie Nederlandse culturele presentaties op verzoek van het buitenland daar plaats hebben.”

Het is tegen deze achtergrond niet verwonderlijk dat Gevers de ministers van WVC en Buitenlandse Zaken voorstelt om het kunstenveld zelf een vereniging op te laten richten die de buitenlandse culturele betrekkingen waar nodig coördineert.

Maar dan blijven er toch bij grotere culturele manifestaties op zijn minst financiële problemen rijzen, zoals bij de aanloop van de Frankfurter Buchmesse. Die grote internationale boekenbeurs wordt vanmiddag officieel geopend, en Nederland en Vlaanderen presenteren zich daar als themaland (Schwerpunkt). Toch had het een haar gescheeld, of die presentatie was niet doorgegaan: bij de voorbereiding wilde WVC afhaken omdat de uitgevers en andere belanghebbenden niet wilden meebetalen aan de presentatie. Er volgde een sponsorwervingsactie, die weinig opleverde. De Nederlandse en Vlaamse overheid sloegen vervolgens de handen ineen, en legden ieder 2,5 miljoen op tafel voor de Schwerpunkt-presentatie.

Die Buchmesse-aanloop vindt Gevers een “schoolvoorbeeld van de onduidelijke houding die zowel bedrijfsleven als overheid over internationale culturele betrekkingen hebben. De overheid zegt: wij willen op de Buchmesse wel uitpakken, op voorwaarde dat jullie dat ook een beetje doen. En de uitgevers, die ook wel weten hoe hier de zaken gaan, denken: even wachten. Vind je het gek dat de uitgevers niets doen, als ze weten dat ze met niets doen geld kunnen verdienen? Ze rekenen er op dat de minister uiteindelijk toch wel in de buidel tast. En dat deed ze!”

Gevers vindt dat de overheid duidelijker moet zijn: als de staat het belangrijk vindt dat Nederland zich bij verschillende gelegenheden cultureel presenteert, dan moet ze daar ook geld voor op tafel leggen. Verder moet de kunstwereld zoveel mogelijk zelf regelen. Voor grote culturele manifestaties als de Buchmesse zouden ad-hoc samenwerkingsverbanden uit het culturele veld samengesteld moeten worden. Ook vindt de commissie-Gevers dat er een miljoen voor dergelijke manifestaties achter de hand moet worden gehouden om “lichtelijk gênante exercities” zoals bij de Buchmesse gebeurde, te voorkomen.