Bloemen in herfststorm

De Tweede Ronde, Argentijns nummer. Herfst 1993. Van Oorschot, 184 blz. ƒ 17,50

Bij De Tweede Ronde wordt de kopij eenvoudig geordend, met de auteursnamen op alfabet. Een "Ezelsbrug' levert Drs. P met een naar het alfabet opgebouwd vierregelig rijmpje: Al bakt Charlotte dagelijks een friet / grof happen in je keuken ligt me niet / enzovoort. Maar nu staat in het herfstnummer pas ergens halverwege een gedichtenreeks die de redactie vast met het grootste genoegen zal hebben geplaatst: "Zevenklapper voor het Fonds voor de Letteren' van Jan Kal. Hierin verweert hij zich poëtisch tegen de subsidieverdelers, doorgaans andere schrijvers, die aan hem geen beurs toebedeelden. “De beste schrijvers - noem er maar een paar: / Ten Berge, Hamelink en Vogelaar - / krijgen het meeste staatsgeld, van elkaar, / en dat gebeurt al vijfentwintig jaar”. Kal geneert zich niet om ronde bedragen te noemen. Bestuurslid H. C. ten Berge krijgt 46.000 gulden per jaar, Kal sinds vorig jaar niet langer zijn 3200. Zijn wraak is vreselijk: “Ik ben geen epigoon van Ezra Pound, / maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound. / En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.”

Met dit voor een deel Argentijnse nummer begint De Tweede Ronde een traditie om elk jaar een van de vier afleveringen te wijden aan Latijnsamerikaanse literatuur. Gastredacteuren Catharina Blaauwendraad en Sander de Vaan kozen doelbewust niet voor de grote namen - Cortázar, Sábato, Bioy Casares - maar voor onbekender talenten. Jorge Luis Borges is echter wel aanwezig, met twaalf gedichten, drie prozastukken en een niet eerder vertaald essay over Walt Whitman. Leopoldo Marechal (1900-1970) wordt Borges' "literaire evenknie' genoemd. Robert Lemm leidt hem in en merkt op dat Marechals peronistische sympathieën in de periode 1945-1955 ervoor gezorgd hebben dat men hem links liet liggen bij de latere boom van de Latijnsamerikaanse literatuur. Hij deelt met Borges een zeker individualisme en "een gepassioneerde metafysische gepreoccupeerdheid', maar in politiek en levensbeschouwelijk opzicht komen deze evenknieën helemaal niet bij elkaar in de buurt. Lemm vertaalde een stuk uit Marechals Danteske Adán Buenosayres uit 1948, “wellicht de meest ambitieuze roman die er in de twintigste eeuw op het Amerikaanse continent is geschreven”.

In het voorwoord wordt Latijns-Amerika een "literair zo dynamisch deel van de wereld' genoemd. De meeste schrijvers in dit Argentijnse nummer zijn echter al lang dood; en de jongste toch al boven de vijftig. Een aangename verrassing is een fragment uit Prisi'on perpetua van Ricardo Piglia (1941), over de nieuw-Duitse kolonie van Elisabeth Nietzsche-Förster in de oerwouden van Paraguay.

Curieus is Arnon Grunbergs verhaal over een bezoek van een ongelukkige joodse man (inclusief veeleisende moeder) aan een prostituée, op seideravond. “Ze ging op me zitten. Ze leidde me naar binnen, maar er was weinig verschil tussen binnen en buiten. "Heb jij ook veel mensen verloren in de oorlog?' vroeg ze. "Geen een,' zei ik, "ik ben van na de oorlog.' "Ik alleen mijn grootvader.' Toen begon ze op en neer te bewegen en ik zag die borsten van haar die alle kanten opsprongen als bloemen in een herfststorm en haar buik met de twaalf onderkinnen zag ik, die aan mijn buik grensde als vlees bij de slager.”