Arabische landen te karig voor de bezette gebieden

De economische onderbouwing van het door Israel en de PLO gesloten akkoord over Palestijns zelfbestuur blijft vooral een westerse aangelegenheid. De rijke Arabische landen tonen zich zeer terughoudend en dat bevordert de levenskansen van het akkoord niet.

Al op het grasveld voor het Witte Huis, waar Arafat en Rabin elkaar zo spectaculair de hand schudden, beloofde president Clinton te zullen zorgen voor de economische onderbouwing van het door Israel en de PLO gesloten akkoord over Palestijns zelfbestuur. Daarom nam hij het initiatief tot een donorconferentie die afgelopen vrijdag in Washington werd gehouden. De 43 vertegenwoordigde staten brachten maar liefst vier miljard gulden bijeen, bestemd voor de infrastructuur van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. De Europese Gemeenschap (1 miljard gulden) en Japan hebben reeds aanzienlijke bedragen toegezegd. Heel opvallend is echter de terughoudendhied van de welvarendste Arabische staten, die tezamen slechts 5 procent toezegden.

Voorlopig toont alleen het Westen, dat toch al flink in de buidel moet tasten voor het op de been houden van het GOS (80 miljard gulden) en de hervormingen in Zuid-Afrika (een IMF-lening van 1,6 miljard gulden), enthousiasme om de vrede tussen Israel en het Palestijnse volk materieel te ondersteunen. Volgens de Wereldbank is voor de economische opbouw van de bezette gebieden niet alleen het in Washington vergaarde bedrag nodig, maar dienen Israel, de Palestijnen en de Arabische staten ook op allerlei niveaus samen te werken. De bank is positief over de economische mogelijkheden hiervan. Maar dan moeten Saoedi-Arabië, de Golfstaten en Syrië wel meewerken.

Israel heeft vanaf het begin van de bezetting in 1967 zijn economie opengesteld voor Palestijnse arbeid. Dit had weliswaar een uitholling van de infrastructuur van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook tot gevolg, maar leidde er ook toe dat het jaarinkomen in die gebieden per hoofd van de bevolking 1,5 tot 3 maal hoger lag dan in de Arabische buurstaten. Nu de Palestijnen de weg naar volledig zelfbestuur zijn ingeslagen, zal de afhankelijkheid van arbeid in Israel - jarenlang goed voor 30 procent van het Palestijnse Bruto Nationaal Produkt - snel afnemen.

In plaats hiervan moeten de eigen Palestijnse landbouw, de fabricage van hoogwaardig technologische produkten en het toerisme gestimuleerd worden. Het zijn zaken waarvan Israel als enige land in de regio veel verstand heeft. Zo blijkt dit land vorig jaar een economische groei van 6,7 procent te hebben gehad, waarbij de high-tech 54 procent van de totale industriële export voor zijn rekening nam. Juist de kracht van de Israelische economie was voor de Wereldbank een belangrijke reden om in zijn rapport over de economische potentie van de bezette gebieden te pleiten voor hechte regionale samenwerking.

Dit advies vindt navolging in het door de PLO en Israel gesloten akkoord over zelfbestuur. Artikel 11 van het akkoord zegt dat het in “wederzijds voordeel is samen te werken bij de ontwikkeling van de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Israel” en voorziet in de oprichting van een Israelisch-Palestijns Comité voor Economische Samenwerking, waarvan de taak omschreven wordt in een aparte annex bij de overeenkomst. Artikel 12 betrekt vervolgens Egypte en Jordanië bij deze coöperatie.

De terughoudendheid van de welvarendste Arabische landen doet twijfels ontstaan over de kans van slagen van de goede voornemens van Israel en de PLO. En dat valt te betreuren. Tot dusver hebben ze zich nooit veel gelegen laten liggen aan de noden van de Palestijnen. De karige financiële steun die ze de afgelopen 40 jaar gaven aan de UNWRA, de UN Relief and Work Agency verantwoordelijk voor de hulp aan de Palestijnse vluchtelingen in de kampen, spreekt boekdelen. Het leeuwedeel van het geld, in sommige jaren meer dan 90 procent, moest uit het Westen komen. Nog maar enkele maanden geleden weigerde de Saoedische regering een verzoek van de Palestijnse leider Faisal Hoesseini om de bestuurslichamen, die in de bezette gebieden in oprichting waren, economisch te helpen. Wel ging er als gevolg van de breuk die er sinds de Golfoorlog met de PLO bestaat geld van Saoedi-Arabië en de Golfstaten naar de fundamentalistische Hamas-organisatie, wat niet erg constructief te noemen is.

Bedenkelijk is tevens dat de meerderheid van de Arabische staten weigert de economische boycot tegen Israel in te trekken. De Arabische Liga, die half september in Kairo bijeen kwam, plaatste dit onderwerp niet op de agenda omdat Israel, in de woorden van de assistent secretaris-generaal van de Liga Adnan Omran “zich niet heeft teruggetrokken uit alle bezette gebieden, inclusief Jeruzalem”. De Syrische regeringskrant Tishreen schreef enkele dagen geleden zelfs dat de boycot tegen Israel moest worden uitgebreid. Dat er sprake is van een verharding blijkt uit het feit dat in 1991 Saoedi-Arabië en enkele Golfstaten zich bereid toonden hun economische oorlogsvoering tegen Israel te beëindigen, indien dit land zijn nederzettingenpolitiek zou staken, een eis waaraan de regering-Rabin thans al lang heeft voldaan.

Het voortzetten van de boycot heeft voor de Israelische economie, die zich in een steeds grotere internationale belangstelling kan verheugen weinig gevolgen. Anders ligt dat voor de noodzakelijke samenwerking tussen de bezette gebieden, Israel en Jordanië. Het is niet goed denkbaar hoe Palestijnse produkten, waaraan Israelische hulp in de vorm van investeringen, grondstoffen, halffabrikaten of research te pas is gekomen, naar Arabische staten geëxporteerd kunnen worden waar de boycot nog van kracht is. Dit soort Israelische bemoeienis is volgens het Arabisch boycotbureau ten strengste verboden. Aldus worden de Palestijnen de dupe van een maatregel die oorspronkelijk de bedoeling had hun politieke strijd te ondersteunen.

Tegen deze achtergrond bestaat de taak van het Westen bij de ontwikkeling van de bezette gebieden niet alleen uit het wederom royaal opentrekken van de portemonnaie, maar ook het scheppen van de voorwaarden waaronder de hulp aan de Palestijnen het effectiefst zal zijn. Dat betekent dat het Westen er bij de Arabieren op moet aandringen nu eens werkelijk belangstelling te tonen voor het welzijn van het Palestijnse volk.

    • Ronny Naftaniel