Wetsvoorstel medische keuringen volkomen overbodig

Het D66-Kamerlid J. Kohnstamm heeft onlangs een initiatief-wetsvoorstel keuringen ingediend. Het voorstel beoogt de rechtspositie van mensen die gekeurd moeten worden te versterken en de keuringen zelf aan banden te leggen of in bepaalde gevallen af te schaffen. Kohnstamm meent dat nieuwe medische technieken de toegankelijkheid van maatschappelijke voorzieningen zoals werk en verzekeringen bedreigen. Bovendien acht hij het ongewenst dat mensen in het kader van een keuring met een onbehandelbare ziekte of aanleg daarvoor geconfronteerd worden. Genetisch onderzoek en de aids-test moeten, zo luidt het wetsvoorstel, worden verboden.

Het valt op zich te waarderen dat Kohnstamm zich zorgen maakt over mogelijk misbruik van keuringen. Ook is het goed dat hij zich afvraagt of keuringen die van weinig waarde blijken te zijn wel bestaansrecht hebben. Jammer is alleen dat hij zich daarbij meer laat leiden door vage vermoedens over niet bestaande misstanden dan door feiten. Ook lijkt hij weinig inzicht te hebben in de gang van zaken bij keuringen voor particuliere verzekeringsmaatschappijen en de consequenties voor verzekerden.

Verzekeringsmaatschappijen hebben een belangrijke maatschappelijke functie. De financiële risico's van onvoorziene tegenslagen kunnen tegen premiebetaling op verzekeraars worden afgewenteld. Om ook op de lange termijn aan haar verplichtingen te kunnen voldoen, dient een verzekeringsmaatschappij echter een schatting te kunnen maken van de risico's die haar aangeboden worden. Bij levens- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is het daarom nodig via een vragenlijst of een keuring gegevens over de gezondheidstoestand en prognose van de kandidaat-verzekerde te verkrijgen. Ook kan een verzekeraar zich daarmee indekken tegen antiselectie: het verschijnsel dat mensen met een slechte gezondheid eerder geneigd zijn zich te verzekeren dan gezonden.

Uit een onlangs gepubliceerd rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne blijkt dat de voorspellende waarde van met name levensverzekeringskeuringen goed is. Hiermee blijkt het voor verzekeraars mogelijk een gezonde bedrijfsvoering en dus zekerheid voor de verzekerden te realiseren en tegelijkertijd een mild acceptatiebeleid te voeren: voor levensverzekeringen geldt dat minder dan vijf op de tienduizend aanvragen worden afgewezen en dat slechts enkele procenten van de verzekeringen met premieverhoging tot stand komen. Voor de overige aanvragen betekent dat acceptatie op normale voorwaarden. De ervaring leert dat noch de keurend artsen, noch de verzekerden zelf problemen hebben met de gang van zaken.

De waarde van nieuwe medische technieken is voor verzekeringskeuringen betrekkelijk. Invloeden van buitenaf, zoals verkeersongevallen en gedrag (roken), zijn bepalender voor de levensverwachting dan de risico's die met verfijnde diagnostische technieken vastgesteld zouden kunnen worden.

Voor verzekeraars is het wèl van belang om algemeen voorkomende aandoeningen zoals bijvoorbeeld hart- en vaatziekten of de factoren die de kans daarop verhogen (risicofactoren) te herkennen. Wanneer dat niet gebeurt zou in te veel gevallen geen adequate premie berekend worden en de financiële draagkracht van de verzekeringsmaatschappij onder druk komen te staan. Nieuwe ontwikkelingen in de geneeskunde gaan uiteraard niet aan verzekeraars voorbij.

Als het in de (verre) toekomst gemeengoed zou worden om risicofactoren voor veel voorkomende aandoeningen zoals bijvoorbeeld suikerziekte of hartkwalen vast te stellen met DNA-onderzoek, kan dat onderzoek dezelfde functie krijgen als het nu al gebruikelijke en door een ieder geaccepteerde onderzoek naar suiker, bloeddruk of cholesterol. Dat DNA-onderzoek er uitsluitend toe dient om met zekerheid toekomstige, ernstige en onbehandelbare aandoeningen vast te stellen, is een hardnekkig misverstand. Er zijn maar enkele aandoeningen die op deze wijze kunnen worden aangetoond en de meeste hiervan zijn voor de verzekeraar irrelevant. Een pleidooi voor een ongenuanceerd verbod op de introductie van nieuwe diagnostische methoden die aansluiten bij veel belovende ontwikkelingen in de wetenschap is conservatief en niet op zijn plaats.

Om de aangeboden risico's goed te kunnen beoordelen, moet een verzekeringsmaatschappij een gedegen keuring laten uitvoeren. Een keuring waarbij het vinden van een ernstige aandoening vermeden moet worden wegens mogelijke psychische schade voor de gekeurde is een wassen neus. Een verbod op de aids-test is ireëel en onwenselijk. Het is immers discriminerend om mensen bij wie tijdens de keuring bijvoorbeeld een hartkwaal of kanker wordt ontdekt een premieverhoging te vragen of in uitzonderingsgevallen zelfs af te wijzen terwijl diegenen die met het aids-virus besmet zijn (seropositieven) tegen standaard premie geaccepteerd moeten worden. Dit betekent een onevenredige belasting voor de andere verzekerden, zowel diegenen die aan een andere ernstige kwaal lijden als de gezonden. Nederland zou overigens het enige land zijn waar een dergelijk verbod zou gelden; dat dit een ongewenste toestroom van buitenlandse seropositieven zou betekenen, behoeft geen betoog. Waarom D66 voor seropositieven deze uitzonderingspositie wil creëren is niet duidelijk.

Verzekeringsmaatschappijen hebben goed functionerende klachteninstituten en ook de rechtspositie van de gekeurde is naar behoren geregeld. Geneeskundig adviseurs leggen zich al lang duidelijke beperkingen op bij het keuringsonderzoek. Het moratorium van het Verbond van Verzekeraars verbiedt voorlopig elk genetisch onderzoek en staat zelfs het vragen naar eerder ondergaan genetisch onderzoek niet toe. Via zelfregulering is veel van wat Kohnstammn wil dus al tot stand gekomen.

    • H.C.Q. van der Giessen