Toch kan de Navo groter worden; Russische militaire top is tegen, maar Oost-Europa heeft Navo nodig

In zijn nieuwsanalyse van afgelopen vrijdag trekt NRC Handelsblad-redacteur Herman Amelink terecht de conclusie dat president Jeltsin eind vorige week met zijn op schrift gestelde waarschuwing tegen een uitbreiding van het Atlantisch Bondgenootschap, een domper heeft gezet op plannen om van de komende NAVO-top een historische gebeurtenis te maken. Het was immers duidelijk geworden dat het openen van de deur voor landen in Centraal- en Oost-Europa bij uitstek het middel was om de met een identiteitscrisis worstelende NAVO nieuw leven in te blazen. De bondgenoten waren ter voorbereiding van hun top op 10 januari aanstaande nog maar net begonnen zich te buigen over de vraag met wie, hoe en wanneer de alliantie zich zou moeten uitbreiden. De hoop dat Rusland een uitbreiding van de NAVO niet langer bezwaarlijk zou vinden - door de Russische president zelf enkele weken geleden in Warschau gewekt - lijkt met deze pennevrucht de grond te zijn ingeboord. Moet het uitbreidingsvraagstuk nu van de bondgenootschappelijke agenda worden afgevoerd?

Het spreekt vanzelf dat er reden is tot voorzichtigheid nu de situatie in Rusland escaleert. Jeltsin is meer dan ooit afhankelijk van de Russische militaire top en deze is nooit erg enthousiast geweest over een oostwaartse opschuiving van de NAVO. Toch is de conclusie dat het uitbreidingsvraagstuk in de ijskast moet worden gezet, om een aantal redenen voorbarig. De belangrijkste is wel dat de behoefte aan bescherming in de landen van Centraal- en Oost-Europa door de recente Russische crisis eerder versterkt is dan verzwakt.

Deze landen voelen er niets voor in een soort veiligheidsvacuüm te verkeren. Slechts door het lidmaatschap open te stellen voor nieuwe landen kan de NAVO levensvatbaar blijven.

Immers, pas dan wordt geloofwaardig dat zij zich ook verantwoordelijk voelt voor stabiliteit buiten het eigen verdragsgebied. Aan de hand van toelatingscriteria die algemeen zijn aanvaard, komen allereerst Polen, Tsjechië, Hongarije en eventueel Slowakije (de Visegrád-landen) daarvoor in aanmerking. Dat overigens zelfs deze vooroplopende landen nog een lange en moeilijke weg hebben te gaan, toont de uitslag van de recente Poolse verkiezingen aan. Zolang er geen licht aan het einde van de tunnel is, zijn ernstige tegenslagen mogelijk.

De Nederlandse regering is zich daar ongetwijfeld van bewust maar acht het, aldus de toelichting op de jongste begroting van Buitenlandse Zaken, “om verschillende redenen te vroeg uitbreiding van de NAVO of een voorkeurspositie voor bepaalde landen te overwegen.” Een eventueel NAVO-lidmaatschap wordt gekoppeld aan toetreding tot de Europese Gemeenschap. De redenering dat de economische integratie aan de veiligheidspolitieke integratie vooraf moet gaan, is echter niet overtuigend. Ten eerste houdt zij een miskenning in van de naoorlogse geschiedenis van de westerse samenwerking. Dankzij de bescherming van de Verenigde Staten kon het Westeuropese economische integratiestreven gestalte krijgen. Er is zoiets als een primaat van de veiligheid. Bovendien zou het principieel onjuist zijn de discussie over veiligheidspolitieke samenwerking met de landen in Centraal- en Oost-Europa te belasten met geruzie over bijvoorbeeld landbouw, textiel en staal. Ten tweede kon de door Nederland gepropageerde omweg via de EG wel eens erg lang blijken te zijn. Op de in juni jongstleden gehouden EG-top te Kopenhagen is weliswaar aan zes geassocieerde Oost-Europese landen een vooruitzicht op een EG-lidmaatschap geboden, maar een tijdschema ontbreekt en de onzekerheden zijn erg groot. Ten slotte overtuigt de koppeling EG-NAVO niet omdat de Amerikanen, ongeacht hun eigen aarzelingen over uitbreiding van de NAVO, zich er vermoedelijk tegen zullen verzetten dat de EG de agenda van het transatlantische bondgenootschap bepaalt. Zeker zolang de economische olifant die de EG is, een veiligheidspolitieke muis baart.

Naast Washington lijkt ook Bonn niet erg gecharmeerd te zijn van deze koppeling. Meer dan enig ander Westeuropees land is Duitsland zich bewust van het risico dat de scheidslijn tussen stabiliteit en instabiliteit, die momenteel langs de Duitse oostgrens loopt, onverwacht snel kan vervagen. Onze oosterburen voelen zich weinig behaaglijk in hun positie van flankland. En wat gaan de drie miljoen etnische Duitsers die buiten de Bondsrepubliek wonen, doen als aan gene zijde van ons continent chaos en ellende ontstaat? Duitsland dient in zijn zorgen over de instabiliteit in Oost-Europa niet alleen te worden gelaten. Het gaat Duitsland vooral om stabilisering van de aangrenzende gebieden en in het bijzonder om Polen.

Het is begrijpelijk dat de Duitse regering door de politieke crisis in Moskou wat voorzichtiger lijkt te zijn geworden. Kohl en de zijnen willen niets doen wat in Moskou als een verkapte Duitse Drang nach Osten kan worden uitgelegd. Het is daarom des te opvallender dat in Bonn de recente brief van Jeltsin gerelativeerd wordt. "Sehr moderat' was de kwalificatie die een Duitse regeringswoordvoerder er afgelopen weekend aan gaf. Bovendien wordt in Bonn het argument van Jeltsin verworpen dat het in 1990 afgesloten "twee plus vier' verdrag, waarin de externe aspecten van de Duitse eenwording werden vastgelegd, uitbreiding van de NAVO niet zou toestaan.

Terecht, want daar is geen enkel aanknopingspunt voor. Dat dit verdrag nu weer ter sprake komt is overigens interessant. Het brengt immers in herinnering hoe door een consequente houding van het Westen, het verzet van Moskou tegen een uitbreiding van de NAVO met het voormalige Oost-Duitsland, kon worden gebroken. Alle NAVO-partners, de VS voorop, beseften welk veiligheidsbelang ermee gediend was om het eengeworden Duitsland niet in het midden van Europa te laten zweven. Ook nu is met de bedoelde uitbreiding van de NAVO een direct Westers veiligheidsbelang gediend.

Indien op de komende NAVO-top hierover nog geen consensus kan worden bereikt, dan zou op z'n minst een tussenoplossing kunnen worden overwogen, zoals omschreven in het laatste rapport van de Adviesraad Vrede en Veiligheid ("Welke toekomst voor de NAVO?'). Deze oplossing houdt in het toepassen op de Visegrád-landen van artikel 4 van het Noordatlantisch Verdrag (de verplichting tot het voeren van onderling overleg in tijden van dreiging). Dit dient gepaard te gaan met een politieke uitspraak waarin de NAVO-lidstaten verklaren "het zich tot een plicht (te) rekenen om in het geval van onuitgelokte externe agressie tegen een (of meer) van de Visegrád-landen, desgevraagd onverwijld te besluiten over mogelijke vormen van bijstand'. Hoewel deze formule niet zo ver gaat als de bijstandverplichting ex artikel 5 van het Noordatlantisch Verdrag, biedt zij de betrokken landen toch meer zekerheid dan de verklaringen die de NAVO tot dusverre heeft afgelegd.

Het spreekt voor zich dat aan de huidige crisis in Rusland niet zomaar kan worden voorbijgegaan. Tegelijkertijd dient bedacht te worden dat wat het Westen doet of nalaat uiteindelijk niet doorslaggevend is voor de uitkomst van de politieke strijd in dat land. Deze crisis kan lang gaan duren en mogelijk een ontbinding van de Russische Federatie teweegbrengen. De NAVO mag zich in ieder geval niet afhankelijk maken van de uitkomst ervan. Ondanks de brief van Jeltsin lijkt er nog steeds een "window of opportunity' om op een geloofwaardige wijze stabiliteit in een groter deel van Europa te verankeren.

Indien deze unieke kans nu niet wordt benut zal de NAVO daar voor later een prijs voor moeten betalen.

    • A. van Staden
    • J.B. Veen
    • Secretaris van de Adviesraad Vrede