Polak: dwarsligger maar vooral huisarts

AMSTERDAM, 4 OKT. In zijn spreekkamer was de Telegraaf taboe. Hij hield niet van zeuren, maar zijn patiënten konden wel alles bij hem kwijt. Prof.dr. B.S. (Ben) Polak, oud-verzetsstrijder, oud-communist en dwarsligger maar vooral: huisarts. “Komt u dan en dan maar, dan heb ik een speciaal spreekuur voor lelijke vrouwen”, placht hij vooral tegen mooie vrouwen te zeggen, herinnert de Amsterdamse huisarts B. Stapel zich lachend.

Afgelopen zomer overleed Polak. Gisteren had een herinneringsbijeenkomst plaats in de Amsterdamse stadsschouwburg. De zaal was tot de nok toe gevuld. “'t Is hier net z'n wachtkamer, met die mengeling van oud-CPN'ers en Amsterdamse intellectuelen en kunstenaars”, zegt een oud-patiënt. “In het laatste oorlogsjaar kwam Ben steevast op dinsdag om vijf uur 's middags bij ons thuis. Wij hadden een bad. Hij liep meteen naar boven en ging er inzitten. Op zijn verzoek zette mijn moeder altijd dezelfde plaat op, zo hard dat Ben het kon horen: “Wenn der weisse Flieder wieder blüht.”

De oorlog - hij sprak niet graag over deze "ultieme beproeving' die de Duitse bezetting voor met name de Joden heeft betekend, aldus Wouter Gortzak gisteren in een toespraak. Niet over zijn vlucht uit de Hollandse Schouwburg op 3 november 1943 en niet over zijn betrokkenheid bij het vezet.

Zijn vader was rabbijn in Nijmegen. Nadat de zoon reeds op zijn vijfde het geloof in Sinterklaas had verloren wendde hij zich later eveneens van het Joodse geloof af. “In de jaren twintig werd hij zendeling van het ongeloof. Hij werd communist, al voor de oorlog was hij een dwarsligger. Na de oorlog ontpopte hij, inmiddels lid van het establishment, zich als een sociaalbewogen criticus van de samenleving”, aldus Gortzak.

Een dwarsligger - hij werd er in 1953 korte tijd voor gestraft. Hij werd uit de CPN gestoten omdat hij net niet zacht genoeg zijn twijfel had geuit over de juistheid van de arrestatie van joodse artsen in de Sovjet-Unie - “moordenaars in witte jasen”, aldus De Waarheid. Zijn royement werd ongedaan gemaakt toen kort na Stalins dood de artsen waren vrijgelaten en gerehabiliteerd.

Een dwarsligger was hij ook in de discussies over de vraag of de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (WUV) open moet blijven voor de kinderen van oorlogsgetroffenen. Hij was lid van de commissie-Van Dijke die in 1985 werd ingesteld en het kabinet moest adviseren over de vereenvoudiging van wetten voor oorlogsgetroffen en over eventuele wijzigingen van de uitkeringssgrondslagen.

Polak kwam met een minderheidsstandpunt. Hij keerde zich tegen verscherping van de criteria voor toelating tot de WUV. En hij vond dat in het rapport van de commissie de problematiek van de tweede generatie werd onderschat.

Minister d'Ancona (WVC) stond in haar toespraak gisteren uitgebreid stil bij de betrokkenheid die Polak ten toon spreidde jegens oorlogsslachtoffers. “Er is niet iemand te vinden die zoveel verdiensten heeft gehad voor hen die hebben geleden onder verzet en vervolging. Hij paarde emotie aan een scherp intellect.”

Zij memoreerde nog een gave waarover Polak beschikte: de gave om altijd binnen te komen - ook al had betrokkene duidelijk te kennen gegeven “echt geen tijd te hebben.” d'Ancona: “Ik heb een geheim telefoonnummer, maar Ben kwam daar binnen de kortste keren achter. Hij belde meestal zo tegen half zes. Hij zei dan aan het eind van het gesprek: We moeten hier nog eens over doorpraten, kunnen we geen afspraak maken. Nee, Ben ik zit de komende tijd vol. Zat hij een week later tòch op het ministerie, zijn onweerstaanbare charme was mijn secretaresse te veel.”

Een huisarts moest volgens Polak aan een aantal eisen voldoen: vakkennis, een warm hart, sociaal bewogen, grote ijver en een zeer goede gezondheid. Al in 1970 pleitte hij voor een aparte huisartsenopleiding. Na zijn benoeming tot lector in de huisartsgeneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam volgde in 1977 zijn benoeming tot hoogleraar. Hij heeft zich ook lang ingezet voor goede medisch-juridische bijstand aan patiënten die wegens ziekte arbeidsongeschikt dreigden te worden. De onlangs opgerichte Stichting Ben Polak wil onder meer dit werk voortzetten.

Enige jaren voor zijn dood werd Polak getroffen door een attaque en raakte hij gedeeltelijk verlamd. Hij herstelde. Ooit had hij tegen een linkshandige verslaggeefster gezegd: “Dat vind ik nou zo knap, dat jij zo snel links kunt schrijven.” Na zijn attaque moest hij ook links leren schrijven. “Kijk eens wat ik al kan!” Hij ging achter zijn bureau zitten, pakte papier en pen en heel lanzaam schreef hij zijn eigen naam. “Goed hè?” Zijn ogen straalden.

    • Anneke Visser