Ouderen de dupe van strijd tussen ministeries

De problemen met het ouderenbeleid houden niet alleen het ministerie van WVC bezig, maar ook Volkshuisvesting. Het ministerie van VROM wil liever geen extra kosten maken voor aangepaste woonruimte voor ouderen die thuis moeten worden verzorgd. ANBO-adviseur en oud-staatssecretaris Cees Egas schetst de geschiedenis van de huidige problemen en uit scherpe kritiek op de verdeling van de financiering tussen de beide ministeries.

Verzorgingshuizen zijn instellingen waarin ongeveer zeven procent van de 65-plussers intensief worden verzorgd. Het zijn voor het merendeel hoogbejaarde mensen, met een grote behoefte aan sociaal/medische verzorging. Bejaardenhuizen zijn vooral veel na de Tweede Wereldoorlog gebouwd voor gepensioneerde bejaarden die immers alle recht op pensioen kregen. In beginsel mocht toen elke bejaarde worden opgenomen. De filofosie achter die ontwikkeling was de disengagement, het niet meer actief bij de samenleving betrokken willen zijn van bejaarden. Men nam aan dat gepensioneerden een rustige verzorgde levensavond wensten en daarom werden ook gezonde bejaarden in deze tehuizen volledig verzorgd.

Veel gepensioneerden, vooral alleenstaanden vonden dat inderdaad wel prettig. Aan het eind van de jaren zestig woonde ongeveer tien procent van de mensen boven de vijfenzestig in bejaardenhuizen. Maar aan het eind van de jaren zestig veranderde de visie op het bejaardenbeleid. De jonge wetenschap die men gerontologie noemt, kennis van verouderingsprocessen, begon invloed te krijgen. De professionele helpers en verzorgers begrepen dat ouderen beter gezond bleven door actief bezig te blijven. Activiteit werd aangemoedigd. Naast de disengagementstheorie werd een activeringstheorie toegepast in het beleid.

Tegelijkertijd ontstond in de samenleving een stroming die voorstond dat bejaarden ook meer invloed op hun eigen leefsituatie zouden behouden. Het parlement eiste een nota over het te voeren bejaardenbeleid. Dat werd de bejaardennota 1970, met een vervolgnota in 1975. Het gevolg was een ontwikkeling van buurtcentra voor bejaarden om hun meer mogelijkheden voor sociaal contact en activiteit te bieden, maar ook de behandeling van de wet op de bejaardenoorden, een wet die enerzijds de toegang tot de bejaardenhuizen beperkte door indicatiecommissies in te stellen die de noodzaak van opname moesten beoordelen. Anderzijds probeerde men via deze wet de bewoners meer invloed te geven op het interne beleid van de huizen. Dat lukte maar ten dele.

Een gevolg van die wet was dat de gemiddelde gezondheid en vitaliteit van de bewoners afnam en de gemiddelde leeftijd steeg. Dat schaadde het sociale klimaat. Het bejaardenhuis werd verzorgingshuis.

De disengagementstheorie bleef bij de helpenden en verzorgenden populair, mede door de sterke opkomst van de jongerenactie, die ouderen maatschappelijk meer naar de marge drongen. Jong was in; oud was uit! Eind jaren zeventig en in de jaren tachtig werden ook oudere werknemers steeds meer uitgesloten uit de betaalde arbeid en naar de marge van de samenleving verwezen. De koopkracht van de AOW daalde met ruim 10 procent.

Om te bezuinigen voerde de regering de "zeven procent norm' in voor de verzorgingshuizen. Dat betekende een beperking van de opname van tien procent naar zeven procent, en dus een verscherping van de indicatiestelling. De verzorgingshuizen werden semi-verpleeghuizen. Door personeelstekort moesten steeds vaker familieleden en vrijwilligers mede ingeschakeld worden bij de zorgverlening.

De maatschappelijke positie van ouderen boven 55 jaar was in de jaren tachtig ongunstig geworden, terwijl de gezondheid en vitaliteit van ouderen aanzienlijk was toegenomen. Daardoor ontstond onder de boven 55-jarige ouderen het begin van een emancipatiebeweging. De bonden van ouderen werden gestimuleerd tot het voeren van actie om de belangen van ouderen te behartigen. Die ontwikkeling werd nog eens gestimuleerd door het onderzoek dat het Research Instituut voor de Woningbouw (RIW), in opdracht van de exploitanten van verzorgingshuizen, uitvoerde naar de woonbehoeften van ouderen. Uit het onderzoek van het RIW bleek dat vrijwel alle ouderen zelfstandig wilden blijven wonen tot de dood toe, mits ze thuis de nodige hulp zouden krijgen.

Dit leidde tot een verandering van het ouderenbeleid naar zoveel mogelijk zelfstandig wonen en zo weinig mogelijk intramurale verzorging. Die ontwikkeling kwam de regering goed uit omdat ze hoopte daardoor meer te kunnen bezuinigen, onder andere op de verzorgingshuizen. De bonden van ouderen voerden actie voor meer en beter zelfstandig wonen en gemeentebesturen en corporaties deden hun best om zulke betere projecten te ontwikkelen.

Een variatie aan nieuwe woon-zorg-projecten voor ouderen kwam op de markt, mede ter vervanging van de niet gewenste verzorgingshuizen. De mondigheid van ouderen nam flink toe; het zag ernaar uit dat de verzorgingshuizen geleidelijk gesloten zouden kunnen worden. Verder experimenteel onderzoek toonde aan dat intramurale verzorging ouderen hospitaliseert en meer afhankelijk maakt dan wenselijk is. Deze ontwikkelingen vormen de achtergrond van de huidige spanningen rond de verzorgingshuizen.

In feite gaat de strijd nu om twee beleidsveranderingen die met elkaar verbonden zijn. Volgens het ministerie van volkshuisvesting kost de bouw van vele woon-zorg-projecten, goede veilige woningen voor ouderen waarin velen tot hun dood kunnen wonen en zonodig verzorgd kunnen worden, te veel extra geld. Die mening is op zichzelf omstreden. Volkshuisvesting vindt dat de extra kosten die moeten worden gemaakt voor de extra bouwvoorzieningen door WVC of de zorgverzekering moeten worden betaald. Op grond van deze redenering zijn volkshuisvesting en WVC overeengekomen dat er voor de exploitatie van nieuwe woon-zorg-projekten een speciale nieuwe financieringsregeling moet komen om de kosten beheersbaar te maken.

Dat is het ene deel van de opgestelde plannen. WVC heeft daaraan een tweede deel vastgekoppeld. Het wil in een periode van 5 à 10 jaar de verzorgingshuizen omzetten in een gedeelte voor verpleeghuiszorg en een gedeelete dat onder de nieuwe financieringsregeling van de woon-zorg-projecteen moet vallen. Ongeveer 60 procent van de bewoners zou daarin opgenomen kunnen worden, vindt WVC. Ook circa vijfentwintigduizend aanleunwoningen die nu ondersteuning van de verzorgingshuizen ontvangen wil men onder de nieuwe regeling laten vallen. Deze twee gekoppelde beleidsveranderingen zijn in beginsel door het kabinet overgenomen.

Provinciale- en gemeentebesturen achten deze voorstellen onjuist en dat geldt ook voor de corporaties, de bonden van ouderen en de voorlopige raad voor het ouderenbeleid. Het gaat dus om meer dan het omzetten van de verzorgingshuizen, het gaat ook om een veel ongunstiger regeling voor nieuwe woonzorgprojecten en voor bewoner van aanleunwoningen, terwijl bovendien de toekomst van de huidige bewoners van verzorgingshuizen onzeker geworden is.

De lopende bezuiniging op verzorgingshuizen, die tot het opheffen van een aantal van deze huizen leidt, vergroot uiteraard de onzekerheid en onrust. Minister d'Ancona is nu in de verdediging gedrongen en probeert de onrust te beperken. Dat lukt haar maar ten dele. Het is trouwens spijtig dat de actie zich niet tegen het ministerie van volkshuisvesting richt omdat in feite dat ministerie de ontwikkeling van de alternatieve zelfstandige huisvesting van ouderen bemoeilijkt en mogelijk blokkeert. Bij de onderhandelingen tussen de ministeries is WVC erin getrapt, ten gunste van volkshuisvesting. Volkshuisvesting probeert zich te onttrekken aan de plicht zorg te dragen voor een geschikte doelmatige huisvesting van ouderen.

Op grond van deze ontwikkelingen is een plan om geleidelijk - en voorzichtig de huidige verzorgingshuizen te vervangen, deels door goede verpleeghuiszorg, deels door goede en betaalbare projecten voor echt zelfstandig wonen, een goede zaak, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan.

Ten eerste behoren de huidige bewoners van verzorgingshuizen de garantie te krijgen dat zij op een goede en passende wijze tot de dood verzorgd zullen worden.

Ten tweede behoort Volkshuisvesting de plannen voor een speciale regeling met scherpe beperkingen ten aanzien van de woon-zorg-projecten in te trekken. Volkshuisvesting hoort aan ouderen voldoende geschikte woningen, binnen het normale huisvestingsbeleid, beschikbaar te stellen.

De speciale financieringsregeling behoort er niet te komen; het zou de ontwikkeling naar goede zelfstandige huisvesting afremmen of zelfs blokkeren, terwijl tevens veel ouderen hun verkregen woonrechten zouden verliezen.

De twee gekoppelde plannen zijn overhaast ontwikkeld, onvoldoende doordacht, onvoldoende uitgewerkt en onrechtvaardig voor een groot aantal hoogbejaarde ouderen. Het parlement doet er goed aan beide tegen te houden; het volkshuisvestingsplan acht ik het meest schadelijk.

Intussen heb ik de indruk dat de ministeries geschrokken zijn van het massale verzet tegen beide plannen. Vermoedelijk zal dit kabinet de uitvoering niet meer ter hand willen nemen, zodat een volgend kabinet de plannen zou moeten uitwerken en uitvoeren. Ook dat lijkt me een slechte zaak, zodat ik van harte hoop dat het parlement de voorstellen van de regering zal afwijzen, zoals ook de voorlopige raad van het ouderenbeleid adviseert.

    • Cees Egas