In de achtertuin van Moskou

De celdeling die door de ineenstorting van het communisme in gang is gezet, lijkt nog lang niet ten einde. Na het verlies van de invloedssfeer in Midden- en Oost-Europa en de ineenstorting van de Sovjet-Unie zelf, lijken we nu getuige te zijn van het uiteenrafelen van Rusland. Deze langgerekte vernedering van de voormalige grootmacht is één van de grote drijfveren van degenen die zich verschansen in het Witte Huis van Moskou. De coupplegers in augustus 1991 verwoordden al het gevoel "tweede-rangs burgers' te zijn geworden en Roetskoj klaagt voortdurend over de uitverkoop van zijn land aan het Westen.

Op dit kritische moment worstelen de Westerse landen met het probleem hoe het veiligheidsvacuüm dat de Sovjet-Unie in Midden- en Oost-Europa heeft achtergelaten moet worden bejegend. De concrete vraag stelt zich of landen als Polen en Hongarije binnen afzienbare tijd binnen de NAVO moeten worden opgenomen of dat de afhoudende opstelling, die tot nog toe gold, moet worden voortgezet.

Lange tijd konden de Westerse landen de vraag, hoeveel risico's men wilde aanvaarden bij zo'n uitbreiding van het verdragsgebied, voor zich uit schuiven. Was het nieuwe Rusland van Jeltsin niet tegen zo'n stap en zouden de spanningen die daardoor ontstaan niet eerder afbreuk doen aan de veiligheid in Oosten dan deze vergroten?

Deze mengeling van bezorgdheid en vluchtgedrag kon worden volgehouden tot op de dag dat de presidenten van Polen en Rusland ineens een verrassende verklaring uitgaven. Op 25 augustus dit jaar liet Jeltsin weten "begrip' te kunnen opbrengen voor een Pools lidmaatschap van de NAVO. Letterlijk heet het: “In perspectief is zo'n beslissing van het soevereine Polen dat streeft naar een Europese integratie niet in tegenstelling met het belang van andere staten, onder meer Rusland.”

Hoezeer deze kwestie in Rusland zelf omstreden is bleek enkele dagen geleden, toen Jeltsin ineens in een brief aan de regeringen van de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Duitsland liet weten dat een uitbreiding van de NAVO op hevig verzet zou stuiten en eigenlijk "verboden' was bij het verdrag dat de toetreding van het herenigde Duitsland tot de NAVO regelt.

Wat moet nu de houding van de Westerse landen zijn tegenover deze zwenkingen van de Russische regering? Veel hangt ervan af of men zo'n uitbreiding van de NAVO als een belangrijk hulpmiddel beschouwt voor het stabiliseren van de etnische en nationale tegenstellingen in Midden- en Oost-Europa en welke risico's men bereid is te lopen teneinde zo'n rol te kunnen spelen. De oorlog in het voormalige Joegoslavië laat zien dat het geen zijdelings probleem betreft.

Een helder inzicht begint met de vaststelling dat Oost- en West-Europa voor elkaar geen "uitwendige' realiteiten meer zijn. Sinds 1989 blijkt dat er meer aan de hand is dan de simpele tegenstelling "hier stabiliteit, daar chaos', suggereert. De verwarring in Midden- en Oost-Europa heeft ook directe gevolgen voor het westelijk deel van het continent. Dat begint nu langzaam door te dringen.

Sterker nog, de kwestie van de uitbreiding van de NAVO raakt op een tamelijk directe manier de legitimiteit van het bondgenootschap, dat na het wegvallen van het Warschaupact een nogal doelloze indruk wekt. Het gaat om de vraag of het Westen zich wil en kan afschermen van de crises in het voormalige Oost-Europa of dat lotsverbondenheid in het ongedeelde Europa het uitgangspunt zal gaan vormen van toekomstig veiligheidsbeleid. Wil de NAVO de grenzen gaan garanderen in deze regio of schrikt men daar voor terug?

De controverse wordt op een aardige manier geïllustreerd in het laatste nummer van Foreign Affairs (september/oktober 1993). Drie onderzoekers van de Rand Corporation, Ronald Asmus e.a., pleitten voor een uitbreiding van de NAVO, terwijl de hoofdredacteur van het neo-conservatieve blad The National Interest, Owen Harries, uitgesproken tegen is. Asmus c.s. gaan uit van een directe inwerking van de chaos in het Oosten op de Westerse samenwerkingsvormen wanneer ze schrijven: “NATO must go out of area or it will go out of business.”

Ze zeggen terecht dat wanneer Westerse landen duidelijke criteria voor een eventueel lidmaatschap stellen - zoals het respecteren van de bestaande grenzen, garanties voor minderheden - zo'n lidmaatschap van de NAVO een pacificerende werking in Midden- en Oost-Europa zou kunnen hebben. Het zou betekenen dat het gebied van wederzijdse controle en zelfbeheersing van West-Europa stapsgewijs wordt uitgebreid naar het Oosten. In een recent rapport van de Adviesraad Vrede en Veiligheid, Welke toekomst voor de NAVO?, wordt dezelfde slotsom bereikt.

Die redenering is op zich juist, maar Owen Harries stelt een aantal pertinente vragen, die zo'n strategie van uitbreiding minder vanzelfsprekend maken. Oost-Europa is al eeuwen een gebied waar Rusland zijn invloed doet gelden. Te denken dat het nu buiten Rusland om bij het Westen getrokken kan worden is een gevaarlijke zelfoverschatting. In een discussie met de voorzitter van de buitenlandcommissie van het Russische Parlement, Jevgeni Ambartsoemov - hij is naar verluidt inmiddels teruggetreden - bleek me onlangs hoezeer velen in Moskou Oost-Europa nog steeds als hun achtertuin zien: “Jullie hebben daar niets te zoeken.” Een opvatting die echt niet alleen door Russen van het oude stempel wordt verkondigd.

Harries vraagt zich ook af wat de veiligheidsgaranties van de Westerse landen, die allemaal fors op hun defensie bezuinigen, na Bosnië eigenlijk waard zijn. Hij concludeert dat het "Westen' een produkt van de Koude Oorlog is, een hoogst kunstmatige entiteit, die geen natuurlijke verbondenheid uitdrukt. Zonder een gemeenschappelijke vijand is het bondgenootschap gedoemd uiteen te vallen. Dat zal in de komende jaren moeten blijken. Zeker is wel dat zonder een eensgezind idee over de relatie met de landen van Midden- en Oost-Europa de NAVO snel aan betekenis zal verliezen. Gezien de ervaring in Bosnië valt te vrezen dat landen als Engeland de onzekere houding van Moskou zullen aangrijpen om verder af te wachten.

Het probleem is dat Rusland een veiligheidsvacuüm heeft achtergelaten in het Oosten, maar nu de Westerse landen wil verhinderen om gehoor te geven aan het verzoek van onder meer Polen om aan deze onzekerheid een einde te maken. Rusland zegt dat een uitbreiding van de NAVO het land in een isolement zou opsluiten, maar daar staat tegenover dat de Polen zich nu in een isolement wanen. Of er een gemakkelijk compromis tussen deze verlangens mogelijk is, mag worden betwijfeld, hoewel de verklaring van Jeltsin en Walesa in principe die weg had geopend.

Natuurlijk moet zoveel als het maar even kan geprobeerd worden om de veiligheidsbehoefte van de Verenigde Staten, West-Europa, Midden- en Oost-Europa, Rusland en niet te vergeten de Oekraïne met elkaar te verzoenen. Maar Rusland heeft geen vetorecht over de manier waarop toekomstige leden van de Europese Gemeenschap als Polen, hun veiligheid vorm willen geven. Het Oostblok bestaat niet meer. Bovendien hebben hebben Asmus c.s. gelijk wanneer ze zeggen dat de ontmanteling de NAVO wordt bespoedigd wanneer deze zijn beslissingen geheel afhankelijk maakt van de machtsstrijd in Moskou, die nog jaren voor grote onzekerheid zal zorgen. Het is een oude vraag: betekent ontspanning met Rusland het vermijden van spanning tegen elke prijs?