Freek de Jonge als nar weergaloos acteur; Bij vlagen mooie scènes in Lear als een moraliteit

Voorstelling: King Lear van Shakespeare door Het Nationale Toneel. Regie: Franz Marijnen. Vertaling: Hugo Claus. Decor: Santiago del Corral. Spel: André van den Heuvel, Hans Croiset, Freek de Jonge, Peter Tuinman, Peter Blok, Josée Ruiter e.a. Gezien: 1/10, Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Nog te zien: t/m 3/12 in het gehele land.

Het begin van Franz Marijnens enscenering van Koning Lear bij het Nationale Toneel is even opmerkelijk als verontrustend. Alsof hier niet de integrale tekst gespeeld wordt maar een verkorte bewerking, neemt de regisseur de tijd. Kijk, daar komen ze binnen, de ene na de andere, de beulen en hun slachtoffers. We kunnen ze in alle rust en stilte monsteren: de in protserig bont en camel gestoken oudste dochters van de koning en hun patserige mannen en de jongste dochter, Cordelia, witte band in het haar, ingetogen maagdelijkheid, dat zie je zo. Allen zijn in afwachting van de koning. Achter hen passeert, even, de nar. Hij blaast een zak op, knalt hem kapot, verdwijnt. Het drama in een notedop.

Deze woordloze introductie moet de stilte voor de storm zijn, maar de spanning ontbreekt: dat is het verontrustende. De typecasting speelt me parten. Waarom geven regisseur en kostuumontwerpster Mechtild Schwienhorst de spelers zo weinig kans hun rollen te ontwikkelen? Direct al is er die ééndimensionale vulgariteit versus goedheid-uit-één-stuk. Goneril heeft geen betonnen spuuglok nodig, en Regan geen zonnebril. De toeschouwer wordt onderschat. Zo heel erg vreemd is het niet, after all, dat zodra de erfenis is veiliggesteld, de kinderen hun ware gezicht tonen. De bejaardenhuizen herbergen talloze Lears die met de kerst ondervinden dat de buit is verdeeld en hun rol uitgespeeld. Dat is de banaliteit, die van King Lear juist meer maakt dan alleen een gruwelijke tragedie. Voor mij is dat zelfs de kern.

Nu is de voorstelling al te zeer een moraliteit, zoals gebruikelijk. Daar zitten dan Goneril (Josée Ruiter) en Regan (Marie-Louise Stheins) hun slangementaliteit te maskeren achter brillen en laatste mode, achter mierzoete lachjes en onwaarachtige liefdesbetuigingen. Ja, we houden van u, “meer (-) dan woorden kunnen zeggen.” Vooruit maar, Paris vaut bien une messe, nietwaar? Geen cliché zo groot, of koning Lear trapt erin. Hij verdeelt zijn rijk tussen deze twee krengen en Cordelia krijgt niets en wordt verbannen. Zij heeft het immers gewaagd haar liefde voor haar vader te nuanceren tot proporties die zijn toekomstige dood draaglijk maken. Zoals het hoort, maar Lear zegt: “Zo jong en zo hard”. Wijsheid geeft haar in te antwoorden: “Zo jong en zo waarachtig.”

“Zo jong en zo wijs” had haar antwoord kunnen zijn, want haar vader, gespeeld door André van den Heuvel, is oud en dwaas. En verblind door zijn macht, die hij nota bene uit handen geeft. King Lear legt, behalve menselijke eigenschappen, politieke mechanismen bloot. De koning is het toonbeeld van afgelegde macht, hij is de ultieme lame duck. Wat hem rest, is de berusting of de waanzin - waar hij voor kiest, is bekend. Het veel fraaiere alternatief ziet hij over het hoofd. Hij had zijn politieke en materiële macht kunnen ruilen voor oprechte liefde. Banaliteit wederom: wat kan een mens meer wensen?

Zo zij het niet, en Franz Marijnen laat met behulp van decorontwerper Santiago del Corral de ijselijke gevolgen zien. Op een kaal toneel, geflankeerd door hoge, houten buffers, spelen zich bij vlagen indrukwekkende scènes af. Mooi van eenvoud en van subtiliteit is het moment, waarop de beide erfgenamen hun vader duidelijk maken dat hij afgedaan heeft en in plaats van honderd ridders er slechts vijftig nodig heeft, of nee, één is eigenlijk al te veel. Daar maakt Shakespeare eigenhandig de gepantserde kostuums en de harde trekken van Ruiter en Stheins ongedaan. Mooi en spannend is ook de wreedheid waarmee Cornwall Gloucester (Hans Croiset), de dramatische evenknie van Lear, de ogen uitrukt. De zogenaamd geile vrijpartij van de beul en de nieuwbakken koningin die erop volgt, kan niet anders dan afbreuk doen aan de intensiteit van de scène.

Maar prachtig is weer hoe de berooide en hallucinerende koning, de blinde Gloucester en diens verdoolde zoon Edgar (evenwichtig gespeeld door Peter Blok), zittend op de kale toneelvloer, de balans opmaken. Hen rest op dat moment letterlijk niets meer dan inzicht in hun eigen lot. “Als wij geboren worden, huilen wij, omdat wij in dit groot toneel van gekken zijn beland...” zegt Lear. Beneveld door verdriet ziet hij de waarheid scherper dan beneveld door macht.

Dé hoogtepunten van deze lang niet evenwichtige enscenering van een misschien wel te lang stuk (King Lear wordt zelden integraal gespeeld) zijn echter de scènes tussen Lear en zijn nar, gespeeld door Freek de Jonge. Al die jaren one-man-shows doen De Jonge met kop en schouders boven de acteurs van Het Nationale Toneel uitsteken. Het is niet anders. Hij heeft zijn eigen clausen vertaald, lees ik in het programmaboekje, hij maakt ook zijn eigen rol, zie ik op toneel. Hij is geen acteur, hij reproduceert niet, hij is een schepper, hij is een weergaloos acteur.

De Jonge is zo los, zo vrij, zo perfect van timing, dat hij als het ware zelfs van zijn pet een personage weet te maken. Zijn duikvlucht op de tafel richting hoofdeinde, waar zijn koning zetelt, is niet alleen een fysieke prestatie, ze getuigt van het opperste inzicht in de nervositeit van een profeet, die vanonder zijn zotskap, de monumentale gevaren doorziet - maar zijn plaats kent. Het is de grote en niet mis te verstane verdienste van Van den Heuvel, dat hij dit superieure spel alle ruimte laat. Zijn latere teloorgang is genuanceerd en geloofwaardig, maar zijn onverstoorbaarheid naast De Jonge maakt dat de koning, ondanks alles, zijn nar evenaart.

    • Pieter Kottman