Dichter Tsjêbbe Hettinga neemt plaats tussen de "sterren' op de Buchmesse; Het Fries is de taal van mijn gevoel

LEEUWARDEN, 4 OKT. Wie is de 44-jarige Friese dichter Tsjêbbe Hettinga, die woensdag deelneemt aan het Nederlands-Vlaamse openingsprogramma van de Frankfurter Buchmesse, naast bekende auteurs als Hugo Claus, Hella Haasse, Harry Mulisch en Cees Nooteboom? Hoe is hij tussen de "sterren' beland?

Hettinga's aanwezigheid vloeit voort uit het Nederlandse letterenbeleid, zegt men bij WVC. Toen Nederland besloot aan de boekenbeurs mee te doen als themaland, stond vast dat er ook aandacht aan het Fries gegeven zou worden. “Het Fries is de tweede taal van Nederland en een regulier onderdeel van het beleid,” zegt een woordvoerder van WVC. De Stichting Frankfurter Buchmesse die de avond samen met de Frankfurt Feste organiseert, vroeg het Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum een naam te noemen. Daar koos men voor Hettinga.

Volgens de dichter heeft zijn onbekendheid in grote delen van het land vooral te maken met zijn eentaligheid. Het Fries bestaat bijna niet in Nederland. Hij vertelt dat de laatste verzamelbundel Friese poëzie in Nederlandse vertaling van 1948 dateert. Daarna is er niets nieuws meer in het westen doorgedrongen. Hettinga vindt dat jammer. “Het Nederlands en het Fries hebben literaturen die beide bij de tijd zijn. Ze zouden elkaar kunnen aanvullen, ze zouden in elkaar kunnen opgaan.”

Binnen Friesland geniet Tsjêbbe Hettinga aanmerkelijk meer bekendheid. Hij heeft verschillende dichtbundels gepubliceerd die in de Friese pers besproken zijn, hij heeft een rubriek gehad in het blad Frysk en Frij, hij is redacteur geweest van het literaire tijdschrift Hjir en de afgelopen winters heeft hij met een voordrachtprogramma uit eigen werk de provincie afgereisd. Die concentratie op de voordracht is niet toevallig. Hettinga is tussen zijn dertiende en zijn dertigste een groot deel van zijn gezichtsvermogen kwijt geraakt ten gevolge van een oogziekte. Bijna alles wat hij heeft geschreven zit daarom noodgedwongen in zijn geheugen. Op afroep kan hij tientallen lange gedichten laten horen.

Sinds zijn laatste bundel Under seefûgels / De kust is Hettinga uitgegroeid tot een van de bekendste Friese dichters. Hij verschilt in zoverre van veel anderen, dat hij het Fries niet als een politieke zaak ziet. Hij is toevallig in die taal opgevoed, zegt hij, maar hij staat niet meteen pal voor de Friese cultuur. “Ik druk me er alleen maar makkelijker in uit. In het Nederlands moet ik meer nadenken.” Tot zijn zesde had hij nooit iets anders dan Fries gehoord. Hij bracht zijn jeugd door op een boerderij in het dorpje Burgwerd bij Bolsward en toen hij begon te schrijven was dat automatisch in het Fries. “Het is de taal die met mijn gevoelsmatige kant te maken heeft.”

Voor zijn lezers heeft hij het Fries in ieder geval nooit hoeven opgeven. Hettinga's bundels liggen in veel Friese boekhandels en de oplage is relatief hoog. Hebben in het Nederlands de meeste dichtbundels een oplage van vijfhonderd à duizend exemplaren, in het Fries worden eerste drukken van twee- à driehonderd gedraaid. Zijn vorige bundel had zelfs meteen een oplage van vijfhonderd.

Hettinga vertelt hoe in de jaren zestig de Friese literatuur in een stroomversnelling is geraakt, waardoor volgens hem het een aantrekkelijk medium is gebleven. Voor die tijd werden in het Fries vooral streekromans geschreven, maar met schrijvers als Anne Wadman en Trinus Riemersma veranderde dat. Er is nu een duidelijke scheiding gekomen tussen streekromans en literatuur.

Het verschil tussen streekliteratuur en de "echte' Friese literatuur zit volgens Hettinga niet in het gebruik van landelijke elementen. Zijn gedicht "It Wikeler Hop' bijvoorbeeld is in zijn setting volledig streekgebonden, het gaat over iemand die zich terugtrekt op een afgelegen stukje berm bij het Slotermeer. “Het is geen simpele beschrijving van het landschap. “Het gaat over het op je zelf terug geworpen zijn, het bij iets weg moeten. Het gaat over iemand die een plaats zoekt om te rusten, als een zieke kat, een plaats waar niemand aan je zit te trekken. Puur literatuur, in alle bescheidenheid.”

Het gedicht, opgenomen in zijn laatste bundel, begint met een verwijzing naar "de druppelende kraan van het verdriet', en de bijbehorende dorst: "en wer op 'e flecht foar de lekkende kraan fan it fertriet, mei in toarst yn 'e hals'. De dichter is weggevlucht uit de drukte en probeert in harmonie met de kosmos te komen. Hij hoort kieviten die hem doen denken aan zijn jeugd, maar de vogels zijn niet dezelfde als toen. Ze zeggen alleen maar hetzelfde. Hettinga: “Zij doen me beseffen dat ook ik niet meer ben wie ik was. Vroeger hoorde de natuur erbij voor mij, dat was vanzelfsprekend. Nu zie ik het nog wel, maar ik weerspiegel mij ook in wat ik zie. Dat is het verschil. Het verval is er bij gekomen, de vergankelijkheid. Er is immers niets vergankelijker dan het geluid.”

Aan het slot van het gedicht komt de wereld weer op de dichter af. Het leven begint weer te lokken. Hij hoort een boer tegen zijn beesten vloeken, er komt een beeld van een vrouw tevoorschijn en de dichter wordt weer onrustig: In byld fan in faam stekt de kop op, en toarst. Driftich jout it hert de mage skonken. Het dubbele, dat uit dit gedicht spreekt, het niet kunnen kiezen, zit volgens Hettinga in al zijn latere werk. Hij ziet daarin een verwantschap met dichters als Dylan Thomas en Derek Walcott van wie hij veel in het Fries heeft vertaald.