De SGP en de vrouw: anti's versus contra's; Profiel van de STAATKUNDIG GEREFORMEERDE PARTIJ

De Staatkundig Gereformeerde Partij worstelt met de rol van de vrouw, in de politiek in het algemeen en in de partij in het bijzonder. De discussie over de vrouw brengt de oude gespletenheid van de SGP weer aan de oppervlakte: de strijd tussen de anti- en de contra-revolutionairen. De partijleider: “Ik schaam me ervoor dat we juist met elkaar op straat zijn komen te liggen op een punt waar het gaat om de exegese van gedeelten uit de Heilige Schrift.”

De wekelijkse fractievergadering van de SGP, afgelopen dinsdag, was volgens een medewerker “de meest dramatische” uit de partijgeschiedenis. Het besluit dat vrouwen niet langer lid kunnen worden van de partij, genomen op de zogenoemde Huishoudelijke Vergadering op 25 september in Putten, was een zware slag voor de partijleden die in de Haagse politiek opereren. “Ik ben zeker gedeukt door deze gebeurtenis”, erkent fractievoorzitter en partijleider ir. B.J. van der Vlies. Meer in het algemeen lijkt het erop dat degenen die politiek actief zijn in de partij moeite hebben met het besluit.

Er zijn partijleden die constateren dat de Staatkundig Gereformeerde Partij, opgericht in 1918 en bij gevolg de oudste politieke partij in het Nederlands staatsbestel, in een crisis verkeert door de “vrouwenkwestie”. Partijvoorzitter ds. W.Chr. Hovius en partijsecretaris C.G. Boender (de laatste maakte als 24 jaar deel uit van het hoofdbestuur) hebben wegens grote bezwaren tegen het besluit ontslag genomen. Naar verluidt zouden bovendien drie andere leden van het 15-koppige hoofdbestuur van de partij los op hun stoel zitten. Daarbij komt dat, zoals de partij het zelf noemt, “de meest gezagsgetrouwe groepering in de Nederlandse samenleving” inmiddels voorwerp van onderzoek door de Rijksrecherche is geworden. Afgelopen donderdag gaf het OM in Den Haag opdracht tot een "feitenonderzoek' naar aanleiding van twee eerder door vrouwen in Deventer en Roermond ingediende klachten wegens aanzetten tot discriminatie door de SGP. Afgelopen vrijdag werd bovendien bekend dat het SGP-besluit internationaal voornamelijk kan rekenen op onbegrip en afkeuring. Tijdens het Labourcongres in Brighton verklaarde Europarlementarier Crawley dat SGP-Europarlementslid Van der Waal tekst en uitleg zal moeten verschaffen aan de vrouwencommissie van dit supranationale bestuursorgaan. Overigens is ook Van der Waal het niet eens met het besluit van de kiesverenigingen van zijn partij.

Een laatste crisisverschijnsel waarop kan worden gewezen is dat de SGP door het gewraakte besluit hoogstwaarschijnlijk veel stemmen zal verliezen. Algemeen wordt ervan uitgegaan dat de partij bij de aanstaande Kamerverkiezingen ten minste een van de drie zetels in de Tweede Kamer zal verliezen. “Dat is nog tot daaraan toe”, zegt drs. J. Mulder, directeur van het wetenschappelijk bureau van de SGP, “maar bovendien verzwakt het onze zuil. Op basis van het percentage kiezers op onze partij wordt de subsidie vastgesteld voor onze scholen. Dat zou betekenen dat er voorlopig geen nieuwe scholen op reformatorische grondslag kunnen worden geopend.”

Een belangrijke stroming binnen de SGP meent echter dat de jongste ontwikkelingen niet duiden op een crisis binnen de partij maar veeleer een symptoom zijn van voortgaande verrottenis van de buitenwereld. Dat geluid klonk ook door in de officiële reactie van de partij op de aangekondiging van het justitieel onderzoek: “Het feit dat de oudste partij van Nederland op dit moment voorwerp is van justitieel onderzoek zegt meer over het veranderde geestelijk klimaat in Nederland dan over die partij zelf.”

Eigenlijk is de gespletenheid die de SGP demonstreert inzake het vrouwenlidmaatschap niets nieuws maar kenmerkend voor de partij, meent directeur Mulder van de Guido de Brèssttichting, het wetenschappelijk bureau. Binnen de achterban staan de anti-revolutionairen al sinds de oprichting van de SGP tegenover de zogeheten contra-revolutionairen. Beide groepen wijzen de atheïstische Franse Revolutie en haar vruchten af. De "contra's' keren zich echter bewust van het publieke leven af omdat zij ervoor beducht zijn dat sociale en politieke activiteiten hun geloogfsleven kunnen ondermijnen.

Tegenover deze wereldmijdende "contra's' staan de "anti's' die juist vinden dat de roeping van de christen middenin de maatschappij ligt. Daar moeten de beginselen van het Woord van God worden uitgedragen. Het anti-revolutionaire streven van de oprichter van de partij, ds. G.H. Kersten, predikant van de gereformeerde gemeente te Yerseke, botste volgens Mulder al met de berustende houding van het wereldmijdende deel van zijn achterban. Er is ook wel opgemerkt dat de SGP “naar de inhoud contra-revolutionair is en naar de vorm anti-revolutionair”.

Op de achtergrond van alle politieke woelingen spelen tegenstellingen tussen de verschillende kerken waartoe SGP-kiezers behoren. De grootste groep is de vinden binnen de over het algemeen als "licht' getypeerde Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarnaast zijn SGP'ers aan te treffen in Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, de Oud-Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de Christelijk Gereformeerde Kerk.

Alles bij elkaar zou het gaan om ruim een kwart miljoen mensen, meestal gesitueerd in de zogenoemde Bible Belt die loopt van Zeeland via de Zuidhollandse eilanden en de Hoge Veluwe naar Groningen. De mate van “bevindelijkheid” binnen deze orthodox-gereformeerde kerken kan echter regionaal en per gemeente verschillen. Een breuklijn ligt in ieder geval, zo bleek afgelopen week, tussen de Gereformeerde Bond en de overige kerken. Bondsvoorzitter ir. J. van der Graaf meldde niet tegen het vrouwenlidmaatschap te zijn. Dominee R. van Kooten uit Soest, die staande de vergadering in Putten bedankte voor het lidmaatschap, meent dat er al langer wantrouwen heerst tussen enerzijds de christelijk-gereformeerden en leden van de gereformeerde gemeenten en anderzijds de bonders. “Die gevaarlijke hervormden zijn niet te vertrouwen.” Sommigen beschouwen de besluitvorming in Putten dan ook als een welbewuste poging de bonders de partij uit te werken.

De ruzie over het vrouwenlidmaatschap, die nu al tien jaar duurt, wordt intussen door vooraanstaande SGP'ers aangeduid als “een middelmatige zaak”. Partijleider Van der Vlies: “Ik schaam me er ook voor dat we juist met elkaar op straat zijn komen te liggen op een punt waar het gaat om de exegese van gedeelten uit de Heilige Schrift. Daar ligt het Woord van God, Zijn geopenbaarde Wil, dat is geen receptenboek voor de politiek, maar mijn overtuiging is dat daarin toch normen en waarden naar voren komen die de inrichting van de samenleving ten goede zouden kunnen komen. Het zou een zegen zijn als die normen en waarden meer als richtlijn zouden worden gehanteerd. Dat is uiteindelijk ook wat wij voorstaan. Dat is ook het hart van de zaak: de betekenis van het Woord van God voor mijzelf, maar ook voor de overheid en voor het hele volk. Niet om af te dwingen maar wel als boodschap van heil.”

Wat de SGP voorstaat is niet de democratie, want de volkssoevereiniteit is in wezen een verworvenheid van de Franse Revolutie. De partij wil een "theocratie', een staatsinrichting die fundamenteel onderworpen is aan het Opperwezen.

Overigens lopen de meningen tussen de progressieve en conservatieve vleugels van de partij ook weer uiteen over de betekenis van die term. Afgelopen zaterdag wijdde de SGP in het kader van de herdenking van het 75-jarig bestaan van de partij in Gouda een bijeenkomst aan dit thema. Daar bleek ook weer de tegenstelling tussen degenen die rechtstreeks en onversneden voorschriften uit de Bijbel willen naleven en zij die de Bijbel trachten te verzoenen met praktisch handelen. Zo noemden sommigen dat de inschakeling van de politie tegen jongeren die een kerkdienst op oudejaarsnacht verstoorden een voorbeeld van theocratisch handelen, terwijl anderen dat toch rangschikten onder het gebruikelijke handhaven van de openbare orde.

In de loop van haar 75-jarig bestaan is de partij, en tegelijkertijd de achterban, door de extreme stellingname in toenemende mate geïsoleerd geraakt van de rest van de samenleving. Voor de "contra's' is het een vorm van splendid isolation die juist nastrevenswaard is. De meer op praktische politiek gespitste "anti's' zien de ontwikkeling echter met lede ogen aan. Fractiewoordvoerder drs. M. de Bruyne wijst in een bijdrage voor de jubileumuitgave van de partij, Van Goedertierenheid en Trouw, op twee momenten in de parlementaire geschiedenis die wijzen op een steeds groter wordende afstand tussen de SGP en de hoofstroming in de politiek. Het eerste moment is de regeringsverklaring van het kabinet-Cals in 1965 waarin het kabinet stelt zich te baseren op de geestelijke waarden van christendom en humanisme. De Bruyne: “Voor het eerst werden deze twee geestesstromingen naast elkaar gezet.” De toenmalige SGP-afgevaardigde ir. C.N. van Dis reageerde destijds geschokt: “Waar de eerste uitgaat van het beginsel dat de overheid Gods dienares is (..) wordt bij het humanisme God van de troon gestoen en de mens erop geplaatst.”

Na die “staatsgreep” volgde in 1973 het tweede moment: de troonrede van het kabinet-Den Uyl waarin “voor het eerst in onze staatsrechtelijke geschiedenis de bede om Gods zegen opzettelijk was weggelaten”. Een derde moment, dat De Bruyne niet noemt, was de behandeling van de anti-discriminatiewet in februari dit jaar in de Tweede Kamer. De zogeheten Wet Gelijke Behandeling stelt grenzen aan de mogelijkheid onderscheid te maken op grond van ras, geslacht, politieke gezindheid, godsdienst, levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid en nationaliteit. Het debat spitste zich echter toe op de formulering in de wet dat protestants-christelijke scholen geen leerkrachten mogen weigeren op grond van “het enkele feit” dat zij homoseksueel zijn. Minister Dales (binnenlandse zaken) zei tijdens het debat: “Het is niet zo dat met deze wet verschillende interpretaties van de Schrift verboden zouden worden. Daar is geen sprake van. Deze wet zegt alleen dat één gedragsinterpretatie daarvan niet meer kan.” Die uitspraak is binnen de SGP, maar ook binnen meer dan honderd andere christelijke organisaties, uitgelegd als “het opleggen van een staatsmoraal door de overheid”. Van der Vlies stelde dit voorjaar vast dat “het Christendom in Nederland buiten de rechtsorde is geplaatst”.

Binnen de groep van kritische, “denkende jongeren”, zoals zij zichzelf noemen, gaan nu stemmen op zich af te scheiden van de zware broeders. “Laat ze maar een soort christelijke Hezbollah beginnen”, zo zei een jongere afgelopen zaterdag in Gouda. De combinatie van radicaliserende vleugels en weglopende kiezers maakt het twijfelachtig of de SGP de volgende 75 jaar zal overleven.