Bijlmer voelt zich nog altijd verdoemd

BIJLMERMEER, 4 OKT. “Zijn we al in de Bijlmer mamma? Misschien gaan we die ramp nog zien”, zegt een Antilliaans jongetje tegen zijn moeder. Ze zit in de metro met twee bossen witte lelies op haar schoot. Maar ze gaat niet naar de herdenkingsbijeenkomst. “Gewoon familie opzoeken”, zegt ze verlegen. “Je moet dat ding niet steeds gaan oprakelen.”

De opkomst voor de herdenking van Bijlmerramp gisteren was mager. Op de besloten bijeenkomst 's middags in de Bijlmersporthal, kwam nauwelijks een derde van de 1.200 genodigden opdagen. Strijdlustig hield burgemeester Van Thijn de aanwezigen voor dat Amsterdam niet zal rusten voordat de oorzaak van de ramp boven tafel is. “Men is nog niet met ons klaar. Wij willen alles weten.”

In het Surinaamse koffiehuis Siri, een paar flatblokken verderop, trekken twee mannen hun blikjes met cola open. Of ze straks naar de stille tocht gaan? De jongste man grijnst en wijst met zijn vinger omhoog: “Het regent.” Nee, hij heeft straks een andere afspraak. En wat heeft het voor zin om te gaan lopen en lawaai te gaan maken? De waarheid over de toedracht gaat toch nooit boven water komen. Hoe wordt de Bijlmer in de rest van Nederland gezien? Als een hoop illegaaltjes en allochtoontjes. Was het vliegtuig op Buitenveldert gevallen, dan hadden de mensen de waarheid nog wel te zien gekregen. “Maar hier in de Bijlmer zijn we gewoon minder mens.”

Nog steeds, zo blijkt, leeft het idee dat de Bijlmer en de ramp iets met elkaar te maken hebben: een extra doem op een gedoemde wijk. Hoe groot het medeleven ook was in de eerste weken na de ramp. Nu voelen de mensen zich weer op zichzelf teruggeworpen. Dit keer geen bussen uit het hele land, zoals bij de stille tocht een jaar geleden. Ook de metro vanaf het Centraal Station is niet drukker dan op een normale zondag. “We moeten het strikt op eigen kracht doen”, zegt een van de hulpverleners die de herdenking organiseerde.

In buurthuis De Bonte Kraai likt de Arubaanse gemeenschap haar wonden. Cellomuziek, een toespraak van de gevolmachtigde minister C. Wever: “We hebben grote lidtekens overgehouden aan deze catastrofe.” Een kind met een vlinderdasje zingt: “Jezus zegt dat hij ieder kaarsje ziet.” Zakdoeken verschijnen, gespannen gezichten. Zoals ook de herdenking van de Surinaamse gemeenschap vol droefheid is.

Een metrostation verder heeft de Ghanese gemeenschap zich verzameld. Geborduurde gewaden. Glitter en drank. Hier heeft de herdenking een heel ander karakter. In de bloedhete zaal wordt gedanst en gezongen. “Nu zijn onze vrienden met rust”, zegt Toni, en voor het eerst in een jaar heeft hij een glimlach op zijn gezicht. Volgens de Ghanese traditie is vandaag het rouwen over. Na een jaar van afscheid zijn de doden nu bij hun voorvaderen. Met glimmende ogen kijkt burgemeester Van Thijn naar de wervelende massa. “Stilte, we moeten een goeie beurt maken, hij is de baas”, vertaalt Toni de vrolijke aankondiging van de presentator. Verlegen grijpt Van Thijn de microfoon. “Ik ben hier op deze verdrietige dag om uw verdriet te delen.”

Lachend loopt Toni met zijn vrienden om vijf uur naar buiten, om zich op metrostation Kraaiennest te voegen bij de stoet voor de stille tocht. Voor hem was dit het moeilijkste jaar uit zijn leven. Eerst verloor hij bij de ramp een van zijn beste vrienden. Mohammed is levend verbrand. En toen kwam het wachten, het eeuwige wachten voor een plaatsje op de Kosto-lijst. Zijn leven, dat hij in de schaduw had opgebouwd was kapot. Geen huis meer, maar ook geen werk: de baas van het schoonmaakbedrijf waar hij werkte had hem herkend op foto's vlak na de ramp. “Nu ben ik legaal. Misschien wil hij me weer hebben”, zegt hij optimistisch.

Nat, zwijgzaam en een beetje vermoeid - de smalle stoet die tegen zes uur tussen de bomen wandelt, bestaat uit niet meer dan drieduizend mensen. Een jonge heilssoldate kijkt om zich heen. “Het is wel leuk om een beetje herinneringen op te halen.” Een paar paraplu's verderop loopt een echtpaar uit Gaasperdam. Vanuit hun raam hebben ze de Boeing zien neerstorten. Maar uiteindelijk hebben ze er weinig mee te maken gehad. “De problematiek aan de andere kant van de metrolijn is toch de onze niet”, zegt de man terwijl hij naar zijn schoenen kijkt.

Het gaat langs druipende bomen en stille vijvers. In de flats schieten langzaam de lichten aan. In de verte het gebeier van een klok. De stoet trekt onder de laatste poort door die leidt naar de plek van de ramp. Opeens is het vreselijk stil. Bij de boom, die na de ramp een spontaan monument werd, leggen de mensen kransen en bloemen. Een mevrouw zakt door haar knieën. “Ik hoef niks te zien. Ik ben elke dag hier”, zegt ze tegen een Rode Kruis-werker die haar helpt om op te staan. Er klinkt zacht zingen en het geluid van drums. Kreten van een moeder die haar kinderen heeft verloren. En dan weer de drums. Boem, boem, door, en door.