WIE IS BANG VOOR KONING WILLEM IV?

De koning komt! De toekomst der Oranjes en de ministeriële verantwoordelijkheid door Han Hansen 152 blz., Van Gennep 1993, f 29,50 ISBN 90 6012 977 6

Nu de toekomstige koning van Nederland sinds juli van dit jaar de doctorandustitel mag voeren, kan het volk zich voorbereiden op het post-Beatrix-tijdperk dat ooit zal aanbreken. Het zal wennen zijn. Vorsten zijn per definitie veel langer in functie dan presidenten, en als ze zich niet stuitend misdragen, worden ze automatisch een vertrouwd pronkstuk in de nationale huiskamer. Veel Nederlanders hebben hun hele volwassen leven doorgebracht als onderdaan van één en dezelfde koningin, Wilhelmina. Juliana, de Fietsende, de Chocolademelkschenkende, scheen vorstin voor de eeuwigheid te zijn. Haar dochter zit pas dertien jaar op de troon.

Aan de andere kant staat de monarchie wankeler als er geen zekerheid is over een natuurlijke opvolger voor de regerende vorst. Daarvan zijn er voorbeelden genoeg, getuige de vele openlijke speculaties in het begin van deze eeuw over de naderende Republiek der Nederlanden zolang Wilhelmina en Hendrik maar geen nakomelingen produceerden. Tegenwoordig is het in Groot-Brittannië bon ton de afschaffing van de monarchie niet meer uit te sluiten sinds het niet meer zo zeker is dat Charles zijn moeder zal opvolgen. In België heeft het ontbreken van een voor de hand liggende kroonprins of -prinses altijd als een doem over de regeerperiode van Boudewijn gehangen.

Het Huis van Oranje kent op dit moment geen opvolgingsprobleem, want er is onmiskenbaar een kroonprins. Sinds hij klaar is met zijn studie, kan hij op elk gewenst moment de scepter van zijn moeder overnemen. Morgen kunnen wij, als het de huidige soevereine behaagt, wakker worden onder koning Willem IV. En hoewel dit voorlopig een theoretische optie is, roept het wel de vraag op: zal er dan iets veranderen?

ORANJE-LEGIOEN

Het lijkt een vraag waarop nu geen antwoord mogelijk is. Toch is het niet helemaal zinloos erover na te denken: de troonopvolger zelf moet dat tenslotte ook doen of hij zou zich slecht op zijn roeping prepareren. De sinds kort gepensioneerde journalist Han Hansen, die voor de Volkskrant decennialang de Oranjes volgde, heeft vast wat stof tot peinzen willen aandragen.

Feitelijk heeft Hansen twee vragen aan elkaar gekoppeld, namelijk die naar de mogelijke aard en kwaliteit van het koningschap van Willem-Alexander, en die naar de wenselijkheid van een duidelijker omschreven regeringstoezicht op het Koninklijk Huis. Het verband daartussen is volgens de auteur dat de geboorte van de kroonprins een Oranje-geboortegolf heeft ingeluid waarvan het einde niet te overzien is. Vooral wanneer de drie zonen van Beatrix en Claus en de vier van Margriet en Pieter (Irene en Christina hebben afstand gedaan van hun troonopvolgersrechten) binnen afzienbare tijd allemaal gaan trouwen en kinderen krijgen, moet ministeriële verantwoordelijkheid voor het dan ontstane Oranje-legioen in de praktijk een farce zijn.

Daarnaast - al zegt hij het niet expliciet - prikkelt Hansen zijn lezers met de vraag of de persoonlijkheid van de komende koning niet een beter gedefinieerde regeringsverantwoordelijkheid nodig maakt. Van Willem-Alexander is nog weinig bekend, maar de eerste impressies wijzen er niet op dat Nederland een moderne monarch tegemoet kan zien. Eigentijds zal de vorst slechts zijn in de ingewikkeldheid van het technische speelgoed waarmee hij verstrooiing zoekt. Wij krijgen, zo valt uit Hansens boekje af te leiden, een koning die honderd keer beter de weg weet temidden van de radiofrequenties voor het sportvliegverkeer en tussen de koraalriffen bij Bonaire dan in de gangen van de Raad van State. Een aardige, goedlachse, ongecompliceerde jongen, zeker, nog steeds volgens Hansen en zijn zegslieden; een beetje rechtse corpsbal ook, met de ""culturele bagage van de gemiddelde Boeingpiloot' (blz. 10). De vergelijking roept beelden op van gebronsde snorremannen, die een uurtje lezen in de nieuwste Dick Francis al een hele hijs vinden wanneer ze niet naast de swimming pool van hun hotel achter de stewardessen aan zitten.

LEEGHOOFD

Merkwaardig genoeg staat Hansen nergens stil bij de eventuele consequenties van een leeghoofd als staatshoofd. Tot in de vorige eeuw was het adellijke traditie dat vorsten hun intellectuele reikwijdte beperkt zagen tot paardrijden en patrijzen schieten. De Britse koning George V had geestelijk zo weinig in huis dat hij naar eigen zeggen zou zijn voorbestemd tot doelloos rondhangen op straathoeken als hij geen koning was geworden. Koning Boris van Bulgarije leefde pas wanneer hij een stoomlocomotief kon besturen. Tegenwoordig zal een land dat zich als geavanceerd beschouwt, voor zijn representatie niet in de eerste plaats een wat opgedofte variant van de simpele landedelman wensen.

Hansen schetst ons een troonopvolger die trekken vertoont van een heel bepaalde landedelman, namelijk de heer van het landgoed Reckenwalde in Silezië, bij ons beter bekend als prins Bernhard. Van Willem-Alexanders grootvader veronderstelt de socialistische oud-politicus jhr. mr. M. van der Goes van Naters blijkens De koning komt! dat deze nog nooit een boek heeft uitgelezen. Als Willem-Alexander ook Bernhards hedonistische levensinstelling heeft geërfd - die overigens in de genen van de koningen Willem II en Willem III al uitbundig voorkwam - dan krijgen toekomstige kabinetten nog wat te stellen met dat cryptische zinnetje in de Grondwet: ""De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk'. Hansen verwijst naar zijn NRC Handelsblad-collega Harry van Wijnen, die in zijn recente boek De prins-gemaal constateerde dat achtereenvolgende kabinetten juist schichtig om de hete brij van hun verantwoordelijkheid voor Bernhards doen en laten zijn heengelopen, met de bekende gevolgen. Dit échec zal zich niet mogen herhalen.

Op de vraag evenwel wat er dan in de bestaande verhouding tussen regering en vorstenhuis zou moeten veranderen, geeft Hansens boek geen helder antwoord. Daarvoor lijdt De koning komt! net iets te veel aan de nadelen van een journalistieke aanpak: leesbaar, maar nogal rommelig van structuur. Voortdurend snort de auteur zijpaden in, en ook op de hoofdweg verandert hij herhaaldelijk en onverwachts van rijrichting. Menigmaal stipt Hansen wel drie tot vier volkomen verschillende onderwerpen per bladzij (op pocketformaat) aan. Soms vermeldt hij zonder noodzaak dezelfde zaak tweemaal, zoals de "onthulling' dat Juliana en Beatrix niet erg gediend waren van Dries van Agt als minister-president, of dat premier Piet de Jong systeem bracht in de relaties tussen staat en koningshuis.

Journalistiek is het boekje verder in de zin dat Han Hansen niet sterk is in het uitdragen van eigen opinies en conclusies. In plaats daarvan laat hij tal van eminente zegslieden aan het woord, oud-ministers als Jan de Koning en Til Gardeniers, hoogleraren als Jan Vis en Joop van den Berg, de oud-directeur van de RVD, Gijs van der Wiel enzovoorts. Hun probleem is niet dat ze onzinnige dingen te berde brengen, integendeel, maar dat ze allemaal iets anders vinden. Neem hun opinie over Hansens stokpaard, namelijk de vraag of het feit dat Willem-Alexander een man is, zal leiden tot een andere stijl van koningschap en daarmee tot een andere appreciatie door het volk. Sommigen denken van wel, anderen van niet. Persoonlijk geef ik degenen gelijk die zeggen - met oud-minister mr. W.F. de Gaay Fortman als hun prominente woordvoerder - dat alleen het karakter en de taakopvatting van de vorst(in) bepalend zijn voor zijn of haar populariteit, en niet het geslacht.

RODE DRAAD

Met enige moeite valt de knoop van al deze opvattingen, inclusief die van Hansen zelf, toch wel tot een rode draad te ontwarren. Heel langzaam, over een periode van ruim honderd jaar, zijn de Oranjes en de achtereenvolgende kabinetten met vallen en opstaan aan het leren hoe ze het spel van de democratie met elkaar moeten spelen. Een belangrijke stap daarbij is geweest dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het doen en laten van het staatshoofd en diens naaste verwanten is geconcentreerd in de figuur van de minister-president. Daarmee is voorkomen dat er verwarring ontstaat over de bevoegdheden van de diverse ministers, die bovendien niet meer door het staatshoofd tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld.

Premier De Jong voegde daaraan als belangrijk element nog het vaste wekelijkse overleg tussen staatshoofd en regeringschef toe. Sinds Ruud Lubbers premier is, en Beatrix koningin, schijnt dit overleg voorbeeldig te lopen, en zoemt de monarchie onverstoorbaar als een elektromotor. Volgens Hansen heeft Beatrix ook waterdichte afspraken met haar nakomelingen en verdere familie gemaakt over gedragsregels waaraan ze zich hebben te houden. Voor de naleving ervan heeft de koningin zich garant gesteld. In dat licht bezien, is het probleem van het inhoudelijk vage begrip "ministeriële verantwoordelijkheid' academisch geworden, en bestaat er geen reden om eraan te sleutelen.

Uiteraard ligt dat net zo goed aan de persoonlijkheid van Beatrix. Zij staat aan het voorlopige eindpunt van een ontwikkeling waarbij de Nederlandse vorsten en vorstinnen successievelijk steeds een beetje minder obstinaat, autocratisch en onhebbelijk zijn geworden. Hansen laat daarvoor weer alle bekende voorbeelden de revue passeren: van Willem III, die jarenlang weigerde ministeriële besluiten te contrasigneren, via Wilhelmina's zucht tot beslissen naar Juliana's emotionele eigenwijsheid.

Parallel daaraan worden de staatshoofden en hun partners ook steeds minder schilderachtig: uitspattingen en excentrieke trekken nemen af of worden minder zichtbaar. Nu al lijken Wilhelmina's wereldvreemdheid en Bernhards playboygedrag te stammen uit een soort vorstelijk Jurassic Park. Als we déze trend mogen extrapoleren, hoeven we voor en van koning Willem IV niets te vrezen.