TRAINING VOOR DE TROPEN; C. Fasseur over de opleiding tot Oostindisch ambtenaar

De Indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950 door C. Fasseur 552 blz., geïll., Bert Bakker 1993, f 49,90 ISBN 90 351 1275 x

Hij vermoedt dat zijn belangstelling voor alles wat met de geschiedenis van Nederlands-Indië te maken heeft, is opgewekt door zijn persoonlijke historie. De Leidse hoogleraar Indonesische geschiedenis, prof. mr. C. Fasseur, is auteur van het onlangs verschenen lijvige boek De Indologen, waarin hij de evolutie beschrijft van de opleiding tot Oost-Indisch ambtenaar van 1825 tot 1950. Fasseur (54), geboren op Borneo, zat als kind in een Jappenkamp, en verbleef vervolgens tot 1950, na een korte periode in Nederland, in Nederlands-Indië waar zijn vader een betrekking had bij Shell. De Indonesische vrijheidsstrijd sloeg hij zo vanuit de coulissen gade: ""Wij woonden in Balikpapan, maar als we met verlof naar Java gingen, zag ik natuurlijk veel Nederlandse militairen rondlopen. En als we van Batavia naar Bandoeng reisden dan werden we in militair konvooi daarheen gereden. Ik herinner me ook mijn vader en al mijn Indische ooms, die in 1948 tijdens de tweede politionele actie juichend op de voorgalerij de luchtlandingen in Djokja volgden. Dat was van dik hout zaagt men planken, aangevuurd door de jenever. Ik deed waarschijnlijk juichend mee met mijn limonade.'

De Indologen schreef Fasseur ter afwisseling van de taak waarvoor minister Hirsch Ballin van justitie hem in 1989 had gevraagd: het schrijven van de nieuwe Politiewet die de inmiddels uitgevoerde grootscheepse reorganisatie van het Nederlands politiebestel regelt. Met de Politiewet had Fasseur, die behalve historicus ook jurist is, zich tot zijn benoeming als gewoon hoogleraar in 1987 al tien jaar beziggehouden op het departement van Justitie waar hij werkte als raadadviseur. Zijn "Haagse afkomst' verraadt Fasseur bijvoorbeeld in het voorwoord van De Indologen waar hij schrijft dat ""dit boek mede geschreven is tot stichting van alle beleid- en andere plannenmakers van vandaag in Den Haag, Zoetermeer en elders, waar de waan van de dag maar al te vaak voor de hoogste waarheid wordt gehouden.' Uit zijn boek blijkt inderdaad dat allerlei actuele problemen waar het hoger onderwijs mee kampt, zoals de verhouding tussen beroeps- en universitair onderwijs, zaken rond toelating, selectie en exameneisen, gedurende ruim een eeuw voor oeverloze discussies hebben gezorgd als het ging om de opleiding tot Indisch ambtenaar. Na veel wikken en wegen tussen vestiging van de opleiding in Breda (militaire academie), Den Haag of Leiden, komt deze aanvankelijk in 1843 terecht in Delft aan de Indische Instelling. Daar worden kandidaten in een middelbare beroepsopleiding klaargestoomd tot bestuurlijke factotums die bruggen kunnen bouwen, Javaans spreken, maar ook zijn ingevoerd in de zeden en gewoonten van de kolonie. Na decennia concurrentiestrijd tussen de Delftse opleiding en de Leidse Universiteit verhuist begin deze eeuw de opleiding tot "indoloog' naar Leiden als wetenschappelijke studie. In de jaren twintig van deze eeuw komt er onder druk van het Indische bedrijfsleven een tweede opleiding bij aan de Utrechtse universiteit. Tussendoor heeft ook in Batavia een dependance bestaan, de Afdeling B, die echter omstreeks 1910 om zeep werd geholpen. Het gevoelen bestond, aldus Fasseur, dat het Indische ambtenarencorps door de Afdeling B te zeer "verbruinde'.

Aan de hand van de wisselende eisen gesteld aan de opleiding tot Indisch ambtenaar komt Fasseur ook de veranderingen op het spoor in de koloniale ideologie van het moederland.

Fasseur: ""Als de Nederlandse staat in 1816 de kolonie Nederlands-Indië erft van de Vereenigde Oost Indische Compagnie, verandert de Hollandse aanwezigheid daar totaal van karakter. De soeverein Willem I heeft, anders dan de koopman van de VOC, tot taak rechtvaardig te besturen. Dat wil zeggen: het volk moet beschermd worden tegen willekeur. Maar daarnaast speelt door de hele negentiende eeuw heen, dat het moederland er niet is voor de kolonie maar andersom de kolonie voor het moederland. Want je hebt een kolonie om er zelf beter van te worden. Voortvloeiend uit die twee ideeen hebben ambtenaren tot taak rechtvaardig te regeren, dat wil zeggen klachten van de bevolking tegen de eigen heersers te behandelen, en de belangen van het moederland in de kolonie te behartigen. Daar zit een redenering achter dat die belangen elkaar niet uitsluiten. Want als de kolonie van belang is voor het moederland, heeft het moederland er belang bij dat de kolonie goed geregeerd wordt en de bevolking tevreden is. Een ontevreden kolonie betekent immers oorlog en dat betekent militaire uitgaven.

Zo was een reeks bloedige conflicten de eigenlijke aanleiding om een opleiding voor bestuursambtenaren in het leven te roepen. Het idee ontstond aan Nederlandse kant dat de bestuursambtenaren de bevolking tegen zich in het harnas joegen bij gebrek aan een degelijke opleiding.

""Men tast eigenlijk in het duister over hoe die opleiding er vervolgens uit moet zien. Aanvankelijk vindt men dat de Nederlandse bestuursambtenaar in ieder geval contact moet kunnen hebben met de bevolking in de landstaal. Hij moet daarbij respect op kunnen brengen voor de voorvaderlijke instellingen, de Islam, de zeden, en adat. Maar ja, wat moet hij verder kunnen? Eerst zie je dat men het zoekt in praktische zaken. Hij moet bruggen en wegen kunnen bouwen, zijn eigen architect zijn, korte tijd vond men ook dat hij militair leiding moest kunnen geven. Hij was echt een manusje van alles met echter als hoofdtaak: orde handhaven en rechtvaardig zijn tegenover de bevolking.' Hoe verhoudt zich dat beginsel van rechtvaardigheid tot de ethische politiek die tegen het einde van de vorige eeuw ingang vond?

'De ethische politiek gaat een stap verder. Het gaat om de gedachte dat Nederland een actieve taak heeft om de bevolking economisch, materieel en intellectueel te ontwikkelen. Die ethische politiek lijkt meer uit te gaan van een idee vergelijkbaar met dat van de maakbare samenleving.' Maar tegelijkertijd blijft aan Nederlandse zijde een gevoel van superioriteit bestaan. Abraham Kuyper die voorstander was van die ethische koers vergeleek de Indonesiërs met kinderen die onder de hoede stonden van Nederland.

""De idee erachter was dat Nederland als voogd van Indië de taak had de pupil geestelijk en materieel op te voeden en zijn belangen te behartigen. Op zichzelf vind ik die voogdijgedachte wel aardig want die is eindig. Als de pupil meerderjarig is, eindigt de voogdij. Het geeft aan dat de koloniale verhouding niet meer blijvend maar tijdelijk is.' Maakte het onderwijs in de ethische politiek als het ware ook onderdeel uit van het vakkenpakket?

""Het is Multatuli die in 1860 met de Max Havelaar duidelijk maakt aan al die jonge ambtenaren in Delft dat zij "de inlander' moeten beschermen tegen hun onrechtvaardige hoofden. Dat idee heeft ongetwijfeld de ethische politiek voor een deel vorm gegeven. Je kon het je gewoon niet veroorloven als ambtenaar in welke rang dan ook naar Indië te gaan zonder de Havelaar te kennen. Vanaf het begin van deze eeuw zie je een omslag: de ambtenaar moet voortaan een "opheffer' zijn, iemand die het volk verheft. Dan zie je de economie belangrijk worden in het vakkenpakket. Eigenlijk wordt dat het belangrijkste vak, want zo kan de bestuursambtenaar het welvaartspeil van zijn gebied opvijzelen. Overigens wordt de staathuishoudkunde pas in 1922 voor het eerst in het programma gebracht, en gaat pas in 1930 de hoogleraar Boeke koloniale staathuishoudkunde geven. In de praktijk doet zich in de jaren twintig en dertig echter een paradoxale ontwikkeling voor: omdat allerlei taken in die steeds ingewikkelder wordende koloniale samenleving overgaan op bijzondere ambtelijke diensten wordt die bestuursambtenaar weer meer de functionaris die moet zorgen voor rust en orde. Dus de taak van ordehandhaver die hij in de hele negentiende eeuw had gehad. Taken op gebied van bijvoorbeeld landbouwvoorlichting of pokkenvaccinatie, waar hij voorheen allemaal zelf zo'n beetje toezicht op hield, gaan naar bijzondere diensten.' Tegelijkertijd beschrijft u dat er in de jaren twintig nog een indologenopleiding komt, maar dan in Utrecht.

""Dat wordt veroorzaakt door het feit dat de Leidse hoogleraren hun hand overspelen. Ze timmeren te veel met hun politieke ideeën aan de weg in de pers. Het is vooral de adat-specialist Van Vollenhoven die vindt dat de consequentie getrokken moet worden uit de ethische politiek en uit de voogdijgedachte. Nederland zou de Indonesiërs veel meer zelfbestuur en zelfstandigheid moeten geven. Van Vollenhoven slaat in de jaren twintig emotionele taal uit in de NRC waar hij vergelijkingen trekt met de Spaanse dwingelandij in de zeventiende eeuw in Nederland. Hij vergelijkt de minister van koloniën met Philips II. In rechtse kring vreest men dat wanneer ambtenaren in opleiding aan dergelijke demoraliserende colleges worden blootgesteld, het hele Indische bestuur in elkaar zal zakken door innerlijk ongeloof. Met steun van het Indische bedrijfsleven begint in 1925 de Utrechtse opleiding. Dat is één van de mooie voorbeelden dat het bedrijfsleven zich stort op de educatie, wat minister Ritzen nu zo graag wil. Je ziet waar het toe leidt. Het bedrijfsleven financiert alleen die dingen waar het denkt belang bij te hebben.' Uit uw beschrijving van de selectie van Indische ambtenaren blijkt dat het Nederlandse superioriteitsgevoel ook gekoppeld is aan racisme. Den Haag wilde vooral blanke bestuursambtenaren.

""Dat was in ieder geval tot 1864 het geval. De voorkeur gaat uit naar Nederlandse ambtenaren met Nederlandse ouders die ook hun opvoeding in Nederland hebben gekregen. Na 1864 komt er een omslag omdat Nederlandse ouders in Indië hun kinderen graag bij zich willen houden. Gedurende ongeveer vijftig jaar, tot 1913, bestaat er een opleiding in Batavia. Dan constateert de Leidse hoogleraar Snouck Hurgronje dat het keurcorps een "kleurcorps' dreigt te worden. Dat keurt hij af omdat de inheemse bevolking de gekleurde bestuursambtenaar niet voor vol aanzag. Praktisch resultaat is dat het ambtenarencorps na 1913 blanker wordt. Ondanks alle verhalen over meer zelfbestuur in Indië, wordt het ambtenarencorps een corps van totoks, van, zeg maar, Friese boerenzoons, naast telgen uit Indische ambtenarenfamilies.' Is bekend hoe de inheemse elite, de regenten, tegen de Nederlandse overheersers aankeken?

""Daarover breken de Hollanders zich 125 jaar lang het hoofd. Je kon het wel aan de inheemse bevolking vragen maar iedereen begreep dat je daar toch nooit het juiste antwoord op kreeg. Iemand als Baud, die begin vorige eeuw een soort Indisch topambtenaar was en later minister van koloniën werd, gaat ervan uit dat een Javaanse regent niet kan opzien tegen een Nederlander wiens moeder of grootmoeder een eenvoudige vrouw uit de dessa was. Die regent ziet in de ambtenaar gewoon de zoon van die baboe in de kampong, zegt Baud, vandaar dat we liever geen Indische Nederlanders in het bestuur hebben. Dat kon niet rechtstreeks gezegd worden dus wordt om de Indo-Europeanen te elimineren de Europese opvoeding verplicht gesteld.

""De Indonesische samenleving was zelf zeer standbewust. Dat was ook een beetje de tragiek van al die ambtenaren die Javaans probeerden te leren. Die Javaanse regenten spraken het liefst Maleis, de lingua franca van de archipel, met hen. Het kenmerkende van het Javaans is dat het een standtaal is. Zoals je in het Nederlands kunt tutoyeren en vousvoyeren is dat in het Javaans veel sterker met een geheel andere woordkeuze. Bovendien ben je onderdanig naar de meerdere: dus een inlands hoofd zou onderdanig hoog Javaans moeten gebruiken tegenover de Nederlandse beginnende controleur. Dus zeg maar "U' moeten zeggen, terwijl hij de kans liep in het laag Javaans geantwoord te worden. Dat was een vernedering die ze later ontliepen door zelf uitstekend Nederlands te leren spreken.' Ziet u een verband tussen de specifiek Nederlandse koloniale ideologie en het feit dat Nederland na de Tweede Wereldoorlog zo moeilijk afstand kon doen van Indië?

""Ik denk dat er een rechtstreeks verband ligt tussen de ethos van de Nederlandse bestuursambtenaren en de Nederlandse houding in het dekolonisatieconflict. Nederlanders hebben door hun opleiding het idee dat zij uitstekend gekwalificeerd zijn voor het bestuur. Ze hebben een vijfjarige opleiding gehad. Ze zijn doctorandus, soms zelfs gepromoveerd, en ze hebben geheel conform de Nederlandse principes tot taak zich tot in alle details met die samenleving te blijven bemoeien. De doorwerking van de ethische politiek schept aan Nederlandse zijde een gevoel van verantwoordelijkheid, je kunt niet zo maar die bevolking aan zichzelf overlaten. De regent heeft als inlandse onderdrukker als het ware plaatsgemaakt voor Soekarno. Het idee was: we zijn op Java om de bevolking militair te beschermen tegen hun onderdrukkers. Dat zijn de Soekarno's die met de Japanners hebben geheuld. In feite was dat nog steeds een doorwerking van de Havelaar.' Kan die lijn van ethische politiek ook doorgetrokken worden naar het huidige Nederlandse beleid ten aanzien van de Antillen en zelfs Suriname? Ook nu wordt Nederlandse bemoeienis gelegitimeerd met het argument dat de bevolking in bescherming moet worden genomen tegen de eigen corrupte leiders.

""Ik heb er eerlijk gezegd nooit zo bij stilgestaan, maar je zou die lijn inderdaad zo kunnen doortrekken. We zijn weer volop terug bij af. In feite is Nederland terug op de koers, ik chargeer een beetje, die sinds 1900 door elke koloniale politicus gevolgd werd tot 1950 toe.'

    • Frank Vermeulen