"Snooker is snooker, voetbal is voetbal en biljarten is driebanden'

Op zijn zevende kon hij al biljarten. Hij groeide uit tot een kampioen, maar als topper raakte RINI VAN BRACHT meer dan eens verzeild in conflicten. Wegens een schorsing mist hij het driebandentoernooi om de World Cup in Oosterhout. “Dat de wereld zó rot is had ik niet verwacht.”

Toen zijn vader stierf was hij zeventien. Zijn moeder bleef achter met negen kinderen, van wie ze de jongste op haar vijftigste baarde. “Daar zaten we dan”, herinnert Rini van Bracht zich. “We moesten er allemaal tegenaan. Ieder ging op zoek naar zijn eigen weg. Keihard knokken was het. Voor mij achteraf prima, want ik heb er persoonlijkheid door gekregen.”

Perfect is hij lang niet, geeft hij toe. Hij is bijvoorbeeld een heel slechte verliezer. Maar die karaktertrek komt hem als biljarter juist goed van pas. “Dankzij die eigenschap heb ik zo veel gewonnen”, zegt hij vol overtuiging. “Als je goed tegen je verlies kunt, dan word je nooit eerste.”

Hij omschrijft zichzelf als “een onverzettelijke”, die zijn mond open doet en vaak tegen zere benen schopt. “Ik kan best lastig zijn. Dat hoort bij topsport. Mijn favoriet John McEnroe, Johan Cruijff en Bettine Vriesekoop zijn hetzelfde als ik. Die pikken ook niet alles, bijten van zich af.”

Die houding is Van Bracht in zijn lange carrière wel herhaaldelijk opgebroken. Meer dan eens had hij het met name aan de stok met bestuurders, die in zijn ogen te veel naar zichzelf keken en te weinig naar de spelers. Of die zich opdrongen als begeleider bij een buitenlands toernooi, terwijl hij juist een ander wilde meenemen. “Ik werd er soms gestoord van”, zegt Van Bracht.

Zijn meest recente botsing had hij met dr. Werner Bayer, de machtige baas van de Billiards Worldcup Association. Het conflict kostte de 46-jarige Europese kampioen uit Waalwijk een schorsing door de BWA, zodat hij momenteel verstoken blijft van deelneming aan de professionele toernooien om de Wereldbeker. En dus is hij dit weekeinde ook afwezig bij de Dutch Open World Cup 1993 te Oosterhout, zo ongeveer in zijn achtertuin. Dat laatste doet Van Bracht veel pijn. “Ik wist dat de wereld rot was, maar dat hij zó rot is had ik niet verwacht”, begint hij zijn verhaal over zijn uitsluiting, die het gevolg is van een stevige verbale uithaal naar Bayer. Van Bracht noemde de Duitse zakenman een jaar geleden na afloop van het Oosterhoutse gala, waar hij als gastspeler triomfeerde, “een smerige oplichter” en “een vuile leugenaar”.

“Ik heb daar een aantal dingen gezegd die ik beter voor me had kunnen houden”, bekent Van Bracht. “Het waren emotionele uitlatingen, waarvoor ik later mijn excuses heb aangeboden. Er volgde in januari een gesprek tussen Bayer en mij, in aanwezigheid van zijn advocaat en de mijne, Keje Molenaar. Om tot elkaar te komen stelden we spelregels op. Ik zou mijn woorden rectificeren in twee dagbladen en in een biljartmagazine, bovendien zou ik als boete 1500 gulden schenken aan een goed doel, de Ronald McDonald-instelling. We kwamen tegelijk overeen dat al het besprokene onder ons zou blijven. Maar tot onze stomme verbazing stond alles de volgende dag in de krant. De andere partij had alles naar buiten gebracht. Als het zo gaat, dan hoeven wij ons ook niet meer aan de spelregels te houden, vond Molenaar. Nou, de rectificatie was er. Er bleef echter nog één twistpunt: Bayer wilde ineens dat ik drie mille zou weggeven, terwijl wij aan 1500 gulden vasthielden. Ik had dat bedrag ook al keurig bij de zieken in Utrecht afgeleverd.”

De zaak was daarmee echter niet afgesloten. Ze escaleerde zelfs, oordeelt Van Bracht. “Een maand geleden kreeg ik van de BWA een brief dat ik tot 1 januari buitenspel sta.” Molenaar vecht die maatregel aan. De Volendamse advocaat: “Aanvankelijk had Van Bracht een schorsing voor twee jaar. De WBA heeft die onder mijn druk verkleind, maar ik eis dat Rini onmiddellijk weer moet kunnen meedoen. Helaas is het niet eenvoudig dat snel af te dwingen, omdat de BWA in het buitenland, in Duitsland zetelt.”

Van Bracht gelooft niet dat de breuk met de BWA nog zal worden gelijmd. Héél erg rouwig is hij daar ook weer niet om, “omdat de verdiensten in het profcircuit lang niet meer zijn wat ze zijn geweest”. In de beginperiode - Bayer startte zeven jaar geleden - kon het financieel allemaal niet op bij de BWA. Een fantastische tijd, stelt Van Bracht: “Behoorde je, zoals ik toen, tot de vaste groep van Bayer dan was je al zeker van 5.000 Duitse mark per toernooi en dan had je nog geen stoot gedaan. Je vliegticket was gratis en je huisde voor niets in een superluxe hotel. Ik heb begrepen dat de contracten voor een deel van de huidige kern zijn gehalveerd. Alleen de grote jongens als Blomdahl, Ceulemans, Dielis, Jaspers, Bitalis en Zanetti komen financieel nog goed aan hun trekken. Als je geen contract hebt, ben je aangewezen op de kwalificatie. Daarin steek je je kop in een strop: je kunt van Piet van Puffelen verliezen als het in die twee setjes tot de vijftien even tegen zit.”

In de voorronde van Oosterhout, waar de winnaar morgen circa 30.000 gulden ontvangt, moest een driebander afgelopen dagen vier keer winnen om tot het hoofdtoernooi van 32 spelers door te stoten. Van Bracht: “Wie zo ver kwam, heeft nog niks verdiend. Haal je de laatste zestien, dan ontvang je 500 piek, voor een plek bij de laatste acht krijg je 2.000 mark of zo.”

Van Bracht kan niet begrijpen dat subtoppers van heinde en verre naar Brabant zijn gekomen. “Een speler uit Turkije of Amerika is aan de reis, hotel, consumpties en 240 mark inschrijfgeld zeker 2.000 gulden kwijt. Het is heel goed mogelijk dat hij geen cent terug verdient. Zo'n deelnemer heeft oogkleppen op. En zo iemand noemt zich ook nog prof. Je kunt je afvragen of er echte beroepsspelers zijn. Blomdahl en Ceulemans? Zelfs die wereldtoppers leven voor een deel van neveninkomsten. Ze gooien niet alles op de sport, omdat de toekomst daarin onzeker is. Je weet toch nooit of de WBA het volhoudt. En blijven de geldschieters zich aandienen?”

Buiten de WBA om pakt de rebel Van Bracht, die als zeventienjarige in de ereklasse debuteerde, naar zijn zeggen thans “een lekkere zakcent” mee in de niet-professionele toernooien. “De eerste plaats bij het EK afgelopen juni in Corbeil leverde me veertig mille op”, herinnert hij zich. “Ook de Grand Prix en de clubcompetitie bij de driebanders zijn wat dat betreft best interessant. En dan zijn er de demonstraties. Bij die happenings volg ik dezelfde strategie als De Deurzakkers, de muziekgroep waar mijn broer Clemens toe behoort. Die mannen zijn populair, maken al elf jaar plaatjes. Wil je ze in jouw dorp laten optreden dan ga je naar een artiestenbureau. Dat gezelschap kost u 3.000 gulden, exclusief btw, krijg je daar te horen. Zo gaat Rini van Bracht het ook doen. Mag het, als je acht keer Nederlands kampioen bent, een maal (1982) de beste van de wereld, twee keer Europees titelhouder en in 1992 nog winnaar van de supersterk bezette World-Cupwedstrijd in Oosterhout?”

Zijn hoofdinkomen haalt hij uit zijn eigen bedrijf. De Brabander verkoopt biljarts, repareert ze, levert onderdelen. Al tien jaar. De eenmanszaak loopt goed, ook omdat Van Bracht met name in eigen provincie een begrip is geworden. Sinds "mensenheugenis' immers is hij al topspeler. Hij duelleerde nog met Van Oosterhout, Teegelaar, De Ruyter, Popeyus en later Doggen. Sommige van hen waren pure cafébiljarters - staminéspelers, zoals de Belgische maestro Vingerhoedt placht te zeggen - die, weet Van Bracht nog, dikwijls al een aantal pilsjes in hun kraag hadden voor ze de keu bij een titelstrijd hanteerden. De vergoeding van de bond bestond destijds uit een tientje per dag en een bos bloemen, een doos chocola of een schemerlamp vormde de hoofdprijs. Van Bracht kreeg zelfs ooit een rouwkrans omgehangen toen hij in Eersel nationaal kampioen werd.

De tijden zijn veranderd in het biljarten. De sport is uit de cafésfeer gehaald. Het aloude libre, de kaderspelen en het bandstoten hebben plaats moeten maken voor het heilige driebanden. Van Bracht: “Al heel lang geleden heb ik geroepen dat de bond alleen die spelsoort moest promoten. Dat is het enige onderdeel waarmee je het grote publiek kunt bereiken - als het al een kans heeft. Het ligt heel eenvoudig: Snooker is snooker, voetbal is voetbal en biljarten is driebanden. Weg met de rest.”

De gedachte dat een biljarter de basis van het spel moet leren met het eenvoudige libre, is volgens Van Bracht achterhaald. “Blomdahl en Bitalis hebben nooit anders gespeeld dan driebanden. Net als Nelin en Knudsen, twee vijftienjarige Deense talenten, die ik bij het EK in Corbeil tegenkwam.”

Driebanden is het moeilijkste biljartspel. Met de stootbal moet de speler beide andere ballen raken, maar de tweede niet eerder dan nadat de stootbal ten minste drie banden heeft aangedaan. Soms is het onmogelijk. Het is een kwestie van gevoel, maar ook van kijken.

Van Bracht kan nog maar met één oog zien als gevolg van een auto-ongeluk in 1979. “Ik viel in slaap en schoot onder een vrachtwagen”, vertelt hij. “Ik had geen riemen om en sloeg met mijn hoofd door de voorruit. Zelfs mijn vrouw mocht me niet bezoeken, zo vreselijk zag mijn gezicht eruit. Ik ben een aantal keren geopereerd. Toen ik uit het ziekenhuis thuis kwam, liep ik meteen naar mijn biljartzaaltje. Om te kijken hoe het ging. Een wonder dat ik de diepte nog kan bepalen. Daar verbazen ook de artsen zich over. Ruim een jaar na de crash werd ik al weer tweede bij het Nederlands kampioenschap.”

Met die handicap is Van Bracht er zelfs in geslaagd zijn partijgemiddelde nog te verhogen. Dat is met name het gevolg, zegt hij, van het feit dat hij sinds zeven jaar gebruik maakt van het zogenaamde in Amerika bedachte diamond-systeem. “Brosens en Teegelaar hadden vroeger al enige kennis van die methode, anderen zoals Hennie de Ruyter of Doggen in het geheel niet. Als veertienjarige zag ik de grote Ceulemans bezig in de Efteling. Kenners zeiden daar al dat hij niet alleen op zijn gevoel afging, maar ook rekende. Thuis in Waalwijk stapte ik naar De Ruyter en vroeg hem: "Heeft u ooit gehoord dat je via de diamonds (ruitvormige merktekens, waarvan er drie op elke korte band voorkomen en zeven op elke lange band, red.) berekeningen kunt maken over de gang van een bal'? ,Die dingen zijn alleen maar voor de sier aangebracht, jongen', was zijn antwoord. Ik heb er spijt dat ik niet veel eerder op dat systeem heb gestort, dan was ik nog vaker kampioen geweest.”

De ontdekking van de diamonds bracht het enthousiasme terug bij Van Bracht, die halverwege de jaren tachtig op een dood spoor dreigde te raken. Het gedrevene is er nog wel, lacht hij. “Maar ik word nooit meer zo fanatiek als ik als jongetje was. Ik heb me laten vertellen dat ik als zevenjarige al kon biljarten. En in ons café stond ik 's avonds altijd in pyama gefascineerd in een hoekje toe te kijken als ze competitie speelden. Op een gegeven moment klonk het dan "pfft, naar bed jij' uit de mond van mijn vader. Dan ging ik stiekem op de overloop liggen. Door een kier in de planken vloer kon ik precies op het biljart kijken. Dat kon ik uren volhouden.”

    • Guido de Vries