Slordige oproep tot bescherming van film

AMSTERDAM, 2 OKT. Een aantal Nederlandse ondertekenaars van een deze week in zeven grote Europese dagbladen als advertentie gepubliceerde oproep om een culturele uitzonderingsclausule op te nemen in het GATT-akkoord, weet van niets. Onder anderen producent René Solleveld en regisseur Erik van Zuylen hebben geen idee hoe hun naam op die lijst terecht gekomen kan zijn. Wim Verstappen, secretaris van het Genootschap van Nederlandse Speelfilmmakers (GNS) en van de Vereniging ter Exploitatie van Vertoningsrechten op Audiovisueel Materiaal (VEVAM), die zowel zichzelf als beide organisaties in de advertentie genoemd zag worden tussen ruim vierduizend andere ondertekenaars (van Antonioni tot Zanussi), is het zelfs niet helemaal eens met de strekking van de oproep. Hij meent dat de gevolgen van een internationale vrijhandel in audiovisuele produkten wel eens heilzaam zouden kunnen zijn.

De onderhandelingen over de General Agreement on Trades and Services (GATS), een onderdeel van de GATT-akkoorden over het wegnemen van protectionistische belemmeringen in de internationale handel, verkeren in het laatste stadium. Een vooral door Franse en Zuideuropese filmmakers en -producenten gevoerde lobby vreest dat deze overeenkomst wel eens gevolgen zou kunnen hebben voor het geheel van Europese en nationale maatregelen ter ondersteuning van de eigen film- en televisiecultuur. Ervaringen in Canada zouden bij voorbeeld wijzen op de onhoudbaarheid van het bevoordelen van eigen produkties, wanneer de grenzen wijd open staan. De hegemonie van de Amerikaanse film- en televisiecultuur is immers zo sterk, dat geen enkele nationale beeldcultuur, zelfs niet de relatief sterke Franse filmindustrie, daar tegen opgewassen is.

Tijdens een bijeenkomst van de Europese ministers van cultuur op 3 en 4 oktober zal minister D'Ancona, zo bevestigt een woordvoerder van WVC, zich sterk maken voor een dusdanige formulering van artikel 128, de culturele paragraaf van het handelsakkoord, dat de huidige nationale en Europese ondersteuningsmaatregelen gehandhaafd kunnen worden. De feitelijke onderhandelingen worden voor Nederland gevoerd door de minister van Economische Zaken, en de vrees bestaat bij de lobbyisten dat die de cultuur zou kunnen opofferen aan een andere sector. Het is waarschijnlijk dat de Amerikanen, voor wie de film- en televisiebranche het op een na belangrijkste exportartikel levert, weinig bereidheid zullen vertonen tot het accepteren van een uitzonderingsclausule op dit terrein.

Aan de andere kant wordt wel beweerd dat juist het wegvallen van de subsidiecultuur een zegen zou kunnen betekenen voor de enigszins ingedommelde Europese film- en televisieproducenten. Als voorbeeld noemt Verstappen de aantasting van het Nederlandse televisiemonopolie door de komst van commerciële zenders: “RTL4 is het beste dat ons is overkomen. Al mijn vrienden hebben tegenwoordig werk”, zo meende Verstappen deze week in Het Parool.

Over de noodzaak van de handhaving van nationale subsidieregelingen bestaat echter weinig twijfel. Het staat buiten kijf dat er zonder subsidie in Nederland geen filmproduktie van betekenis meer mogelijk zou zijn. In hoeverre de handelsakkoorden een bedreiging van die nationale subsidiestelsels zouden kunnen betekenen, is niet duidelijk. Het ligt in de verwachting dat de Europese Commissie zich sterk zal maken voor een handhaving van de bestaande structuren. Het appel van de 4400 film- en televisiemakers moet dan ook vooral gezien worden als een steuntje in de rug, dat wellicht wat slordig is uitgevoerd in de voorbereiding.