ONGELUKKIGE KONINGSKINDEREN

Inheritance. A Psychological History of the Royal Family door Dennis Friedman 205 blz., Sidgwick & Jackson 1993, f 53,85 ISBN 0 283 06124 3

Voor koningin Elizabeth II was 1992 een annus horribilis. Het mislukken, kort achter elkaar, van de huwelijken van twee van haar kinderen waaronder dat van de troonopvolger, en dat in een atmosfeer van sex, scandal and videotape, had de koninklijke familie in een penibele situatie gebracht. Voor het eerst sinds de onverkwikkelijke abdicatie-crisis van 1937 was de Britse monarchie weer in opspraak gekomen, daarmee het bewijs leverend dat monarchieën in onze tijd niet van buiten af bedreigd worden, maar van binnen uit.

Echtscheidingen komen in de beste families voor, maar voor de hoogste familie van het land blijven zij riskant, aangezien zij de morele voorbeeldfunctie ondermijnen die de monarchie in de ogen van het grote publiek heeft. De privé-zaken van elke koninklijke familie maakt deel uit van de publieke zaak. En met een gescheiden zuster (prinses Margaret), een gescheiden en inmiddels hertrouwde dochter (prinses Anne), twee gescheiden zoons (kroonprins Charles en prins Andrew) en een zoon (prins Edward) die, als we de geruchten moeten geloven, homoseksueel is, geeft koningin Elizabeth wel een heel slecht voorbeeld van moral rectitude.

De schandalen in het Britse koningshuis zijn in de Britse pers breed uitgemeten. De belangstelling die daardoor is gewekt, heeft een stroom nieuwe boeken over het Huis Windsor opgeleverd, sommige met een ronduit catastrofale ondertoon van het naderende einde van de Britse monarchie: een onzinnige gedachte, maar een die goed verkoopt - waarmee het commerciële belang bij het voortbestaan van de instelling als zodanig wordt onderstreept.

Ook los van die apocalyptische beschouwingen heeft het feit dat blijkbaar niet één van de kinderen van de Britse vorstin wil deugen, al veel vragen opgeworpen. Volgens de Britse psycholoog Dennis Friedman liggen de zaken echter heel eenvoudig. Koningskinderen, gelooft hij, groeien op met een chronisch tekort aan ouderliefde. Wat zij in hun jeugd niet hebben ontvangen, kunnen zij als volwassenen niet doorgeven; ze zijn door hun opvoeding belast.

Om zijn stelling te bewijzen is hij in het verleden van het Britse koningshuis gedoken. Zijn verslag van honderd jaar pedagogische miskleunen, neergelegd in Inheritance, vormt deprimerende lectuur. De lezer wordt ruimschoots getrakteerd op rokkenjagerij, drankverslaving en klepto-manie, ziekten die volgens de schrijver net als Lady Di's boulimia het gevolg zijn van trauma's door een ongelukkige jeugd.

VICTORIA

Friedmans psycho-historie begint met koningin Victoria, vorstin van 1837 tot 1901. Ze had haar vader nooit gekend (de Hertog van Kent overleed toen zijn dochter amper acht maanden oud was) en haar leven lang is zij op zoek geweest naar een vaderfiguur. De mannen die zij achtereenvolgens haar vertrouwen schonk - lord Melbourne, Benjamin Disraeli ("Dizzy'), haar gillie John Brown en de Munshi, haar Indische dienaar - waren allen personen met een sterk autoritaire uitstraling. De man met wie zij getrouwd was, haar neef prins Albert van Saksen-Coburg en Gotha, bezat die uitstraling in aanzienlijk mindere mate, maar voor Victoria gold hij als een vader: voor haar was zijn wil wet.

Ook Albert was afkomstig uit een één-oudergezin. Zijn moeder was het huis uitgezet, toen zij een verhouding was begonnen met een legerofficier. Het moet voor de jonge prins een traumatische ervaring zijn geweest en als volwassene begon hij steeds meer trekken van een hypochonder te vertonen. Hij overleed op 42-jarige leeftijd, levensmoe, aan de gevolgen van een tyfus-aanval.

Hoewel Victoria niet van kinderen hield - aan haar oom, koning Leopold van België, schreef zij: ""Kinderen hebben is het enige dat mij afschrikt'' - kreeg zij er negen, die zonder liefde werden opgevoed. De vorstin had een uitgesproken hekel aan haar oudste zoon, in de familiekring Bertie genoemd, wie zij de vroegtijdige dood van zijn vader verweet: het nieuws dat de kroonprins stiekem een avontuurtje gehad had met een derderangs actrice terwijl zijn ouders druk doende waren een bruid voor hem te vinden, zou prins Albert doodziek hebben gemaakt. Edward VII (1901-1910) zou de rest van zijn leven onder schuldgevoelens gebukt gaan. Zijn losbandige levenswandel, zijn gok- en eetverslaving waren volgens Friedman het gevolg van de verstoorde relatie met zijn moeder.

KLEPTOMANIE

De problemen traden in de volgende generatie nog duidelijker aan de dag. Hadden Victoria en Albert hun kinderen nog een strikte, zij het liefdeloze opvoeding gegeven, de kinderen van Edward VII kregen, als reactie daarop, helemaal geen opvoeding. Mensen uit hun omgeving beweerden dat zij altijd kinderen gebleven zijn.

De oudste, prins Albert-Victor ("Eddy'), was genetisch niet helemaal in orde - het Klinefelter-syndroom - en ook geestelijk was hij in de war. Hij overleed voordat hij de troon had kunnen bestijgen of voor nakomelingen had kunnen zorgen, zodat het koningschap toeviel aan zijn broer George, een stugge, in zichzelf gekeerde man die als kind al het gevoel had gehad niet mee te tellen. Op latere leeftijd nam hij daarvoor wraak - op dieren en vogels, maar vooral op zijn eigen kinderen. Met prinses Mary van Teck, in eerste instantie bestemd voor zijn broer, was hij plichtsgetrouw en zonder liefde getrouwd.

George V (1910-1936) en Mary, te boek staand als voorbeeldige constitutionele monarchen, waren als ouders een ramp. Het strikte regime waaraan zij hun kinderen onderwierpen bracht ernstige emotionele schade teweeg. De oudste, "David' in de familiekring, moest niets hebben van de normen die zijn ouders hem hadden voorgehouden - tot en met die over het koningschap. De tweede ("Bertie'), die na de gedwongen troonsafstand van de eerste de schade moest herstellen, was een geboren stotteraar.

Steun van hun moeder kregen zij niet. Mary, afkomstig uit een aan lager wal geraakte familie, ging zozeer op in haar koninklijke status dat de deplorabele gemoedsgesteldheid waarin haar kinderen verkeerden haar volledig ontging. Zij trachtte de liefde die zij in háár jeugd had moeten missen van haar onderdanen te "stelen': als vorstin vertoonde zij de ziekelijke gewoonte zich kostbare meubelstukken en kunstvoorwerpen "uit liefde' toe te eigenen; mensen die op de hoogte waren van haar kleptomane neiging waren zo verstandig hun spullen vóór haar komst te verbergen. Volgens Friedman was de rokkenjagerij van Edward VII het bewijs geweest van diens vijandigheid tegenover het andere geslacht. ""Edward VIII vertoonde precies hetzelfde gedrag, totdat hij de vrouw had gevonden die volgens hem in staat was de liefde te geven die zijn moeder hem in zijn jeugd had onthouden. Zijn vijandschap richtte zich toen in plaats van op vrouwen op de Kroon.''

ZWANGERSCHAPSVERLOF

Friedman schetst een scherp beeld van een familie die generatie op generatie dezelfde fouten maakt, maar die scherpte vormt tegelijk een zwakte. Het beeld is te mooi (of liever: te slecht) om helemaal waar te zijn. Dat doet zich wel vaker voor bij studies, die een monocausale verklaring bieden voor complexe en van elkaar verschillende zaken. Het Britse koningshuis bestond niet alleen uit gefrustreerde neuroten. De koninginnen Alexandra en Elizabeth bijvoorbeeld, de echtgenote van Edward VII en van George VI, waren ongecompliceerde, vrolijke types, die wèl in staat waren hun kinderen liefde en warmte te geven.

Hadden, zo luidt een voor de hand liggende vraag, de latere generaties niet van de fouten van de vorige kunnen leren? Dat was mogelijk geweest, aldus Friedman, maar zij kregen daartoe niet de kans. De ontwikkeling van de moderne monarchie, met haar toenemende nadruk op de ceremoniële en representatieve kant, heeft van het koningschap een tijdrovende bezigheid gemaakt die de kroondrager steeds minder tijd laat voor een verblijf in de kinderkamer. Koningin Elizabeth II is daarvan een goed voorbeeld. Tijdgebrek heeft haar ervan weerhouden een echte moeder voor haar kinderen te zijn.

De hoge eisen die aan het koningschap worden gesteld zouden wel eens een bedreiging kunnen inhouden voor het voortbestaan van de monarchie als instituut. Een bescheidener taakstelling, inclusief een behoorlijke zwangerschapsverlofregeling zoals die voor elke normale betrekking bestaat, zou derhalve serieus moeten worden overwogen. Zo niet, dan is de kans aanwezig dat het living-apart-together model, waarvoor prins Charles en prinses Diana hebben gekozen, het "normale' koninklijke patroon wordt.