Nederland technisch achterop

Nederland dreigt op gebied van technologie en industrie onder de voet te worden gelopen door het buitenland. Om een "zelfscheppende industrie' te behouden en versterken, is het essentieel dat meer geld wordt uitgetrokken voor ontwikkeling en onderzoek.

De nota "Concurreren met kennis', die deze zomer door de minister van economische zaken naar het parlement werd gestuurd, is eindelijk een politiek document waarin het belang van een grotere technologische inspanning centraal staat en waarin ronduit wordt erkend dat Nederland achterop raakt. Het is te hopen dat in de komende kabinetsperioden een groter deel van de publieke en private middelen voor technologie worden ingezet. Het probleem is structureel, niet incidenteel. Om een "zelfscheppende industrie' te behouden, uit te breiden en te versterken, is het essentieel dat technologie in Nederland meer op de voorgrond komt. De problemen zijn niet alleen maar het gevolg van de slechte conjunctuur. Nederland wordt technologisch, en dus industrieel, onder de voet gelopen. (Er zijn ook andere belangrijke factoren dan kennisachterstand, maar ik beperk mij tot het hoofdonderwerp van de EZ-nota.)

Niet alleen Economische Zaken is verantwoordelijk, ook het bedrijfsleven en de andere ministeries staan voor een opgave. De nota legt bijvoorbeeld een zwaar accent bij onderwijs en wetenschappen. Onderwijs en universitair onderzoek moeten nadrukkelijker op het economisch belang moeten worden gericht.

Het bedrag dat wordt besteed aan onderzoek en ontwikkeling (het nationale "R&D-volume') moet in de pas worden gebracht met dat van onze concurrenten. De overheid moet niet trachten het ene gat te dichten door een ander te maken. Financiën heeft een lijst opgesteld van alle subsidiegevende instanties in Nederland en heeft bepaald dat "om meer te kunnen investeren in de toekomst' vijf keer één procent zal worden bezuinigd op de overheidssubsidies. Tegen het licht van de nota is het absurd dat deze maatregel ook wordt toegepast op research-organisaties als TNO en NWO, die niet anders doen dan in de toekomst investeren. Het academisch onderzoek in Nederland (circa de helft van de overheidsresearch) kenmerkt zich niet door technologie-vriendelijkheid. Uit het onderzoek van Irvine e.a. "Investing in the Future' blijkt bij een internationale vergelijking van zes landen, Engeland, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Amerika en Japan, dat de relatieve verdeling van middelen voor Nederland als volgt is (bij 1 = gelijk aan het gemiddelde van de overige vijf): ingenieursvakken 0,82; natuurwetenschap 1,03; milieu 0,58; wiskunde & computer-onderzoek 0,79; levenwetenschappen 0,90; sociologie, economie en psychologie 1,74; kunst, literatuur e.a. 1.28.

Hierbij moet worden bedacht dat in Nederland natuurwetenschap over het algemeen nogal zuiver-wetenschappelijk geöriënteerd is. De universiteiten staan niet te dringen om het tij te keren. Dat werd deze zomer in Leiden nog weer geïllustreerd door het besluit van de universiteit om een groot aantal onderzoeksplaatsen over te hevelen van de faculteit natuurwetenschappen naar alfa en gamma. Als onderwijs en wetenschappen en economische zaken hier iets willen bereiken zal dat via NWO moeten gebeuren, dat via de zogeheten tweede geldstroom projectgebonden onderzoek financiert.

Overigens kondigt de minister van onderwijs en wetenschappen in een zojuist door hem uitgebracht plan aan, HOOP genaamd, dat kunstgeschiedenis en klassieke talen "op grond van strategische discussies' tot prioriteitsgebied verheven zijn. Over welke strategie zou daar nu wel gediscussieerd zijn? Niet die van economische zaken dunkt mij. Andere ministers zijn zich onvoldoende bewust van de mate waarin bepaalde kennis en kennisbenutting bepalend zijn voor onze welvaart.

In de nota komt niet duidelijk uit de verf dat de overheid op het gebied van kennis ook een vragende partij is. Financiering van onderzoek voor de overheid zou eveneens onderwerp van discussie mogen zijn (milieu, energie, fysieke infrastructuur, transport enzovoorts). Doelmatigheid vereist integratie van onderzoek en ontwikkeling en operationeel optreden.

De nota legt een te zwaar accent op het modebegrip "cluster'. Op zichzelf is het een terechte constatering dat samenwerking in planning en uitvoering van onderzoek tot verhoging van rendement kan leiden. Maar samenwerking moet niet als doel op zichzelf worden nagestreefd. Het is gevaarlijk om de vorming van (kennis)-clusters te stimuleren zonder de baten van samenwerking te kunnen wegen. Het recente VNO-rapport "Clustering van het bedrijfsleven: Instrument voor industriële strategie?' waarschuwt ook voor officiële adoptie en voorkeursbehandeling van clusters. Nederland dient selectief te zijn in zijn keuze van gebieden waarop een extra inspanning wordt geleverd, akkoord. Maar of het instrument van de strategische conferenties voor het maken van de gebiedskeuzen het juiste middel zijn, is twijfelachtig.

In het verleden leken de gekozen prioriteiten bedenkelijk veel op die welke ook in andere landen naar voren kwamen. En ook het hiervoor aangeduide voorbeeld uit HOOP is niet hoopgevend. Nieuwe ontwikkelingen, die niet in een voorkeursgebied passen, mogen niet om die reden worden ontmoedigd, ten minste als er wel een duidelijke industriële interesse is.

Terecht is er veel aandacht voor verbetering van de synergie tussen universitair onderzoek en het bedrijfsleven. Maar te weinig wordt beseft dat dit vaak een aansluiting is van een specifieke kennisvraag van één of enkele bedrijven en anderzijds van de universitaire aanbieder van kennis. Die aansluiting maakt of kennisoverdracht op maat, dus effectief is. Aansluiting is er alleen als beide partners er baat bij hebben: de onderzoeker in het wetenschappelijk circuit en de ondernemer in de markt. Beiden willen zich handhaven, en terecht.

Het nu aangekondigde fiscale instrument ter bevordering van onderzoek en ontwikkeling in bedrijven lijkt goed. De overheid bemoeit zich niet met de inhoud van de industriële ontwikkelingen en er is weinig administratieve en bestuurlijke rompslomp. Maar hoe wij worden behoed voor een explosieve R&D-groei in bijvoorbeeld het banketbakkers- en cafetaria-wezen is onduidelijk; net zo min als de ratio van de aangekondigde bovengrens van tien miljoen. Veel onderzoek is toch niet minder goed dan weinig?

    • Kees Le Pair