Kunst, met protectie

Een menigte Europese filmmakers heeft deze week in zes landen een advertentie geplaatst in het toonaangevende dagblad. Nederland werd overgeslagen. De filmers protesteren tegen de afschaffing van maatregelen die hun bedrijfstak moeten beschermen tegen Amerikaanse concurrentie. Het GATT-akkoord voor de vrijhandel zou zulke protectionistische regelingen verbieden, niet alleen voor sperziebonen en personenauto's, maar ook voor films en boeken. De adverteerders willen dat de "cultuur' voorgoed van die vrijhandelsovereenkomst wordt uitgezonderd.

Daar is veel voor te zeggen, maar dat doen de adverteerders niet. Wetenschappelijke en literaire boeken hebben op de markt wat bescherming nodig, bijvoorbeeld door vaste prijzen; documentaires en kunstfilms kunnen nauwelijks geproduceerd worden zonder subsidie uit speciale fondsen. Bij zulke publikaties en produkties is het winstmotief nevengeschikt en is een algemener, cultureel belang in het geding.

Maar daar hebben ze het niet over. De adverteerders schrijven dat grote Amerikaanse film- en televisiemaatschappijen - met volledige steun van hun regering - de Europese markt al vrijwel geheel in handen hebben en nu proberen ook de laatste creatieve krachten in Europa te vernietigen.

Hier worden, met opzet en gehaaid, twee zaken door elkaar gehaald. De verdringing van artistieke creativiteit door massa-produktie, dat is één ding, en de verdringing van Europese films door Amerikaanse, dat is iets heel anders. De Europese vermaaksindustrie moet het afleggen tegen de Amerikaanse rivalen en probeert nu de indruk te wekken dat de Amerikaanse commercie de Europese creativiteit verplettert. Maar de Amerikaanse publieksfilms en tv-series concurreren helemaal niet met kunstfilms of documentaires van Europese makelij; die genres vegeteren al tientallen jaren in een reservaat van goede smaak achter een omheining van subsidie. De amusementsconcerns, Amerikaans of Europees, zijn in dat kleine afzetgebied helemaal niet geïnteresseerd en maken er ook geen schijn van kans. De Amerikaanse publieksfilms concurreren met de populaire filmproduktie van de grote Europese studio's, met succes. De Amerikanen zijn blijkbaar nog beter in de gemakkelijkst aansprekende weergave van de gemakkelijkst aanspreekbare emotie voor het allertalrijkste publiek. Maar de Europese producenten zijn net zo commercieel, even tuk op maximale kijkcijfers en de grootst mogelijke winst.

Nu proberen zij zich achter de kunstfilmers te verschuilen en beroepen ze zich op een "Europa der Kultur' (ik citeer de advertentie uit de Frankfurter Allgemeine). Het getuigt van een zelfs in die overmoedige kringen uitzonderlijke lef om daar te poneren "dass die Kultur kein Handelsobjekt ist'.

Bij dat Europa der Kultur wil mij weinig goeds in de zin komen. Het zal wel weer neerkomen op vendelzwaaien, wijn-, kaas-en bierproeverijen, veel koorzang en mandolinespel, en voor Nederland het eerste kievitsei met het Concertgebouworkest. De Europese cultuur is als begrip volstrekt ongrijpbaar en kan alleen maar worden volgehouden tegen iets anders in: het communisme, de islam en, tussendoor, het Amerikaans commercialisme.

Maar waarom is die Amerikaanse populaire cultuur zo succesvol in Europa en op andere continenten? De Verenigde Staten zijn een rijk en machtig land. Het prestige dat daarmee is gewekt straalt ook af op de Amerikaanse cultuur. Maar dat is het niet alleen. Toen de Sovjet-Unie nog machtig en aanzienlijk leek, was er daarbuiten toch haast niemand geboeid door het Sovjet-amusement.

De vermaaksindustrie in de VS heeft nog andere voordelen: een heel grote binnenlandse markt als proeftuin, een wereldwijd distributie-apparaat, de voorsprong van het Engels als wereldtaal. Maar dat is niet de hoofdzaak.

Er is aan de kleren, de muziek, de dans en de films uit Amerika iets aanstekelijks, iets onweerstaanbaars, iets Amerikaans. Dat laat zich beter verklanken of verbeelden dan verwoorden. Maar waar dat eigene Amerikaanse vandaan komt is wel te zeggen: alles wat zich verbreidt in de VS heeft zich weten te handhaven in een onbeteugelde concurrentie. Een liedje dat in de top tien terecht komt is door de luisteraars verkozen boven een hele trits andere nummers. De makers weten blijkbaar hun publiek te behagen, krijgen de kans om nieuwe variaties op hun succesvol thema te beproeven en zo gaat de selectie voort. Met films en tv-komedies gaat dat precies zo. De produkties die de meeste kijkers trekken overleven en de rest verdwijnt zonder genade. Zo evolueren juist die cultuurvormen die bij uitstek geschikt zijn om het publiek te behagen. Wanneer die genres worden uitgezet in een Europees cultuurlandschap blijken ze de inheemse populaire cultuuruitingen te verdringen in de kijkersgunst. En ook in dat Europees milieu geven nu kijk- en verkoopcijfers de doorslag. Het Europees publiek selecteert blijkbaar ongeveer als het Amerikaanse en begunstigt de gunstelingen opnieuw.

De Amerikaanse populaire cultuur is zo succesvol omdat ze zich handhaaft zonder protectie, in volkomen vrijhandel. Het is dus wel heel onverstandig om de Europese vermaaksindustrie die daar toch ooit eens tegenop moet boksen af te schermen tegen de selecterende werking van de vrije concurrentie om de gunst van het publiek. De Europese amusementsfabrikanten hebben trouwens een beginvoordeel: ze kunnen op hun thuisbasis produceren in de eigen taal en vanuit de mentaliteit van het land. Komieken en zangers van het levenslied weten dat voordeel al uit te buiten.

Maar daarmee is het overleven van andere cultuurgenres die minder gericht zijn op behagen en aan minder mensen appelleren nog niet veilig gesteld. Met een Europa der Kultur heeft dat misschien iets te maken, maar met de Amerikaanse dreiging niets. Kunstfilms en documentaires hebben steun nodig van de overheid; als dat in strijd blijkt met handelsverdragen moet er vanzelfsprekend een uitzondering gemaakt worden, maar dan niet zo dat de amusementsindustrie bevoordeeld wordt onder dekking van de kunst.

    • A. de Swaan