Het emmertje

“Kijk”, wijst Henk Ohm, “dat kleine bruintje, Jenny. Die is van juni. Daar doen we nog niks mee, die is nog met huid en haar voor d'r moeder.”

Jenny is de jongste van de zeeleeuwen in Artis, nog helemaal op melk. Het duurt een maand of zeven, acht voordat ze belangstelling krijgen voor vis, eerst om mee te spelen, later om op te eten. Dan kun je ermee aan het werk.

“En dat is Anne. Anne is een schat. Anne is van vorig jaar. Ze is nu vijftien maanden oud en het zoenen gaat nog niet zo denderend, maar zwaaien doet ze goed. In feite zwaaien ze allemaal wel goed, zowel boven als onder water. Als ik mijn emmertje maar bij me heb.”

Dat gaat zo. Je geeft het dier een tikje op zijn poot, en vis. Een tikje op zijn poot en vis. Een tikje op zijn poot en vis. Dan doe je net alsof je weer een tikje geeft, maar hou je je hand opeens stil, een paar centimeter boven die poot. Dat wil zeggen dat het dier zelf z'n poot moet bewegen om contact te maken. Dat hebben ze gauw genoeg in de gaten. En dan vis! Die poot omhoog en vis! Uit dit gebaar, dit optillen en uitsteken van zo'n malle flap, ontstaat het zwaaien van zeeleeuwen.

Henk Ohm. Hij zet zijn emmer op de rand. Hij roept zijn dieren goeiedag en zwaait. Een zeeleeuw heeft zich al bovenop de rots gewerkt. Hij kantelt iets en zwaait terug. Oeg, oeg!

Die twee verstaan zich met elkaar.