GEORGE P. SHULTZ; Politicus in een gekkenhuis

Turmoil and Triumph. My Years as Secretary of State door George P. Shultz xiii, 1184 pagina's, geïll., Charles Scribner's Sons 1993, f 67,50 ISBN 0 6841 932 5

George P. Shultz was minister van buitenlandse zaken van de Verenigde Staten van 16 juli 1982 tot 20 januari 1989. Hij was de opvolger van Alexander Haig, die zich anderhalf jaar lang dermate ambitieus en eigenzinnig had gedragen, dat de staf van president Reagan hem er zo snel mogelijk had uitgewerkt.

De nieuwe minister, die bekend stond als integer en onafhankelijk, had een even gevarieerde als succesvolle carrière achter de rug. Hij had economie gestudeerd in Princeton, was in 1949 aan MIT gepromoveerd, hoogleraar in de economie geweest, onderhandelaar in arbeidsconflicten, tot tweemaal toe minister in het kabinet van Richard Nixon en was vervolgens in zaken gegaan. Als minister van buitenlandse zaken kwam de consistente pragmaticus Shultz terecht in een wereld die op grond van zijn eigen gedetailleerde beschrijving het best gekarakteriseerd kan worden als een ideologisch gedreven gekkenhuis.

In de regering van Ronald Reagan was het buitenlands beleid bepaald niet alleen voorbehouden aan het ministerie van buitenlandse zaken. Zowel de National Security Council, onder leiding van William Clark, als het Pentagon van Caspar Weinberger en de Central Intelligence Agency onder leiding van William Casey, hielden zich actief bezig met de buitenlandse politiek. Bovendien deed Jeane Kirkpatrick, de Amerikaanse vertegenwoordigster bij de Verenigde Naties, ook regelmatig een duit in het zakje. Clark, en zijn opvolgers McFarlane en Poindexter, Weinberger, Casey en Kirkpatrick werden geobsedeerd door het communistische gevaar. Zij waren van mening dat het communisme, onder de satanische leiding van Moskou, bezig was aan een wereldwijde opmars en dat de Verenigde Staten daarom een meedogenloze en gewelddadige confrontatiepolitiek moesten voeren, die geen enkele ruimte liet voor onderhandeling of compromis.

Shultz, van nature een onderhandelaar, al was hij bepaald geen duif, stond onder deze omstandigheden voor een dubbele taak. Hij moest ervoor zorgen dat de verantwoordelijkheid voor het buitenlandse beleid weer primair bij het ministerie van buitenlandse zaken kwam te liggen en hij wilde het onderhandelingsproces met de Sovjet-Unie weer op gang brengen. In deze verstandige voornemens werd hij systematisch tegengewerkt door de al genoemde instanties en personen. Een groot deel van de ruim 1100 bladzijden van zijn memoires wordt in beslag genomen door een minutieus verslag van de bureaucratische guerrilla die hij jarenlang heeft moeten voeren om zijn beleidsvoornemens te realiseren.

PSYCHOPAAT

Zijn gevaarlijkste tegenstander was William Casey, de directeur van de CIA, die in het verhaal van Shultz uitgroeit tot een sinistere psychopaat. De informatie die de CIA verstrekte was volgens Shultz, juist vanwege de ideologische obsessies van haar directeur, door en door onbetrouwbaar. Gorbatsjov zou volgens de CIA niet in staat zijn tot serieuze hervormingen. Toen dat niet bleek te kloppen kwam de inlichtingendienst met de theorie dat Gorbatsjovs toeschietelijkheid van tijdelijke aard zou zijn; zodra het Westen in slaap was gesust, zouden de Russen de Koude Oorlog weer op volle kracht voortzetten. Even zeker wist de CIA dat de Sovjet-Unie Afghanistan nooit zou verlaten. De berichtgeving van de CIA aan de vooravond van de diverse topconferenties was onveranderlijk waardeloos.

Vrijwel even rampzalig als het optreden van de CIA waren de werkzaamheden van de National Security Council. Die adviesraad had zich op gevaarlijke wijze verzelfstandigd en voerde allerlei geheimzinnige operaties uit, waartoe zij niet bevoegd was en die door niemand gecontroleerd konden worden. Weinberger was een zeurkous, die de militaire macht van de Verenigde Staten wel voortdurend wilde uitbreiden, maar haar niet wilde gebruiken; Kirkpatrick een alarmistische hysterica, die elk moment de Russische MiG's boven de Rio Grande verwachtte. Naast zijn onthullende afrekening met zijn bureaucratische tegenstanders geeft Shultz nog een reeks verbazingwekkende voorbeelden van de combinatie van paranoia en debiliteit, die de Amerikaanse buitenlandse politiek in deze jaren in haar greep hield.

Hoewel Shultz ten slotte triomfeerde, was hij in de eerste jaren van zijn ministerschap regelmatig aan de verliezende hand. Op het beleid dat de Verenigde Staten voerden ten opzichte van Nicaragua had hij geen enkele greep. In de geheime operaties van de CIA en de NSC tegen het sandinistische regime werd hij meestal helemaal niet gekend. Van het Strategic Defense Initiative (Star Wars) hoorde hij twee dagen voordat de president het via de televisie aan het Amerikaanse volk presenteerde. Van Shultz' wanhopige klacht dat SDI de strategische doctrines van de Koude Oorlog fundamenteel zou veranderen en dat daar wellicht wat beter over nagedacht had kunnen worden, trok niemand zich iets aan. Shultz verzette zich fel tegen het onzalige plan in het diepste geheim wapens aan Iran te leveren teneinde zo de door de Hezbollah in Libanon gegijzelde Amerikanen vrij te krijgen, maar tevergeefs. De CIA en de NSC gingen, met volledige toestemming van de president, rustig hun gang.

SCHIMMIGE FIGUUR

Met de persoon van de president komen we aan een eigenaardig aspect van deze memoires. Ronald Reagan komt in dit boek eigenlijk helemaal niet uit de verf. Hij is een wat schimmige figuur, wiens ideeën, intenties en invloed op het beleid onscherp blijven. Voor de objectieve buitenstaander is het zonneklaar dat de anti-communistische kruisvaarders, tegen wie Shultz zo verontwaardigd te keer gaat, de volledige steun van de president genoten. Niet Casey, Clark of Kirkpatrick waren de gevaarlijkste tegenstander van de pragmatische minister van buitenlandse zaken, maar Ronald Reagan zelf. Zonder de actieve steun van de president hadden de kruisvaarders hun dwaze plannen nooit kunnen uitvoeren.

Hoewel Shultz dat een enkele maal wel wil toegeven, is zijn analyse er over het algemeen toch op gericht Reagan buiten schot te houden. De president wilde het goede, namelijk hetzelfde als Shultz, en dat dat er niet van kwam was het gevolg van het feit dat zijn staf hem misleidde, manipuleerde en voorloog. De staf kon daarbij, aldus Shultz, gebruik maken van de eigenaardige wijze waarop Reagans brein werkte. Als de president eenmaal meende te weten hoe een bepaalde kwestie in elkaar zat, dan was hij daar met geen mogelijkheid meer van af te brengen. Wat Shultz ook probeerde, de president bleef bij zijn standpunt.

Omdat hij nauwelijks kan toegeven dat zijn baas in veel gevallen de opdrachtgever van zijn bureaucratische vijanden was, is Shultz wel gedwongen de president af te schilderen als een half demente bejaarde, die een groot deel van de tijd geen flauw idee had wat er aan de hand was. Het ware gemakkelijker geweest toe te geven dat Reagan in zijn eerste termijn de welbewuste leider was van de retorische en feitelijke confrontatiepolitiek die ten opzichte van het "evil empire' werd gevoerd. Dat neemt niet weg dat Ronald Reagan verreweg de geheimzinnigste figuur van de Reagan-jaren blijft. Hoe kon deze zombie-achtige man, wiens algemene ontwikkeling niet veel groter was dan die van een televisiekijkende scholier, zo'n prominente en invloedrijke politicus worden?

Het ligt voor de hand te constateren dat Shultz beter ontslag had kunnen nemen toen hem duidelijk werd dat hij het principeel oneens was met belangrijke onderdelen van het buitenlands beleid en bovendien bij herhaling was gebleken dat zijn invloed op die onderdelen vrijwel nihil was. Wie niet volledig verantwoordelijk kan zijn voor het gevoerde beleid, dient op te stappen. Shultz heeft, dat moet in zijn voordeel worden gezegd, zeer regelmatig zijn ontslag aangeboden. Reagan accepteerde dat echter niet en Shultz nam het nooit.

Of Shultz zich nu erg principeel gedragen heeft of niet, het is toch maar goed dat hij is blijven zitten. De verbazingwekkende ontwikkelingen in de Sovjet-Unie en Reagans wens (vooral ook Nancy's wens) de geschiedenis uiteindelijk in te gaan als vredestichter, stelden Shultz in staat met de Sovjet-Unie te onderhandelen zoals hij zich dat altijd gewenst had. Dat kostte overigens nog moeite genoeg; de kruisvaarders boden tot het laatst taaie weerstand. Gelukkig raakten hun gelederen in Reagans tweede termijn sterk uitgedund door ontslag, vanwege het uitlekken van hun vreemde escapades.

STROOMVERSNELLING

In 1982 en 1983 kreeg Shultz geen enkele kans serieus te onderhandelen met de tegenstander. Eind 1983 waren de betrekkingen zelfs zo slecht dat de Russen beweerden bang te zijn voor een Amerikaanse "first strike'. Het jaar 1984, niet toevallig een verkiezingsjaar, bood betere mogelijkheden. Reagan bezocht China en de contacten met de Sovjet-Unie werden voorzichtig hersteld.

Vanaf 1985 zorgde de nieuwe leiding van de Sovjet-Unie voor een stroomversnelling in het onderhandelingsproces. Gorbatsjovs initiatieven zouden echter geen resultaat hebben gehad als Reagan, bekwaam voortgeduwd en begeleid door Shultz, niet bereid was geweest afstand te nemen van zijn aanvankelijke confrontatiepolitiek. Na de verkennende topconferentie in Genève (najaar 1985) volgde een jaar later de topconferentie van Reykjavik, de merkwaardigste en misschien ook wel de meest produktieve topconferentie ooit gehouden tussen de leiders van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Op het eerste gezicht was Reykjavik een mislukking, maar er was zo wild gediscussieerd en er waren zoveel vruchtbare suggesties gedaan, dat het onderhandelingsproces nog jaren voort kon met de ruïne van Reykjavik.

Ik zou niet willen beweren dat alle 1100 bladzijden van Turmoil and Triumph even fascinerend zijn. Toch levert de extreem gedetailleerde benadering waarvoor Shultz heeft gekozen soms prachtige resultaten op. Alleen al de beschrijving van de surrealistische gebeurtenissen in Reykjavik is voldoende bestaansreden voor dit nauwelijks te tillen boek.