EINSTEIN BIJNA ABSOLUUT COMPLEET

The Collected Papers of Albert Einstein. Volume 5 - The Swiss Years: Correspondence, 1902-1914 samengesteld door Martin J. Klein, A.J. Kox en Robert Schulmann 724 blz., geïll., Princeton University Press 1993, f 184,45 ISBN 0 691 08407 6

The Private Lives of Albert Einstein door Roger Highfield en Paul Carter 355 blz., geïll., Faber and Faber 1993, f 57,35 ISBN 0 571 16744 6

Einstein: A Life in Science door Michael White en John Gribbin 279 blz., Simon & Schuster 1993, f 60,55 ISBN 0 671 71170 9

Na de gedenkboeken en jubileumbundels ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag op 29 maart 1979, tekent zich een nieuwe Einstein-hausse af. Het begon vorig jaar met de publikatie van The love letters, de liefdesbrieven van Albert en zijn toekomstige eerste vrouw Mileva Maric, in 1986 boven water gekomen en om hun inhoud heftig bediscussieerd. Afgelopen maand volgden in Engeland twee volwaardige biografieën, een traditionele van het duo White en Gribbin en een zeer onorthodoxe van de journalisten Highfield en Carter. De laatste legt sterk de nadruk op Einsteins weinig harmonieuze familieleven, een tot nu toe onderbelicht terrein. En binnen afzienbare tijd zijn bovendien drie Duitstalige studies te verwachten, waarbij de veteraan Armin Hermann en de historicus en Einstein-kenner Robert Schulmann de Europese periode zullen bestrijken, terwijl Albrecht Fölsing voor uitgeverij Suhrkamp een biografie heeft gepubliceerd. De motor van al deze activiteit is de reeks The Collected Papers of Albert Einstein, waarvan deel 5 zojuist is afgerond.

De uitgave van Einsteins Collected Papers is een van de meest ambitieuze programma's ooit door wetenschapshistorici ondernomen. Er is inmiddels een archief aangelegd van een kleine tienduizend documenten, bovenop de veertigduizend uit Einsteins nalatenschap. Een derde hiervan zal in druk verschijnen. Deel 5 bevat de brieven van en naar Einstein uit de periode 1902-1914 en is daarmee de eerste echte correspondentieband (deel 1, over Alberts jeugd, bevat veel documenten van derden). Aan het begin van het boek is Albert drieëntwintig jaar oud en zojuist benoemd als klerk derde klasse aan het Bernse octrooibureau. Aan het eind staat hij op het punt als gevierd hoogleraar naar Berlijn te vertrekken. De correspondentie uit deze Zwitserse periode loopt parallel met Einsteins wetenschappelijke geschriften uit de delen 2, 3 en 4. Deel 2 kwam uit in 1989, deel 3 verschijnt nog dit najaar, deel 4 volgend jaar, maar deel 5 is klaar en zal binnenkort in Zürich worden gepresenteerd. SPECIALE BAND

Volgens mede-samensteller en bezorger de Nederlander A.J. Kox (45), die zijn positie bij het Einstein Papers Project in Boston combineert met een aanstelling als fysicus en wetenschapshistoricus aan de Universiteit van Amsterdam, is dat niet zomaar. Kox: ""We hopen hiermee de bekendheid van The Collected Papers bij het Duitstalige lezerspubliek te verhogen. De brieven worden immers in de originele taal, voor het overgrote deel Duits, gepresenteerd. Dan is er een tweetalig stofomslag, een nieuwtje. En met Zürich had Einstein een speciale band, hij heeft er gestudeerd en is er hoogleraar geweest.' Ook noemt Kox een financieel argument: ""Het klinkt misschien vreemd, maar de voortgang van ons werk is niet gegarandeerd. Kortlopende subsidies van de National Science Foundation en dergelijke worden binnenkort afgebouwd. Het Einstein Papers Project zoekt naarstig nieuwe sponsors, ook in Zürich.'

De uitgave van The Collected Papers zal, aldus Kox, in totaal negenentwintig delen beslaan en in het jaar 2017 zijn afgerond. De voorgeschiedenis van het project was overigens rumoerig. Toen Einstein in 1955 in Princeton overleed, kwam het beheer van zijn literaire nalatenschap, met inbegrip van de rechten, te berusten bij dr. Otto Nathan, econoom en huisvriend van de familie Einstein, en Helen Dukas, sinds 1928 zijn toegewijde secretaresse. Dit tweetal hechtte er zeer aan de Einstein-mythe in stand te houden. Biografen en wetenschappers die minder fraaie kanten van de vader van de relativiteitstheorie aan de orde stelden, werden zonder erbarmen tegengewerkt. Het Einstein Papers Project, dat in 1971 van start ging, liep daardoor aanzienlijke vertraging op. Kox: ""Nathan wilde een stevige vinger in de pap houden. Pas na de nodige rechtszaken was de wetenschappelijke onafhankelijkheid gewaarborgd.'

Het was dan ook een verademing toen in 1982, kort voor Dukas' dood, Einsteins nalatenschap, inclusief de rechten, werd overgedragen aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. De samenwerking daarmee verloopt volgens Kox heel wat prettiger. Toch zijn nog altijd niet alle originele stukken toegankelijk. Nathan, overleden in 1987, heeft een pak documenten voor tientallen jaren laten verzegelen, waaronder veel vroege brieven van Einstein aan zijn nicht en toekomstige tweede vrouw Elsa Löwenthal. Kox weet zeker dat daar veel onbekend materiaal bijzit. Een deel van deze brieven is niettemin in deel 5 terug te vinden. Ze werden in de aanloopfase van het Einstein Papers Project in het archief van het Institute for Advanced Study in Princeton, Einsteins laatste werkplek, ontdekt en gezien de moeilijkheden met Nathan en Dukas uit voorzorg gekopieerd.

HOOFDBREKENS

Het merendeel van het in deel 5 bijeengebrachte materiaal is niet eerder gepubliceerd. Het verschaft een veelzijdig en genuanceerd beeld van Einsteins leven en vroege loopbaan. Alberts toenemende faam laat zich mooi aflezen aan de groei van zijn wetenschappelijke correspondentie. Hij raakt in contact met jonge vakgenoten als Max Laue en Paul Ehrenfest, maar ook met gevestigde namen als Max Planck, Wilhelm Wien en Arnold Sommerfeld. In het annus mirabilis 1905, met zijn baanbrekende artikelen, volgde een periode waarin ook Einstein voor zijn resultaten moest ploeteren. Vooral de quantumtheorie bezorgde hem hoofdbrekens. Speelse en intieme brieven zijn er aan zijn vrienden uit zijn studententijd, in het bijzonder Michele Besso en Marcel Grossmann. Met Paul Habicht hield hij zich bezig met het uitvinden van een "Maschinchen' voor het meten van kleine hoeveelheden elektriciteit, een bewijs voor zijn experimentele belangstelling.

Veel materiaal uit deze periode is verloren gegaan. Einstein was volgens Kox weinig zorgvuldig in het bewaren van post. Alle vijfhonderd beschikbare brieven zijn opgenomen, inclusief berichten aan het gasbedrijf. Kox: ""Dat is voor het laatst. Voor de negenhonderd stuks uit deel 8, het volgende correspondentiedeel wordt geselecteerd. In de toekomst zullen bijvoorbeeld de antisemitische brieven uit de jaren twintig niet allemaal worden opgenomen. Overigens kreeg Einstein die vooral na 1933 toen hij in Amerika zat.'

Het notenapparaat van deel 5 is uitvoerig, zeer verhelderend en uitstekend verzorgd. Er zijn tal van kruisverwijzingen en bij elkaar leveren ze interessante terzijdes op, zoals in het geval van de Nederlandse fysisch-chemicus Peter Debije die in de periode van zijn benoeming in Utrecht (1912) tamelijk vreemde dingen over joden debiteert.

In de volgende delen zullen de inleidingen en commentaren wat minder uitvoerig zijn. Kox: ""De bedoeling is toch in de eerste plaats het volledige materiaal te presenteren, waarna wetenschapshistorici ermee aan de slag kunnen. Het Einstein Papers Project beoogt geen definitieve analyse te leveren.' Alles wordt in de originele taal afgedrukt, één Nederlandse brief van Fokker aan Lorentz, waarin eerstgenoemde verslag doet van zijn bezoek aan Einstein in Zürich, krijgt een Engelse vertaling. Volgens Kox is er te zijner tijd ruimte voor een Engelstalige selectie uit het materiaal, gericht op een breder publiek. Ook een facsimile-uitgave van Einsteins belangrijkste artikelen acht hij gewenst, ""voor fysici die niet direct alle negenentwintig delen in de kast willen zetten'. De vraag is echter of de uitgever ervoor te porren valt.

MERCURIUS

Nog altijd komt er onbekend materiaal boven water. Kox: ""We schrijven kleinkinderen van Einsteins collega's aan in de hoop dat ze op zolder toch nog iets vinden. Soms levert dat wat op. Een paar jaar geleden wisten we beslag te leggen op aantekeningen uit 1913 met berekeningen van Einstein aan de baan van de planeet Mercurius, zeer interessant in het licht van de ontstaansgeschiedenis van de Algemene Relativiteitstheorie.' De alom geprezen studie van Abraham Pais uit 1982 zal, zo meent Kox, zo snel niet meer worden overgedaan. ""Er is wel kritiek mogelijk, hier en daar is Pais te beperkt of niet helemaal correct, maar hij combineert vakkennis, een persoonlijke band met Einstein en ook nog een lucide stijl, en wie kan dat hem nadoen? Wellicht dat er na voltooiing van The Collected Papers ruimte is voor een nieuwe wetenschappelijke biografie.'

Bij het doorwerken van de correspondentie bleek Kox dat Einstein zo wereldvreemd nog niet was. ""Toen hij in Praag zat, heeft hij een aanbieding uit Utrecht handig aangegrepen om de gewenste aanstelling in Zürich er snel door te drukken.' De episode valt aan de hand van deel 5 van The Collected Papers fraai te reconstrueren. In 1911, toen zijn positie aan de universiteit van Zürich geen perspectief meer bood, aanvaardde Einstein een hoogleraarschap aan de Duitse universiteit van Praag. Maar hij kon slecht aarden in de stad van Kafka en Max Brod, en zijn Servische vrouw Mileva Maric nog minder. ""De lucht vol roet, het water levensgevaarlijk, de mensen oppervlakkig en grof, zij het in het algemeen goedmoedig', schreef hij Hans Tanner op 21 april 1911. Einstein miste zijn studenten in Zürich en wilde graag terug.

Toen, op 20 augustus 1911, meldde zich de Utrechtse hoogleraar Willem Julius met het verzoek of Einstein in die stad hoogleraar wilde worden. Terwijl de briefwisseling met Julius gaande is, wendt Einstein zich tot zijn vriend en collega Heinrich Zangger in Zürich. ""De zaak komt me aanlokkelijk voor', schrijft hij. ""Kamerlingh Onnes en Lorentz in de buurt; Julius als collega. (...) Meent u dat er in Zürich zo snel een beslissing kan komen? (...) Maar dat ik met licht gemoed het halfbarbaarse Praag achter me laat, dat is zeker.'

Zangger beveelt Einstein vervolgens bij de Eidgenossische Technische Hochschule aan en de bezwaren die tegen een benoeming aan de ETH zijn ingebracht worden ingetrokken. Einstein aan Alfred en Clara Stern, 2 februari 1912: ""Twee dagen geleden werd ik (halleluja!) aan het Polytechnicum in Zürich benoemd.' Julius krijgt hiervan bericht en kort daarop ook Lorentz, die hem had gepolst als zijn opvolger in Leiden. ""Ik schrok me dood toen Leiden mij vroeg', bekende Einstein tegenover Paul Ehrenfest. Maar tegelijk ging het hem aan het hart: Lorentz was voor hem een soort vader. Uit een brief aan Jakob Laub: ""Ik kan wel zeggen dat ik van hem houd.'

DUBBELE NICHT

Waren het in deel 1 van The Collected Papers vooral de liefdesbrieven aan Mileva Maric die de aandacht trokken, met inbegrip van verhitte (en deels onzinnige) discussies over Mileva's vermeende rol bij het tot stand komen van de relativiteitstheorie, onthullend in deel 5 zijn de brieven aan Elsa Löwenthal, Alberts (dubbele) nicht die hij kende uit zijn Duitse jeugd. Zij tonen ons de voortschrijdende desintegratie van Einsteins eerste huwelijk, een pijnlijk proces dat niet toevallig samenviel met de aanloop naar het tweede: dat met Elsa.

Einstein begint de briefwisseling in het voorjaar van 1912, kort nadat hij zijn nicht in Berlijn heeft opgezocht. Zonneklaar blijkt hoe Albert zijn "Miza' in de nadagen van hun relatie bedroog en tegenover Elsa op haar afgaf. ""De zuurste zuurmuil uit de geschiedenis', noemt hij de moeder van zijn twee zoons, ""een getourmenteerd schepsel' dat ""andermans levensplezier alleen al door haar aanwezigheid vergalt'. En: ""Geen wonder dat onder deze omstandigheden de liefde voor de wetenschap gedijt, liefde die me uit het tranendal opheft naar rustiger sferen, liefde die onpersoonlijk is en vrij van gescheld en gejammer.'

Nathan heeft zich met hand en tand tegen publikatie van de brieven aan Mileva en Elsa verzet. Ze passen dan ook niet in de mythe. Kox echter kan maar moeilijk begrijpen wat er zo erg is aan die correspondentie: ""Einstein was een mens van vlees en bloed, en niet een heilige of een "schalenloses Ei', om zijn eigen woorden te gebruiken. De brieven betekenen een verrijking van het bestaande beeld. Niet alleen als wetenschapper, ook als mens was Einstein markant.'

Van Einsteins (Europese) privéleven was tot nu toe weinig bekend. Roger Highfield en Paul Carter, auteurs van de bestseller The arrow of time, hebben met hun The Private Lives of Albert Einstein in deze leemte willen voorzien. Met Einsteins beide huwelijken was, zo blijkt, het nodige mis. Het contact met zijn beide zoons verliep, zeker na de scheiding met Mileva, stroef. De jongste zou in een inrichting eindigen, zonder dat zijn vader veel naar hem omzag. Ook moest Elsa, die in Berlijn als een soort manager optrad en haar beroemde echtgenoot voor de buitenwereld afschermde, toezien hoe Albert haar bedroog.

Einstein was zich welbewust van zijn tekortkomingen als echtgenoot. Uit een brief aan Besso's zoon en zuster, na het overlijden van zijn oude studiekameraad en boezemvriend: ""Wat ik het meest in hem (Besso) als mens bewonderde was zijn vermogen niet alleen in vrede, maar zelfs in harmonie met een vrouw te leven - iets waarin ik tweemaal jammerlijk heb gefaald.'

Highfield en Carter hebben zich uitstekend gedocumenteerd. Maar het heeft natuurlijk iets merkwaardigs vrijwel uitsluitend over echtelijke twisten te worden geïnformeerd. Alsof Einstein daarom beroemd geworden is! De Britten hadden een voorbeeld kunnen nemen aan de Schrödinger-biografie van Walter Moore uit 1989. Die gaat eveneens uitvoerig in op het onalledaagse privé-leven van zijn hoofdpersoon, maar zonder een moment zijn loopbaan als fysicus uit het oog te verliezen. Bij Highfield en Carter is het een vingerhoed fysica in een badkuip vol familiemisère. De Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, waarbij het auteursrecht berust, lijkt evenmin gelukkig met The Private Lives: een aantal brieffragmenten, met name over het contact tussen Einstein en zijn twee zoons, is uit de drukproef geschrapt.

GEMAKZUCHT

De andere Britse bijdrage, het boek Einstein: A Life in Science, is daarentegen een ouderwetse hagiografie. Michael White en John Gribbin tekenen om beurten voor meer persoonlijk getinte en wetenschappelijk georiënteerde hoofdstukken, net zoals ze dat eerder bij Stephen Hawking deden. Die aanpak levert een helder gestructureerd boek op, waarin Einsteins fysica op voorbeeldige wijze aan de man wordt gebracht. Maar het boek ademt gemakzucht als het gaat om de historische analyse. Zo zouden de zonsverduisteringsexpedities van 1919 de Algemene Relativiteitstheorie exact hebben bevestigd, een aperte onjuistheid. Alles duidt erop dat White en Gribbin de Einstein-archieven nimmer hebben geraadpleegd. Waar Elsa bij Highfield en Carter een discutabele hoofdrol speelt, komt zij bij White en Gribbin in het stuk nauwelijks voor - en wat er staat is mis.

""Dank zij The Collected Papers of Albert Einstein', aldus Kox, ""zijn we niet langer afhankelijk van de keuzes en interpretaties van de biograaf.' Bladeren we tot slot alvast in die prachtserie vooruit. Wanneer Einstein zich op 30 oktober 1915 tegenover zijn zoon Hans Albert beklaagt over de liefdeloze toon van diens laatste brief, is het goed het desbetreffende correspondentiedeel (gepland voor 1995) erbij te pakken. Dan zien we de meester tezelfdertijd als een bezetene aan de verbeterde versie van zijn Algemene Relativiteitstheorie werken. En valt ons oog op een brief aan Michele Besso van 10 december van dat memorabele jaar: ""Zufrieden aber ziemlich kaputt.'

    • Dirk van Delft