De hulpverlener; Kinderen op hun fietsje bleken kapot van verdriet

Komende maandag, 4 oktober, is het een jaar geleden dat een vrachtvliegtuig van de Israelische maatschappij El Al neerstortte in de Amsterdamse Bijlmermeer. Het toestel, dat zich om twee minuten voor half zeven 's avonds in de flatgebouwen Klein Kruitberg en Groeneveen boorde, maakte 43 dodelijke slachtoffers. De gemeente stelde dit officiële dodental pas twee maanden later vast. Vlak na de ramp werd gevreesd voor zeker tweehonderd doden.

De Boeing 474 van El Al vernietigde 230 appartementen. Klein Kruitberg is geheel en Groeneveen is gedeeltelijk gesloopt. Voor 430 huishoudens is andere woonruimte gezocht.

Morgen wordt de vliegramp op verschillende plaatsen herdacht. Hoogtepunt moet een herdenkingstocht worden die omstreeks 17.45 uur vertrekt bij metrostation Kraaienest en zal eindigen bij het monument voor de ramp.

In de nacht van de ramp had hij wel de neiging. Maar uiteindelijk is J. Dettmeyer (47) pas de volgende dag naar de Bijlmersporthal gegaan. “Als je daar ongecoördineerd over elkaar heen loopt te struikelen heeft het natuurlijk ook geen zin.” Als "regiomanager' -“ja sorry hoor”- van het maatschappelijk werk en gezinszorging in de Bijlmermeer was Dettmeyer nauw betrokken bij de hulp aan de slachtoffers van de vliegtuigramp. Eigenlijk is hij dat nog steeds. “Het is absoluut niet zo dat mensen nu bij bosjes psychisch gestoord door de Bijlmer lopen. Maar zeker nu die herdenking eraan zit te komen zie je toch weer een stijging van het aantal mensen dat hulp zoekt.”

xpIn de eerste hectische week van de opvang in de Bijlmersporthal fungeerden Dettmeyer en zijn medewerkers als "een soort smeerolie' tussen alle verschillende diensten. Ze begeleidden mensen langs de kraampjes van herhuisvesting en de sociale dienst die bij de basketbalkorven waren ingericht. Ze poogden wat orde te brengen in de wirwar van vrijwilligers die met pannen macaroni, stapels kleren en troostende woorden over de strepen van het basketbalveld zwermden.

Na een dag besloot Dettmeyer om in één van de hoeken een specifieke opvang voor kinderen in te richten. “We ontdekten dat er overal kinderen rondzwierven. Veel ouders waren door de schok niet aanspreekbaar. Er waren ook kinderen die hun ouders verloren hadden.” Volgens een medewerkster ging het om ongeveer veertig kinderen die direct door de ramp waren getroffen. De eerste paar dagen waren de kinderen heel rustig. Ze reden op kleine fietsjes door de zaal of speelden met de massaal aangevoerde poppen en blokkendozen. “Maar plotseling werden ze agressief. Ze begonnen het speelgoed letterlijk af te breken. Ik werk al heel lang met kinderen. Maar zoiets had ik nog nooit gezien.”

bpNa een week sporthal werd besloten om de hulpverlening te decentaliseren. Inmiddels was ook de eerste verdeeldheid onstaan. De Surinaamse organisatie Kwakoe klaagde dat er teveel op een "witte' manier werd hulpverleend. “Mensen hebben troost nodig vanuit hun eigen cultuur”, zei directeur Guno Bakboord. “Het gaat erom het verdriet niet weg te kroppen zoals die Nederlanders doen.” Al snel kwamen er ook klachten van de Antilliaanse gemeenschap. De Surinamers zouden het rouwproces naar zich toe te trekken. Het verwijt werd er niet minder op toen bleek dat er in de Surinaamse gemeenschap slechts vier dodelijke slachtoffers waren. Maar ook tussen en binnen de Antilliaanse en Ghanese organisaties bestond verdeeldheid. Zo lukte het de Antilliaanse hulpverleningsstichting Forsa pas zes maanden na de ramp om een coördinator aan te wijzen voor de nazorg van de slachtoffers.

Was het verwijt van een "witte' hulpverlening terecht? “Ik denk dat het waar is dat mensen uit andere culturen zich anders ontladen”, zegt Dettmeyer. Maar achteraf denkt hij niet dat er werkelijk problemen waren. Opvallend is wel hoe hij sinds de ramp te maken heeft met een enorme stijging van de schuldenproblematiek. “Ik denk dat het een reactie is van: morgen kan er een vliegtuig op m'n kop vallen, waarom geef ik het dan vandaag niet uit? En geef de mensen eens ongelijk.”