Aliyev is de laatste hoop van Azerbajdzjan

In het door oorlog en een ineenstorting van de economie geteisterde Azerbajdzjan wordt morgen Haydar Aliyev, voormalig topcommunist, gekozen tot president. Er zijn weliswaar twee tegenkandidaten, Kerar Abilov van de Verenigde Azerbajdzjaanse Partij en de ondernemer Zakir Tagiyev, maar of ze samen meer dan tien procent van de stemmen krijgen valt te betwijfelen.

BAKU, 2 OKT. Ferhat Badalbeyli, directeur van het staatsconservatorium in Baku, schenkt rode champagne. Niet dat er veel te vieren valt in Azerbajdzjan, maar toch ziet hij de toekomst niet zo somber in. “Haydar Aliyev, de nieuwe leider, is geen democraat, maar hij stelt ons wel in staat om orde op zaken te stellen. Zijn voorganger, Abulfez Elçibey, heeft Azerbajdzjan in een isolement gebracht. Dat is funest gebleken voor het politieke en economische klimaat, voor de cultuur en voor het onderwijs. Veel musici en intellectuelen zijn uitgeweken naar Duitsland en Turkije.”

Badalbeyli zal Baku zelf nooit verlaten, daarvoor is hij teveel vergroeid met de stad. In zijn flat in het centrum staan zware Roemeense meubelen en een zwartgelakte Zimmermann-piano. In de entree beneden ligt het huisvuil slordig opgetast en in het trappenportaal stinkt het naar kattepis. De lampen doen het al maanden niet meer, “gestolen door vandalen”, zegt zijn moeder.

Baku, gelegen aan de Kaspische Zee, is nog steeds een mooie stad. Rijk aan architectuur, met brede straten, monumentale gebouwen en borstbeelden van beroemde schrijvers. Maar de internationale allure van Baku - door de aanwezigheid van Russen, joden, Armeniërs, die in het begin van de eeuw op de rijke oliebronnen afkwamen, en Azeri - is vrijwel verdwenen. De oorlog om Nagorny Karabach, het nachtelijk uitgaansverbod en de snel verslechterende economie eisen hun tol: een grauw provincialisme domineert. De twee miljoen inwoners bezoeken zelden nog de opera, eten nauwelijks nog buiten de deur, slenteren niet langer in de zon en zitten vrijwel nooit op een terras. Slechts op drie, vier punten in de stad wordt onder verschoten parasols thee met citroen geserveerd. Hier ontmoeten de mannen elkaar die geen werk hebben, maar die ook de moed niet kunnen opbrengen om naar het front te gaan, terwijl vrouwen de winkels aflopen, waar het personeel net zo min als in de tijd van het communisme geïntereseerd is in de klanten. Stinkende auto's van Sovjet-makelij kronkelen gedisciplineerd door de straten.

De Azeri hebben het druk met overleven. Het leven is schrikbarend duur geworden. Het gemiddelde maandinkomen ligt rond de 20 dollar, terwijl de inflatie voortholt: 1500 procent op jaarbasis. Levensmiddelen zijn niet alleen schaars maar ook onbetaalbaar. Azerbajdzjan is schatrijk aan olie, druiven en katoen, maar de economie staat op instorten. Ruim twee jaar na het uiteenroepen van de onafhankelijkheid op 31 augustus 1991 werkt vrijwel niets meer. De bevolking geeft de schuld aan Elçibey, de leider van het Volksfront, die in juni vorig jaar tot president van het nieuwe Azerbajdzjan werd gekozen. Deze lange, dunne man met zijn zout-en-peper-kleurige baard, felle ogen en intellectuele uitstraling vertegenwoordigde het nieuwe nationaal-democratische elan, de zo felbegeerde breuk met het communistische regime in Moskou dat ruim zeventig jaar lang deze Turkssprekende, seculiere moslimstaat in zijn greep heeft gehouden en economisch heeft uitgemolken. Mustakil Azerbajcan, onafhankelijk Azerbeidzjan, zo luidde de toverformule. Van het GOS wilde men in Baku niets weten, van Moskou evenmin.

De Turken fungeerden als de nieuwe raadgevers. Elçibey geloofde heilig in hechtere banden met Ankara, waarmee Baku zich traditioneel sterk verbonden voelt. De president kuste dan ook emotioneel de Turkse aarde toen zijn vliegtuig voor het eerst Ankara aandeed. “Dat werd in Moskou niet erg gewaardeerd”, zegt de tweede man van de Russische ambassade in Baku, Gennadi Konenko. “Al hebben we de deur steeds opengehouden. Bovendien is het niet zo eenvoudig om in één keer een streep te halen door zeventig jaar van geïntegreerde economie.”

Turkije bood Elçibey evenwel nauwelijks boter bij de vis. Het kampt zelf met een chronische inflatie en beschikt niet over voldoende financiële middelen om Azerbajdzjan bij te staan. “Elçibey liet zich wel van advies dienen door de Turken”, zegt een journalist van de onafhankelijke krant Ayna (Spiegel), “maar hij beschikte nauwelijks over kader en zag ook niet in dat de structuur van het Sovjet-rijk weliswaar was gewijzigd, maar dat er wel degelijk moet worden samengewerkt door de nieuwe republieken.”

Turkse diplomaten wijzen op de krachtige Russische cultuur in Azerbajdzjan. In het buurland Georgië wordt nauwelijks nog Russisch gesproken, iedereen communiceert in het Georgisch, maar dat is in Azerbeidzjan niet het geval. Veel Azeri zien het Azerbajdzjaans nog steeds als hun tweede taal. Ze drukken zich een stuk beter in het Russisch uit.

Badalbeyli geeft toe dat de Azeri van nature geen fanatieke patriotten zijn. “Ik voelde me in het begin ook door de ideeën van Elbeys Volksfront aangesproken, vooral wat betreft het streven om de democratie in te voeren, maar ik ben al vrij snel weer afgehaakt. Dat blindstaren op de onafhankelijksgedachte ging me irriteren, het is een teken van onvolwassenheid. Ik zie het als een complex van een natie in wording.”

De ruggeraat van het nationaal-democratische elan en de politieke carrière van Elçibey, is echter voor alles gebroken door de nu al vijf jaar durende oorlog om Nagorny Karabach, een enclave in Azerbajdzjan die voornamelijke door Armeniërs wordt bewoond. De Armeense opmars heeft zich inmiddels uitgebreid tot een kleine 20 procent van het Azerbajzjaanse grondgebied. Volgens Azad Isazade, woordvoerder van het ministerie van defensie, hebben de Armeniërs 724 steden, dorpen en gehuchten in de districten Lacin, Kelbecer, Agdam, Fuzuli, Cabrayil en Qubadli veroverd.

De opstand vanuit het leger in de stad Gençe verdreef Elçibey in juni uit Baku. Ibrahim Ibrahimli, waarnemend leider van het Volksfront, houdt vol dat het vertrek was bedoeld om bloedvergieten te verkomen, maar de bevolking interpreteert het anders: “Als er zich dramatische ontwikkelingen in een gezin voordoen en de vader wegloopt, twijfel je aan zijn integriteit”, zegt een vrouw die elke dag het graf bezoekt van haar vorig jaar in de oorlog omgekomen zoon Elchin. Net als vele honderden andere martelaren ligt hij begraven in het park tegenover het parlementsgebouw in Baku.

De schuld van de verliezen wordt niet alleen op het conto van Elçibey geschreven. Azerbajdzjan beschikt nauwelijks over militair kader en geavanceerd materieel om zich te verdedigen en van een écht leger is nog steeds geen sprake. Na de uitroeping van de onafhankelijkheid werd geen enkele haast gemaakt met de vorming van een geregeld leger. Maar één op de tien Azerbajdzjaanse soldaten die toen in Nagorny Karabach vochten had een wapen. Er werd vooral gebruikt gemaakt van mortieren die alleen maar geschikt zijn voor trainingsdoeleinden. Mafiabazen vulden dit vacuüm op door met eigen legergroepjes naar het front te trekken, wat het Azerbajdzjaanse verzet verder verzwakte. Bovendien vernielden de Russische militairen tijdens hun aftocht uit Azerbajdzjan in 1992 nogal wat tanks en ander militair materieel. De aanvankelijke overwinningen in Nagorny Karabach moesten worden betaald met hoge verliezen onder de militairen, grote aantallen deserteurs en veel vluchtelingen.

De Armeense milities zijn nu vrijwel tot aan de Iraanse grens opgetrokken. Van een frontlijn is nauwelijks sprake. Azerbajdzjaanse militairen met kalasjnikovs uit 1960 bewaken in groepjes van 25 enkele posten, terwijl de Armeniërs aan de andere kant van de vallei liggen, “wèl voorzien van modern wapentuig", aldus de luitenant-kolonel die de brigade bij het dorpje Ahmetbeyli aanvoert. Hij is opgeleid in het Rode Leger en spreekt nauwelijks Azerbajdzjaans. Zijn tweede man zegt dat in één maand 81 Azeri zijn gedood, 200 gewond en 129 worden vermist. Dat laatste is een eufemisme voor deserteurs.

Honderduizenden vluchtelingen bivakkeren veelal met hun vee en huisraad langs de weg. Volgens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR zijn er 891.000 vluchtelingen: één op elke zeven Azeri heeft geen dak boven zijn hoofd. “De machtige lobby van de Armeniërs in Frankrijk en de VS speelt de Azeri parten”, meent een Westerse diplomaat in Baku. “De wereld heeft nog steeds het idee dat het hier om arme christenen tegenover moordlustige moslims gaat. Maar Azerbajdzjan is een seculiere staat, waar het geloof nauwelijks een rol speelt. Mensen gaan niet naar de moskee; ze weten nauwelijks waneer de religieuze feestdagen worden gevierd en ze drinken zonder zich daarover schuldig te voelen.”

Eliewa Tunzali verliet bijna twee maanden geleden met haar drie kinderen, een paard en wagen en wat huisraad haar dorp bij Cebrayil. Haar man vecht aan het front. Een tent of een ander onderkomen hebben ze niet. Samen met andere families bivakkeren ze langs de weg bij het dorpje Achmetbeyli. “Ons eten is bijna op”, zegt ze, “onze spullen zijn kletsnat geregend.” Ze zijn maar gaan schuilen onder de paardekar.

De Iraanse Rode Halve Maan is begonnen met een hulpoperatie voor 100.000 vluchtelingen, die in kampen verspreid langs de grens in Azerbajdzjan worden opgezet. De eerste 2000 tenten bij Bahramtepe, niet ver van Imisli, staan al overeind. De wegen zijn nog niet aangelegd, maar er wonen al duizend families, die zijn voorzien van eten voor een maand, kleding, een lamp en kerosine. Een kooktoestel volgt, evenals wellicht een kachel. “En één koelkast per twee tenten”, zeggen Guliyev Risvan en zijn vrouw Amina Shivanli hoopvol. Ook zij zijn afkomstig uit Cebrayil en hebben tot nu in een bos gebivakkerd. “De Iraniërs zijn de enigen die ons helpen”, zegt een vrouw dankbaar. Het wil er bij haar niet in dat de islamitische republiek met deze humanitaire hulpoperatie tevens een politieke boodschap afgeeft.

Hun hoop is Haydar Aliyev, de nieuwe politieke leider van Azerbajdzjan, die morgen tot president wordt gekozen. Hij is de enige die nog in staat wordt geacht om de oorlog met de Armeniërs te beëindigen. Aliyev heeft Azerbajdzjan inmiddels al weer teruggevoerd in het GOS en er bij Moskou op aangedrongen de druk op Armenië op te voeren. Hij was lang de leider van de communistische partij in Azerbajzjan en lid van het Sovjet-politburo van Leonid Brezjnev. Dat maakt hem niet tot een boezemvriend van Jeltsin, maar hij heeft genoeg invloed om in Moskou de kwestie Nagorny Karabach dwingend onder de aandacht te brengen.

Volksfront-leider Ibrahimli heeft geen enkel vertrouwen in de democratische bedoelingen van Aliyev. “Alle anti-democratische methoden van vroeger worden nu weer uit de kast gehaald. De publieke opinie wordt bespeeld met verhalen over hoe slecht het wel niet was onder het Volksfront. Onze partijkantoren zijn van het water- en lichtnet afgesneden. Duizend partijaanhangers zijn gearresteerd en er is censuur.” De musicus Badalbeyli heeft meer vertrouwen: “Ik hoop dat Aliyev tijdelijk aan de macht blijft, dat hij de economie herstelt en de oorlog beëindigt. Daarna kunnen we ons weer bezighouden met de democratie.”