Vier pseudoniemen op zoek naar een auteur; Hugo Brandt Corstius, de vader van Maaike, Piet, Battus en Talisman

Achter een veelvoud aan pseudoniemen - Piet Grijs, Maaike Helder, Talisman, Battus en vele andere - gaat één schrijver schuil. De pseudoniemen hebben met z'n allen aan zjn inmiddels omvangrijke oeuvre gewerkt. Wie is die schrijver? Wat bezielt hem? Waarom is hij zo geobsedeerd door taal?

Piet Grijs: Schuld en boete. 134 blz. Prijs: ƒ 25,-

Maaike Helder: Onbewolkt. 105 blz. Prijs: ƒ 25,-

Talismania. 91 blz. Prijs: ƒ 25,-

Battus: Letterkunst. 167 blz. Prijs: ƒ 25,-

Alle titels verschijnen bij uitgeverij Querido.

“Iedere schrijver schrijft onophoudelijk over zichzelf.” Een uitspraak van Hugo Brandt Corstius, een schrijver die onophoudelijk over anderen schrijft, en vrijwel nooit als zichzelf. Directe aanleiding voor zijn bespiegeling zijn de romans van Jan Wolkers, maar Hugo Brandt Corstius zou Battus niet zijn als hij met dat zinnetje niet ook een knipoog naar de lezers geeft. Wat voor Wolkers geldt, gaat ook voor hemzelf op. Deze schrijver, zo luidt de boodschap, mag zichzelf opgesplitst hebben in nog zoveel alter ego's, die maar geen genoeg krijgen van het verstoppertje spelen, zijn schrijverschap lijkt misschien versnipperd in een paar duizend krantestukjes, maar al die tijd heeft hij onophoudelijk aan een persoonlijk oeuvre geschreven.

Die boodschap wordt iets minder subtiel herhaald in de vier, zojuist verschenen boeken met gebundelde stukken uit De Volkskrant, NRC Handelsblad en Vrij Nederland. Aan de inhoud van ieder deeltje gaat een trotse lijst vooraf waarin het werk van Brandt Corstius staat gerangschikt onder tien verschillende auteursnamen. Als ik me niet vergis, is het de eerste keer dat Brandt Corstius zichzelf zo nadrukkelijk als de vader van hen allen presenteert.

Iets vetter wordt er naar de lezer geknipoogd in de vormgeving van de boeken. Wie ze alle vier koopt en er wat mee legpuzzelt, ziet ze op de omslagen verbonden door één groot, aansluitend spinneweb. Piet Grijs, Maaike Helder, Battus en Talisman, hun namen hangen er in het geheel wat verloren bij, als gevangen vliegjes die wachten op een grote spin. Het is duidelijk: hier zijn vier pseudoniemen wanhopig op zoek naar een en dezelfde auteur. Kortom, door vier boeken tegelijk te publiceren, vier schuilnamen tegelijk van stal te halen en ze losmakelijk met elkaar en zijn eigen gezicht (viervoudig afgebeeld op bijbehorende display en affiches in de boekhandel) te verbinden, dwingt Brandt Corstius zijn lezers meteen de hamvraag te stellen. Dat de schrijver zich beweegt wordt jaar in jaar uit duidelijk gemaakt aan iedere Nederlander die wel eens een krant of opinieweekblad leest, maar wat beweegt de schrijver? Over wie heeft Brandt Corstius al die jaren onophoudelijk geschreven? Wat is de literaire zin van dat spel van de pseudoniemen, de literaire waarde van dat aanhoudende geknipoog naar de lezer?

Hugo Brandt Corstius heeft de P.C. Hooftprijs gewonnen. Daarna kan er nog een keer een straat naar je worden genoemd en trekt een fonds misschien nog eens een ton uit om een biografie over je te laten schrijven, die eerst maar niet afkomt en dan uiteindelijk onleesbaar blijkt - maar dan heb je het als Nederlands schrijver wel gehad. Ik heb het altijd wat vreemd gevonden dat aan een schrijver die men algemeen zo belangrijk vindt als Brandt Corstius, zo weinig aandacht wordt besteed. Behalve een essay van Carel Peeters in zijn bundel Hollandse pretenties kan ik me geen artikel over zijn werk voor de geest halen. Nog nooit heb ik een mooi gefilmd portret van hem op televisie gezien, waarin hij langs de branding van de Noordzee loopt en over zijn onvermijdelijke dood mijmert. In geen enkel weekblad ben ik ooit een profielschets van de schrijver tegengekomen. Nu schijnt Brandt Corstius zich tegen al die dingen met hand en tand te verzetten, maar hebben de media zich ooit laten tegenhouden door een schrijver?

Bloedhekel

Dat verzet hangt zonder twijfel samen met die schuilnamen, daar hoef je geen psycholoog voor te zijn. Des te opvallender is de knipoog die Brandt Corstius als Battus geeft in diezelfde column over Jan Wolkers, direct na de zin waarmee ik dit stuk begon: “Het is moeilijk, en misschien ook niet noodzakelijk, om je appreciatie voor de schrijfstijl te scheiden van je appreciatie voor de mens.” Het is wat moeizaam uitgedrukt, maar hij bedoelt waarschijnlijk dat het moeilijk is geen bloedhekel aan bijvoorbeeld de romans van Maarten 't Hart te hebben, wanneer je een bloedhekel aan Maarten 't Hart hebt. Persoon en werk zijn in het hoofd van de lezer moeilijk te scheiden. Brandt Corstius vindt dat kennelijk niet erg, maar doet tegelijkertijd krampachtig veel moeite ongrijpbaar te blijven.

Hoe apprecieer je een schrijver die zo nadrukkelijk aanwezig wil zijn en tegelijk zo duidelijk niet wil bestaan? Brandt Corstius is geen schrijver van het teruggetrokken soort, dat zich verre houdt van dagelijks gewoel - een man die het waard vindt om wekenlang met Jan Mulder over het woord neuken te polemiseren, kun je geen kluizenaar noemen. Die neiging om alomtegenwoordig en tegelijk onzichtbaar te zijn, lijkt me veelzeggend.

In dat essay over Brandt Corstius schrijft Carel Peeters: “Brandt Corstius kan zinnen schrijven die als vanzelf de neiging tot psychologiseren oproepen, iets wat men bij satirici zo lang mogelijk moet zien uit te stellen.” Een observatie waar Brandt Corstius het zelf opgelucht en dankbaar mee eens zal zijn, ook al lijkt Peeters dreigend te impliceren dat het handig is toch altijd een sofa achter de hand te hebben - voor het geval dat. De monomane verbetenheid waarmee hij als Piet Grijs de huidige Nederlandse politieke situatie telkens weer met de Nazi-periode gelijkstelt, de beweegredenen van een man om onophoudelijk over zichzelf te schrijven als een jonge alleenstaande vrouw (Maaike Helder) of als een economische emigré uit Rusland (Peter Malenkov) - psychologisch is dat ongelooflijk interessant, voor psychologen. Zolang deze schrijver binnen zijn boeken een jurk aantrekt, hebben zijn lezers in zijn leven niets te appreciëren. Maar hoeveel persoonlijkheid heeft zijn werk?

Ik ken geen andere Nederlandse schrijver die zo geobsedeerd is door vorm als Brandt Corstius. Die obsessie wordt door hem schaamteloos uitgeleefd, in het Opperlands, in de taalspelletjes van Talisman, in Battus-stukjes over vormbewuste schrijvers als Bordewijk en Kellendonk, in zijn algebraïsche benadering van literatuur, in de pseudo-socratische redeneringen waarmee Maaike Helder het vormeloze leven van alledag te lijf gaat (“Ik mag van witte kleren houden en toch ook van zwarte kleren houden. Ik mag van koeien houden en toch ook van biefstuk houden. Waarom, waarom mag ik dan niet van Julio houden en toch ook van Kees houden?”) De taal is voor hem meestal middel en doel tegelijk. “Taal is er niet om gedachten in te uiten, maar om gedachten over te uiten,” provoceert hij er als Battus in Letterkunst vrolijk op los. Vent is vorm, taal is man.

Kellendonk

Die bezetenheid komt deels voort uit ongenoegen over de blindheid van de Nederlandse lezer. Die heeft geen benul van vorm, en dus is Brandt Corstius vormgek. In een Battus-stuk over Frans Kellendonk, die de Anton Wachter-prijs en de Bordewijk-prijs kreeg, schrijft hij: “Vestdijk en Bordewijk zijn schrijvers die van de Engelse literatuur hielden, die van elkaars werk hielden, die over "gewone' mensen schreven en vooral: die wisten dat de vorm, van woorden en van zinnen, een bron van inspiratie en plezier kan zijn. Ze zijn door de Nederlandse lezer, die nu eenmaal niet op de vorm let, schandelijk verwaarloosd. Maar hun tijd zal komen. En dan zal het werk van Kellendonk met het hunne in één adem genoemd worden.”

Een bron van inspiratie en plezier. De Nederlandse lezer mag blind zijn voor de formele aspecten van een literaire tekst, en het is waar, de negentiende-eeuwse realistische "vertelkunst' beleeft weer hoogtijdagen, maar Brandt Corstius lijkt me blindgeslagen door de vorm. Als Battus toont hij zich een groot bewonderaar van Kellendonk, die hij in Letterkunst geniaal noemt, en gelijk heeft hij, maar hoe brengt hij die bewondering onder woorden? “Ik heb Kellendonk altijd een mysterieuze schrijver gevonden, met een miraculeuze beheersing van de Nederlandse zin.” Dat is mooi, en verder? Wat wilde Kellendonk met die miraculeuze beheersing van de Nederlandse zin bereiken? Battus: “Kellendonk had een tik van de roomse molen. Ach, een ander heeft een armoedige jeugd, of een incestueuze vader, of een revolutie die hem zijn land uitwerkt.” Als Brandt Corstius daarmee wil zeggen dat Kellendonk katholieke preoccupaties gebruikte om zijn eigen thema's tot literatuur te maken, dan kan ik dat begrijpen. Maar door die achteloze om-het-even-toon kan ik me moeilijk aan de indruk onttrekken dat hij toch veel meer om die miraculeuze zinnen van Kellendonk geeft dan om wat die ermee wilde zeggen. Als bewijs dat Kellendonk een geniaal schrijver is, weet Brandt Corstius dan eigenlijk ook alleen aan te voeren dat Andreas Burnier en Jeroen Brouwers hem niet geniaal vinden. Dat is net niet genoeg.

Wat hij niet lijkt te beseffen, is dat hij ondanks zijn goede bedoelingen Kellendonk kleiner maakt dan hij is, net zoals Nabokov kleiner wordt gemaakt door lezers en critici die slechts oog hebben voor zijn taal- en vormgrapjes. Over literaire critici zegt hij smalend: “Laten zij hun ontroering over zonsondergangen en zigeunermeisjes maar onder woorden trachten te brengen, dan zal ik wel tellen.”

In dat zinnetje verraadt Brandt Corstius waar hij bang voor is: het larmoyante sentiment, de onmachtige emotie. Maar een schrijver die alleen de vorm ziet, eindigt legpuzzelend aan de eettafel in de achterkamer - en daar kunnen we Brandt Corstius dan ook vaak vinden. Dat pakt goed uit in de oneindig speelse taalpuzzels van Talisman, die zijn wat ze willen zijn, namelijk een bron van inspiratie en plezier. Zijn literaire stijloefeningen waag ik echter iets minder belangwekkend te vinden dan hij zelf schijnt te doen. In deze stukken weigert het woord bij Brandt Corstius vlees te worden. Bijvoorbeeld, in het Battus-stukje "Passie en Adriaan', opgenomen in Letterkunst, laat hij op een grappige en overtuigende manier zien hoe de klank van de letters p en b een betekenis met zich meedragen, door ze consequent om te wisselen: de p suggereert pathos, pijnlijk en pijlscherp, de b laat zich associëren met bathos, braaf en bot. Daarmee toont Brandt Corstius aan dat klanken betekenis geven en dat ik deze zinnen veel gemener opgeschreven zou hebben wanneer ik Pas Heijne heette. Maar na een halve bundel vol van die briljante goocheltrucs wil je ook wel eens echte magie zien, de taal in actie. Anders gezegd, wanneer iemand aan een stuk door de soepelheid van een duikplank demonstreert, wil je hem ook wel eens van de hoge zien gaan. “Form is easy,” zoals Martin Amis zegt.

Onlogica

Zelf ziet Brandt Corstius zijn obsessie met taal het liefst in een stralend, existentieel-filosofisch licht. In Letterkunst schrijft hij als Battus: “De onlogica, de onsamenhangendheid, de onhandigheid van taal (-) heeft tot functie om ons aan te zetten tot logica, samenhang, handigheid.” Een mooi streven. Gelooft hij het zelf? Hebben zijn taalexercities tot functie hem aan te zetten tot het scheppen van orde? Als hij met die uitspraak zijn eigen fascinatie met de ordening van taal wil verklaren (wat hij in dat stukje vervolgens doet), dan kent Hugo Brandt Corstius Battus heel slecht. Als lezer moet je wel blind zijn om niet te zien dat hij tegelijk ook zwelgt in die onlogica, die onsamenhangendheid, de onhandigheid. De orde die Battus in zijn stukjes aan de taal oplegt is een schijnorde, het absurde resultaat van een stug volgehouden valse logica, die in laatste instantie veel meer ontregelt dan ordent. Sterker nog, Brandt Corstius ontregelt door te ordenen. Lettertellen, anagrammendrift, de frequentie van de letter k bij Bordewijk vaststellen, de a in alle woorden consequent door een o vervangen; de bezetenheid waarmee Brandt Corstius in die stukken te werk gaat, roept eerder het beeld op van een jongen die - weliswaar met pincet - de vleugels van een vlieg uittrekt, om te zien wat er dan gebeurt, dan dat van een man die keurig zijn volkstuintje staat aan te harken.

Je kunt zeggen dat Brandt Corstius de taal treitert. Net zo is hij er als Piet Grijs voortdurend op uit het algemeen aanvaarde beeld van de werkelijkheid onderuit te halen. Hoe bepalend die eigenschap is voor zijn schrijverschap, blijkt eigenlijk pas wanneer je de boeken van Maaike, Piet, Battus en Talisman achter elkaar leest. Er wordt wat afgejend in deze bundeltjes! Aan één stuk door wordt er getackeld, getergd, gesard, op de kast gejaagd, in de zeik gezet, uitgedaagd en uitgelachen. Slachtoffers worden bestookt, meestal met katapult en blaaspijl, soms met een hakbijl. Ik doe een snelle greep: Harry Mulisch, Carel Peeters, de opscheplepel, Andreas Burnier, de korte mannenbroek, achternamen, Aad Kosto, achternaren (ambtenaren die andere ambtenaren van hun werk houden), een anonieme gek in een café, Elco Brinkman, de letter B, Adolf Hitler, Bas Heijne, vlees van dieren, de nieuwe wereldorde, de nieuwe Grote Van Dale, Hollandse Nieuwe. Als je aan dit HBC-kwartet één indruk overhoudt, is het die van een man die met veel plezier bezig is het tapijt onder de werkelijkheid uit te trekken.

Vaak wordt een doelwit uitgezocht simpel en alleen omdat een pseudoniem zich dreigt te vervelen. Ook in die stukken gaat het eigenlijk alleen om taal, hoe het geschreven is. Wat telt is het vuurwerk, niet de brandwonden. Alleen iemand die balorig wil zijn, gaat in augustus klagen dat er zo weinig Nederlandse romans in Vrij Nederland worden besproken, de maand waarin er nauwelijks een Nederlandse boek verschijnt. De hele kwestie van Grijs contra Peeters, die indertijd bij wijze van spreken bijna tot vragen in de Kamer leidde en inmiddels volledig vergeten is, wordt in Schuld en boete door Brandt Corstius schmierend afgesloten met: “Ik heb alleen, met argumenten, gezegd dat ik de boekenbijlagen van de maand augustus 1991 onbehoorlijk inferieur vond. Die van 7 september was superieur.” Pfft. Dit soort stukken behoren tot de achterlijke folklore die tegenwoordig voor polemiek doorgaat.

Sierlijk

Echt hartstochtelijk wordt Brandt Corstius pas wanneer hij zich bemoeit met de Hollandse gemeen- en zelfgenoegzaamheid. Wanneer heel Nederland het over iets of iemand eens is, spitsen zijn oren zich. Met een saterachtig genoegen wijst hij op de afgesleten plekken en losse springveren van literaire meubelstukken als Mulisch, Reve en Hermans. Als Piet Grijs heeft hij een van de weinige tegenstemmen laten horen in het overenthousiaste koor van stemmen dat zich vóór de Golfoorlog uitsprak - een oorlog die inmiddels allang weer weggemoffeld is in het Nederlandse collectieve geheugen. Ook de zogenaamde redelijkheid van de in werkelijkheid door vals sentiment ingegeven lijst Kosto na de vliegramp in de Bijlmermeer geeft Grijs iets om zijn tanden in te zetten. In zijn eigen oorlog tegen wat iedereen vindt, treffen de meeste projectielen van Brandt Corstius doel. Daar komt bij dat zijn standpunten vaak echt dwars zijn en niet gespeeld dwars - het was niet gemakzuchtig om tegen de Golfoorlog te zijn. In die stukken krijg je iets van een persoonlijkheid te zien; een man die best van de hoge afdurft en nog heel sierlijk duikt ook. Bovendien blijkt Piet Grijs een lyrische kant te bezitten: het stuk over de tragische Engelse mathematicus Turing leest als een platonische liefdesverklaring en onder het kopje "Persoonlijk' zijn in Schuld en boete ook een paar mooie, verrassend intieme stukken opgenomen. Daarin staat Grijs' stijl, die ik maar rationeel-absurdistisch zal noemen, in dienst van zijn eigen ervaringen.

En, wonder boven wonder, het zigeunermeisje in hem zelf krijgt onverwacht ruim baan in de beste bundel van het kwartet, Onbewolkt, geschreven door zijn alter ego Maaike Helder. Maaike Helder staat op zichzelf. Ze becommentarieert de alledaagse wereld om haar heen, maar ze staat er los van. Net als haar auteur wil ook Maaike haar vormeloze omgeving aan een quasi-rationele orde onderwerpen, net als hij doet ook zij tegelijkertijd vreselijk haar best de dodelijke werkelijkheid te verstoren: “...het gebeurt mij vaak - nou ja: één keer per maand - dat ik vreselijke aandrang voel om te gaan schreeuwen. Er zijn onbekende mensen om me heen, en ik vraag me af: "Wat zouden ze doen als ik nu keihard ga gillen?' ”

Maaike is herkenbaar het produkt van een schrijver, opgebouwd uit woorden en zinnen, maar ze kan plotseling rond worden als een personage in een verhaal of roman. In Onbewolkt krijg je eindelijk een boek lang niet alleen de stijl van de schrijver te zien, maar ook zijn wereld - komisch, absurd, en, vooruit zigeunermeisje, soms vertederend. Samen met de onpersoonlijke Talisman is Maaike het nieuwste alter ego van Hugo Brandt Corstius. Dat belooft wat; van haar zal hij ongetwijfeld nog veel leren.