Stillevens zijn voor vrouwen; Essays over methoden in de kunstgeschiedenis

Marlite Halbertsma en Kitty Zijlmans (red.): Gezichtspunten. Een inleiding in de methoden van de kunstgeschiedenis. Uitg. SUN, 352 blz. Prijs ƒ 39,50.

Reflectie op het eigen vak is onder Nederlandse kunsthistorici altijd vrij zeldzaam geweest. Hier lijkt de laatste tijd enige verandering in te komen. Eind vorig jaar verscheen De Gouden Eeuw in perspectief, een bundel opstellen over "het beeld van de Nederlandse zeventiende-eeuwse schilderkunst in later tijd', kort geleden verscheen, onder redactie van Marlite Halbertsma en Kitty Zijlmans, de bundel Gezichtspunten. Een inleiding in de methoden van de kunstgeschiedenis, bestaande uit negen essays geschreven door zeven auteurs, onder wie twee niet-kunsthistorici. Is De Gouden Eeuw in perspectief overwegend historiografisch van aard, Gezichtspunten heeft voor een deel een filosofische inslag, omdat de medewerkers zich afvragen wat kunstgeschiedenis eigenlijk is, wat verbale uitingen over kunstwerken waard zijn, wat waarnemen impliceert en op welke gronden waarnemers hun oordelen vestigen.

Daarmee blijkt de verzameling problematische aangelegenheden geenszins uitgeput. Er wordt in dit boek heel wat overhoop gehaald, waarbij een grote openheid ten aanzien van andere wetenschappen opvalt en het belang van methodologie, theorie en theorievorming een geloofspunt vormt. Voor dit laatste zal niet iedereen warm lopen. Zelfs iemand als Gombrich pleegt er vrij schamper over te doen. In A lifelong interest zegt hij, niet geheel zonder koketterie, aan "common sense' voldoende te hebben, daaraan toevoegend dat hij niet over een vaste methode wenst te beschikken aangezien iedere vraag een eigen methode verlangt om tot een antwoord te komen. De meer puristisch ingestelde wetenschapper zal dit geen verheffend credo vinden. Het verbaast dan ook niet dat de beide redacteuren van Gezichtspunten belijden: “In ons geval (-) gaat de liefde voor het vak de liefde voor de kunst te boven.”

Met deze uitspraak beëindigen Halbertsma en Zijlmans het uitstekende eerste hoofdstuk waarin een aantal fundamentele kwesties wordt behandeld aangaande kunstwerk en context en tijd en visie. Aan kritische oordelen ontbreekt het in dit boek niet, maar sommige onderwerpen dwongen kennelijk meer welwillendheid af dan andere. Wat Halbertsma in de baaierd van opvattingen die door vrouwenstudies vooral vanuit Engeland en Amerika de wereld zijn ingestuurd, serieus neemt en wat niet, is niet altijd even duidelijk. Bepaalde onzin wordt als zodanig gesignaleerd, andere onzin zonder commentaar aanvaard. Ongehinderd passeert bijvoorbeeld Norman Brysons curieuze theorie over het stilleven en "feminine-space': het schilderen van stillevens is typisch iets voor vrouwen maar mannen hebben het eveneens gedaan. Gelukkig kan dat via Freud en Lacan worden verklaard als een mannelijke behoefte de wereld van de moeder te verkennen. Teneinde een totale identificatie te voorkomen - ten koste van de mannelijke identiteit - wordt het stilleven door twee bewerkingen weer in de viriele sfeer teruggebracht, namelijk door de keuze van bepaalde voorwerpen of door de keuze van een bepaald gezichtspunt. “Om het stilleven voor de mannelijke blik aanvaardbaar te maken, moet het zichzelf presenteren als iets anders dan het is, schrijft Bryson, als kunst, moraal, prestige, produktie, waardoor de mannelijke superioriteit wordt bevestigd.” Zulk proza onaangetast laten, kan zowel van zelfbeheersing als van instemming getuigen. Ik vrees dat er in dit geval sprake is van het laatste.

Frits Jozef Witteveen draagt een fraai stuk bij over marxistische kunstgeschiedenis. Net iets te veel houdt hij geheim dat de uitvoerig ter sprake gebrachte John Berger en Nicos Hadjinicolaou, populistisch èn populaire pennestrijders uit de jaren zeventig, vele malen over hun eigen ideologische fantastica zijn uitgegleden. Verhelderend is echter Witteveens afweging van de onvolkomenheden tegen de verworvenheden van de marxistische kunstgeschiedschrijving. Marxistische ideeën zijn ook, zij het meestal in verdunde vorm, in kringen van niet-gelovigen doordrongen. Maatschappelijk georiënteerde kunstgeschiedenis, waarin kunst beschouwd wordt als produkt van sociale, economische en politieke voorwaarden, wekt tegenwoordig alleen nog afschuw bij verstokte estheten en formalisten. Daarom bevreemdt het des te meer dat we niets vernemen over de jongste sociaal-economische benadering van de Nederlandse kunstgeschiedenis, zoals beoefend door onder anderen de econometrist John Michael Montias en de economisch-historicus Marten Jan Bok.

Semiotiek

De semiotische interpretatie van kunstwerken wordt behandeld door de veelzijdige Neerlandicus Arie Jan Gelderblom die onder meer bijzondere belangstelling heeft voor de relatie tussen woord en beeld. De argeloze lezer zal er vermoedelijk niet direct van doordrongen raken dat ook deze methode de mateloze honger naar betekenissen niet altijd weet te stillen, al ligt dat geenszins aan de ijver van de gemiddelde semioticus, die in ongeveer alles tekens ziet en de neiging vertoont elk teken op de een of andere manier te duiden. Het is juist dat onselectieve dat mij dikwijls hindert in semiotische vertogen. Overigens vind ik Gelderbloms bijdrage prachtig en een lust om te lezen, ook door zijn aardige voorbeelden en lichtvoetige redeneertrant die in deze tak, voorzover ik weet, ongewoon is.

In contrast hiermee staat het nogal zwaarwichtige hoofdstuk waarmee Kitty Zijlmans zich opwerpt als propagandist van de systeemtheorie van de Duitse socioloog Niklas Luhmann, met het doel die theorie toe te passen op kunstwerken. Al lezend kreeg ik af en toe het gevoel dat het bij deze theorie ten dele gaat om oude wijn in nieuwe zakken of om interessant aangeklede waarheden als koeien (“Kunst is een communicatie-categorie en is alleen cognitief kenbaar als erover wordt gecommuniceerd”). Luhmann beschouwt een kunstwerk als vertegenwoordiger van een standpunt binnen een artistieke discussie, in een specifieke situatie. Met die historische situatie is het werk onlosmakelijk verbonden. Dat haar leidsman zich distantieert van de notie dat een kunstwerk een weerspiegeling is van een tijdsperiode of van een mentaliteit, lijkt mij intussen niet zo opzienbarend. Dit soort hegelianisme werd reeds lang geleden, in zijn In search of cultural history, door Gombrich deskundig ondergraven.

Oriënteert Zijlmans zich dus op een sociologische theorie, Reindert Falkenburg pleit in zijn belangwekkende artikel over iconologie (dat wil zeggen over Panofsky en diens antagonisten en sympathisanten) nadrukkelijk voor een toenadering tot de historische antropologie, of beter: voor een verdere toenadering. Want hij noemt een aantal niet-antropologen dat zich reeds met wisselend succes van antropologische inzichten en methoden heeft bediend, zoals Jan Baptist Bedaux die als kunsthistoricus zelfs de sociobiologie niet schuwt, de historici Peter Burke en Simon Schama en de historicus en socioloog Herman Roodenburg.

De grondlegger van de iconologie, Aby Warburg, had als eerste vermeld kunnen worden. Zijn bestudering van kunst, honderd jaar geleden, was immers ook al in sterke mate antropologisch bepaald (Halbertsma wijst daar in een van haar bijdragen op). Daarnaast werden door iconologen op het gebied van de zeventiende-eeuwse Hollandse kunst in de afgelopen decennia de nodige antropologische gegevens verwerkt. Maar Falkenburg gaat hieraan voorbij, al erkent hij tenminste in één opzicht verwantschap tussen historisch-antropologen en iconologen van de oude Nederlandse schilderkunst. Die schuilt in de belangstelling voor het niet direct afleesbare, voor het triviale, het ogenschijnlijk onbeduidende in zaken van kunst en cultuur. Hier komt Falkenburg op de proppen met Burkes studie van Italiaanse portretten uit de renaissance, maar dat lijkt mij niet zo'n overtuigend voorbeeld, want hoewel Burke altijd leesbaar is, kan moeilijk worden beweerd dat hij over portretkunst veel nieuws heeft te vertellen. Een veel beter voorbeeld dat Falkenburg in dit verband noemt is Roodenburgs inventieve artikel over het handen schudden in de Republiek in de zeventiende en achttiende eeuw (gepubliceerd in Gebaren en lichaamshouding van de oudheid tot heden, Nijmegen 1993), omdat het zowel de overeenkomsten als verschillen met de iconologie duidelijk tot uitdrukking brengt.

Dat iconologie en historische antropologie veel aan elkaar kunnen hebben is een gezichtspunt dat ik graag met Falkenburg deel. En wat tenslotte het boek als geheel betreft, met enige relativering valt de strekking van de uitgeverstekst op de achterzijde wel te billijken: voor ieder die zich met het vak kunstgeschiedenis bezighoudt is deze publikatie inderdaad aanbevelenswaardig, al is het maar als discussiestuk.

    • E. de Jongh