Roodharige barbaren uit het zuiden; Contacten tussen de Japanse en Europese cultuur

In 1543 strandden drie Portugese kooplieden op de kust van Japan. Dat was het begin van contacten tussen Japan en Europa. Op een grote tentoonstelling in Berlijn is aan het bijeengebrachte porselein, de kamerschermen, wapens en Japanse Dada te zien hoe beide culturen elkaar beïnvloedden.

Japan und Europa, 1543-1929. Tentoonstelling in de Martin-Gropius-Bau in Berlijn. Tot 12 december. De gelijknamige catalogus is als paperback (40 DM) alleen verkrijgbaar in het museum; de gebonden versie in de boekhandel kost 68 DM.

Marco Polo had het ook maar van horen zeggen. Cipangu, dat was een fabelachtig rijk eiland, waar de vloeren en plafonds van de keizerlijke paleizen met goud waren bedekt en waar de parels voor het oprapen lagen. Deze en nog vele andere sprookjesachtige verhalen over Japan dicteerde Polo in 1295. Hij heeft er nooit een voet gezet, maar zijn vele malen gekopieerde en vertaalde relaas circuleerde in heel Europa.

Niet bekend

Columbus is tijdens zijn leven altijd blijven volhouden dat hij werkelijk een route naar Azië had ontdekt. Pas in 1543 strandden drie Portugese kooplieden op de echte kust van Japan. Daar begint de werkelijke geschiedenis van de contacten tussen Japan en Europa. Dat is dan ook het beginjaartal van de omvangrijke expositie Japan und Europa 1543-1929 in de Martin-Gropius-Bau in Berlijn. Japan und Europa staat in een traditie van rijke en veelzijdige exposities, georganiseerd in het kader van de Berliner Festwochen, die alle het contact tussen Europa en een buiteneuropees gebied tot onderwerp hebben. Ze behoren tot de duurste en omvangrijkste cultuurhistorische exposities in Europa. De twee imponerende voorgangers Europa und die Kaiser von China (1985) en Europa und der Orient, 800-1900 (1989) zijn er de directe voorlopers van. Ook nu weer brengt een overrompelend aantal objecten zelfs de meest geroutineerde tentoonstellingsbezoeker op de rand van de fysieke uitputting. De helft van de ruim 500 voorwerpen is afkomstig uit Japan, de andere helft uit vele musea en bibliotheken uit de rest van de wereld.

De opstelling is min of meer chronologisch en begint met een reeks grote nambam-kamerschermen in de middenhal. Op de panelen van deze hoge schermen zijn afbeeldingen aangebracht van Japanners en Portugezen. De laatsten, onveranderlijk gekleed in excessieve pofbroeken varen op hun grote schepen, lossen hun lading en wandelen op de kust, aangestaard door de Japanse bevolking. Een andere traditie van deze schermen baseert zich op Europese kaarten en prenten. Zo staan er schermen waarvan de panelen samen een enorme wereldkaart vormen, op andere zijn Europese steden of Europese bevolkingstypen te zien.

Als tegenhanger van dit Japanse beeld van het westen liggen er kaarten en reisbeschrijvingen die laten zien hoe de geografische kennis over Japan steeds sluitender en gedetailleerder werd. Dat blijft de rode draad op deze tentoonstelling: welke kennis bestond er over en weer en op welke manier hebben Europa en Japan elkaar artistiek beïnvloed.

Isolationisme

Het is een proces waarbij de wederzijdse nieuwgierigheid gefnuikt werd door het Japanse isolationisme. Aanvankelijk leek het uit te lopen op een open en vruchtbare uitwisseling. De Portugezen kregen toegang tot Japan en de missionarissen, jezuïeten, mochten hun werk doen. En zo overtuigden deze nanbanjin (roodharige barbaren uit het zuiden) de Japanners er met behulp van kaarten en globes van dat er behalve Japan, China en India nog meer op de wereld lag. En zo leerden diezelfde jezuïeten de Europeanen dat buiten de christelijke wereld een nog veel oudere wereld met een hoge niet christelijke beschaving bestond.

Een hoogtepunt van de ontdekking van Europa door Japan vond plaats in 1582. Vier jonge gekerstende Japanse edelen maakten een reis naar Europa. Ze trokken acht jaar rond, in Portugal, Italië en Spanje, waar ze de hoogste bezoeken aflegden, onder andere aan de paus. Dit allereerste bezoek van Japanners aan Europa baarde groot opzien. Ruim zeventig boeken en pamfletten zijn er over deze reis verschenen. Op een daarvan, een houtsnede, zien we vier keurig geklede heertjes die in niets afwijken van Europese leeftijdsgenoten. Wat moet er door die vier Japanse hoofden zijn gegaan toen ze in Vicenza in het nieuwe theater van Palladio een opvoering zagen van Sophocles' Oedipus Rex? Hoe moesten zij de betekenis doorgronden van dit gebouw dat ontworpen was volgens herontdekte principes van een al anderhalf millennium verdwenen cultuur? En waar een nog veel ouder en vertaald stuk werd gespeeld? Dertig jaar later kwamen er nogmaals Japanse gezanten naar Europa. Van een van hen is een Italiaans portret bewaard gebleven, het enige bekende levensechte Europese schilderij van een Japanner. Afbeeldingen van Japanners kwamen verder alleen maar voor in een gestandaardiseerde vorm die eindeloos gekopieerd werd in land-en reisbeschrijvingen en als randversiering van kaarten.

Toen deze Japanse gezant, die zich in Rome had laten bekeren, in 1620 in zijn land terugkeerde was het christendom verboden. De Japanse empirische bestudering van Europa werd in de kiem gesmoord. De shogun sloot in 1639 Japan af, beval de Portugezen het land te verlaten en stond, zoals bekend, alleen de Nederlanders toe om in Japan te verblijven. Zij kregen het kunstmatige eilandje Dejima toegewezen, een oppervlak van 60 bij 100 meter in de baai van Nagasaki. Op dat kleine terrein, vol woon- en pakhuizen leefden een handjevol Nederlandse kooplieden op elkaars lip. Vrijwillige gevangenen van de Japanners, met als enige afleiding de Japanse vrouwen die af en toe werden toegelaten, de hofreis naar Edo, voorbehouden aan de hoogsten in rang en de paar schepen van de Oostindische Compagnie die jaarlijks Dejima aandeden. Zij brachten er Chinese zijde en katoen uit India en namen koper, zilver,porselein, lakwerk en ook wel thee mee terug.

Botanie

De contacten tussen Japanners en Hollanders waren beperkt. De Europeanen mochten niet van het eiland af, behalve voor de jaarlijkse hofreis naar Edo, die drie maanden in beslag nam. Maar hoewel de wederzijdse informatie toch meer was dan officieel gewenst werd geacht, verliep het allemaal langzaam en stroef. Dejima was gedurende 220 jaar een soort dubbele informatietrechter. Informatie over Europa bereikte Japan via de Hollanders en omgekeerd sijpelde er ondanks het strenge verbod daarop, kennis over Japan naar buiten. Dat kon alleen gebeuren dank zij de nieuwgierigheid en volharding van enkelingen. Van Japanse zijde gold de belangstelling vooral de natuurwetenschappen en technische kennis, met name medicijnen en botanie. In Berlijn liggen vele voorbeelden van uit het Nederlands vertaalde Europese leerboeken over fysica, chemie, astronomie, ontleedkunde, plantkunde en zoölogie, alle geïllustreerd en soms toen al sterk verouderd. Dergelijke werken hebben Japanse kunstenaars die afbeeldingen voor wetenschappelijke boeken maakten diepgaand beïnvloed. De ontdekking, dat men los van compositorische overwegingen en eeuwenoude beeldtradities moest leren kijken en natuurgetrouw kon tekenen en schilderen, was een openbaring.

Messen en vorken

De Rangakusha, de Japanners die het Nederlands en de Europese wetenschappen bestudeerden, moeten een bezeten gezelschap hebben gevormd dat er naar gesnakt heeft om ooit een reis naar het westen te kunnen maken. Op een grote innemende tekening is te zien hoe ze in 1795 hun nieuwjaarsfeest vierden. Dat gebeurde in de school voor Hollandse wetenschappen te Edo. De formele Japanse voorstellingen roepen niet snel de associatie "genoegelijk' op, maar hier is dat zeker wel het geval. Het gezelschap zit op de grond aan een gedekte tafel met messen en vorken, op zichzelf al een curiositeit. Men schenkt behalve rijstwijn ook Europese wijn uit Europese glazen. De initiatiefnemer van dit maal was Otsuki Gentaku, een arts die ook het handboek voor de Rangaku had uitgegeven. Otsuki had bovendien een boek over de geneeskundige betekenis van de narwaltand, die voor de hoorn van een eenhoorn gehouden werd, uit het Nederlands vertaald. In het vertrek hangt dan ook een rolschildering met een narwal aan de muur. Bovendien valt het portret te onderscheiden van de Hollandse vertaler Hendrik Ulhorn die een Duits chirurgieboek in het Nederlands had vertaald. Deze Heelkundige Onderwijzingen werd vervolgens weer in het Japans vertaald.

Het monopolie van de Nederlanders bleef ook in de negentiende eeuw nog enkele decennia intact. Het werd verbroken onder de druk van andere landen die ook toegang wensten tot de Japanse markt. Toen de Amerikaanse commodore Perry in 1853 zijn schip een aantal schoten liet afvuren gaven de Japanners toe en eindigde de lange periode van de afsluiting. De Meiji-periode begon, de tijd van de 'verlichte regering'. In 1859 werd de haven van Yokohama geopend en van toen af aan verviel het belang van de trechter Dejima. De hele wereld had nu toegang en dat vond zijn neerslag in een uitwisseling op alle mogelijke gebieden, waarvan de tentoonstelling vooral de kunstsector toont: keramiek, prentkunst en schilderkunst. Een van de meest verrassende onderdelen is die waar Japanse schilderijen hangen gemaakt in Europese trant: Japanners die impressionistisch, futuristisch, expressionistisch of à la de Neue Sachlichkeit schilderden. Zelfs Dada drong door. Er liggen typografische hoogstandjes van het avant garde-tijdschrift MAVO uit de jaren twintig. Hier ligt dus Japanse onzin en voor wie geen Japans leest oogt dit als dubbel absurd.

De receptie van Japan in Europa tijdens de Hollandse periode is een ander verhaal. Er bestond niet zoiets als een Japans genootschap. De allereerste belangstelling gold de economische perspectieven en in verband daarmee de geografische aspecten van het land en de middelen van bestaan. Kaarten en globale landbeschrijvingen die nog op de informatie van de jezuïeten waren gebaseerd waren voor handen. Er kwam porselein naar Europa, lakwerk in alle soorten en maten, van kleine doosjes tot omvangrijke kabinetten en het dragen van een Japanse rok werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw een rage. Maar minstens zo interessant is de belangstelling voor botanie. Een aantal VOC-dienaren op Dejima muntte uit in het tekenen en beschrijven van de Japanse flora en fauna. Van hen liggen de boeken op de tentoonstelling. Na Marco Polo en na de verslagen van de jezuïeten zijn het deze enthousiaste vrijwillige onderzoekers geweest die Europa over Japan hebben ingelicht. Het tragische is dat ze veel meer gezien, gehoord, onderzocht, getekend en opgeschreven hebben dan bekend is geworden. Het is alsof er een doem op hun Japankennis heeft gelegen. Van drie personen is dat zeer te betreuren: van Engelbert Kaemfer, Isaac Titsingh en Hendrik Doeff, een Duitser en twee Nederlanders, die respectievelijk in de zeventiende, de achttiende en begin negentiende eeuw langere tijd op Dejima hebben gewoond. Alle drie hadden ze meer dan gewone belangstelling voor de Japanse cultuur en alle drie beschikten ze over een netwerk van Japanse relaties en hebben ze uitvoerige aantekeningen gemaakt. Door tijdgebrek heeft Kaempfer ze nooit kunnen uitwerken. Wel verscheen zijn beschrijving van Japan posthuum, een werk dat de hele achttiende eeuw en nog decennia van de negentiende de hoofdbron voor Japanonderzoek is gebleven. Maar het gros van zijn aantekingen belandde in het British Museum, waar het nog steeds op publicatie wacht. Het standaardwerk dat Isaac Titsingh in portefeuille had is door de besluiteloosheid van het Koninklijke Nederlands Instituut van Wetenschappen nooit verschenen. Hendrik Doeff ten slotte, van 1799 tot 1817 op Dejima gestationeerd en ook een ijverig onderzoeker verloor al zijn materiaal op de terugweg naar het vaderland.

Japan und Europa is door zijn omvang en veelzijdigheid zeker de moeite waard. Er is een grote hoeveelheid prenten, tekeningen en schilderijen bijeengebracht. Er staat porselein, lakwerk, kamerschermen en wapens in overvloed. Maar de opstelling is allerminst spectaculair en zelfs wat saai en verwarrend en een aantal aspecten ontbreekt. Textiel bijvoorbeeld. Er had veel meer origineel getekend Europees materiaal uit de eerste hand van fauna, flora en mensen, kaarten en kustprofielen getoond kunnen worden. Dan was ook de pioniersrol van de Nederlanders beter uit de verf gekomen. Nu valt er een sterk Duits accent te bespeuren. Van vele nederlandstalige of in Nederland gedrukte boeken zijn latere Duitse edities opgesteld (zo ligt hier niet de eerste gedrukte editie van Marco Polo's reizen, die in Gouda is verschenen). En zo worden Duitse onderzoekers ten koste van Nederlanders geprofileerd. In die zin hebben de samenstellers niet echt Europees gedacht. Kennelijk beschouwen de Duitsers zich als de directe erfgenamen van Marco Polo.