Rol van toezichthouder in bedrijf te vrijblijvend

Wat moet er bij grote ondernemingen gebeuren voordat een commissaris opstapt? Vooral na het DAF-debâcle werd die vraag actueel. Hoe kunnen commissarissen worden geprikkeld tot een beter toezicht op de directie? Moeten er nieuwe wettelijke regels komen? Slot van een serie over de rol van de commissaris.

De crème de la crème van de Nederlandse samenleving ligt onder vuur. Zo voelen commissarissen van grote ondernemingen de vraag van politiek en bedrijfsleven naar een brede commissie die hun functioneren onder de loep moet nemen. Met hun goede naam en faam zetten zij zich in voor bedrijven en nog krijgen zij kritiek. Troost vinden zij bij het spreekwoord: hoge bomen vangen veel wind.

Sinds het verzwegen mammoetverlies van Philips in 1990 dat wèl leidde tot het slachtofferen van president Van der Klugt, maar niet tot het vertrek van de architect van de slapende reus, president-commissaris Dekker, vraagt Nederland zich af: wat moet er gebeuren voor een commissaris opstapt?

Jurist prof. mr. P.C. van den Hoek kwam tot na studie van de commissarispraktijk tot de conclusie: commissarissen van grotere bedrijven - de structuurvennootschappen (meer dan 25 miljoen gulden aan kapitaal en tenminste 100 werknemers) - die zichzelf mogen benoemen, hoeven nooit op te stappen: dergelijke raden zijn onneembare vestingen.

"Het wonder van Den Haag' werd de Structuurwet wel genoemd. De natuurlijke tegenstellingen tussen belangen van arbeid en kapitaal zouden door de wet zijn weggemasseerd door zware bevoegdheden te geven aan commissarissen die geen deelbelang mogen nastreven. Kwesties die vroeger door aandeelhouders werden beslist, zoals benoeming en ontslag van het bestuur en vaststelling van de jaarrekening, komen sindsdien op het bord van de commissaris.

Uit de studie van Van den Hoek blijkt dat de commissaris vrij spel heeft: er is maar één geval bekend sinds de inwerking treding van de wet in 1972 van een commissaris van een structuurvennootschap die is ontslagen. Dat was een commissaris van het vastgoedbedrijf Westhaven in 1985. De rechter zette hem op non-actief.

De discussie over de rol van de commissarissen laaide op na het faillissement van DAF, begin dit jaar. Hadden de commissarissen liggen slapen toen het bedrijf zijn toekomst in de waagschaal stelde door de overneming van Leyland? Hadden zij geen weet van het oppoetsen van resultaten door DAF Finance?

“De beste stuurlui staan aan wal. Het juist beoordelen van directies is niet gemakkelijk en kan alleen als men hierin ervaring heeft en alle ins en outsvan de beslissingen kent. Vrijwel alleen commissarissen zijn in die positie”, zo betoogden oud-Unilever-bestuurder J.M. Goudswaard en oud-Hoogovens-topman en Nedlloyd-commissaris O.H.A. van Royen in NRC Handelsblad.

Daarmee zou de discussie gesloten zijn. De eeuwig terugkerende vraag van Quis custodiet ipsos custodes - wie ziet toe op de toezichthouder - zou zijn beantwoord: niemand ziet toe op de commissaris. Naam en faam van commissarissen als Goudswaard en Van Royen zou genoeg moeten zijn. De buitenwereld, of het nu journalisten, juristen, beleggers of ondernemingsraadleden betreft, zou zich hierbij moeten neerleggen. Zij weten immers toch minder van een onderneming dan een commissaris.

VVD-fractieleider mr. F. Bolkestein hekelt die opvatting: “Commissarissen die zelf niet worden gecontroleerd, worden lui. We moeten voorkomen dat zij achterover leunen. Het oog van de meester maakt het paard vet.”

Bolkestein vindt Van Royen niet de beste pleitbezorger voor het vertrouwen in de commissaris. Het gaat hem niet zozeer om de diepe crisis waarin hij Hoogovens dit jaar achterliet. Daarbij speelden immers marktomstandigheden een belangrijke rol. Nee, het gaat Bolkestein om Van Royens rol als commissaris. “Van Royen is iemand onder wiens verantwoordelijkheid als commissaris van Nedlloyd het pensioenfonds met ingecalculeerd verlies aandelen van de Noorse reder Torstein Hagen heeft gekocht. Volgens de vennootschapsrecht-deskundige prof.mr. W.J. Slagter is die aankoop voor het pensioenfonds "rampzalig'. Hij sprak zelfs over een “onrechtmatige daad”.

Pag.12: Commissaris vaak meer adviseur dan controleur

Voor critici is Van Royen als Nedlloyd-president-commissaris een symbool geworden van het Nederlandse systeem van commissarissen. Zijn beleid als president-commissaris bij Nedlloyd leidde tot het vertrek van commissaris, jhr. mr. F.O.J. Sickinghe, één van de weinige commissarissen in de geschiedenis van de structuurvennootschap die opstapte uit onvrede met het beleid.

Toen Van Royen werd aangevallen op dit beleid door prof. mr. W. Slagter hanteerde hij het bekende argument: “Mijnheer Slagter heeft een gebrekkig oordeel omdat hij de details niet kent.” Slagter diende hem van repliek door te schermen met recente gesprekken met Sickinghe. Daarmee dreigde deze discussie in een welles-nietes-spel te ontaarden.

Van Royen kreeg bijval van commissariatengrossier drs.T.C. Braakman, oud-topman van Nationale-Nederlanden: “Het idee van wetenschappers, politiek en veel aandeelhouders over commissarissen komt voort uit volstrekte onwetendheid. De commissaris is door zijn zwijgplicht niet in staat die onwetendheid weg te nemen.”

Moet het systeem daarom maar blijven zoals het is onder het motto: "vertrouw op ons'? Veel internationaal opererende commissarissen vinden, gezien hun ervaringen in het buitenland, daar best iets voor te zeggen. Eén van de bekendste commissarissen in de jaren tachtig, dr. E.H. van der Beugel, heeft slechte ervaringen met het Angelsaksische systeem waarbij het primaat bij de aandeelhouder ligt. “Als ik de praktijk zie in de Verenigde Staten heb ik zo mijn twijfels of de aandeelhouders mondiger zijn. Ik heb achttien aandeelhoudersvergaderingen Xerox meegemaakt. Zestien daarvan gingen niet over het functioneren van commissarissen of over winstmaximalisatie, maar over de vestiging van Xerox in Zuid-Afrika.

Ook over het Duitse systeem van Mitbestimmung, waarin ondernemingsraad en aandeelhouders elk de helft van de commissarissen benoemen, zijn de kenners niet positief. “Veel wordt daar op voorhand geregeld”, zo meent Van der Beugel. Hij krijgt daarin bijval van de Belg dr. A. Leysen, de bekendste commissaris in Europa. Hij kan zijn Nederlandse ervaringen bij onder meer Philips, Aegon en SHV afzetten tegen die bij Duitse en Belgische bedrijven. Zijn conclusie: Nederlandse commissarissen bespreken de zaken grondiger dan hun collega's in de buurlanden. Leysen kan vrij exact het tijdsbeslag van de commissarisvergaderingen in verschillende landen weergeven. In het naar zijn idee verouderde Belgische systeem houdt een afgevaardige beheerder een exposé waarna enkele beleefdheidsvragen worden gesteld: na anderhalf uur kunnen de commissarissen naar de borrel.

Voorzitters van Duitse Aufsichtsräte zorgen door strakke leiding en het afkappen van discussies dat commissarissen na twee uur al weer de vrijheid krijgen. “In Nederland duurt een zitting zeker 3 tot 4 uur en dat kan makkelijk uitlopen tot 5 uur.”

Veel zittende commissarissen zijn bang dat wanneer politici aan het Nederlandse systeem tornen, zij het evenwicht in belangen tussen werknemers en aandeelhouders verstoren. FNV-stafmedewerker mr. J.C.M.G. Bloemarts bestrijdt echter dat er sprake is van evenwicht. “Verwacht werd dat de raad de verlangens van de onderneminsraad en de aandeelhouders evenwichtig zou honereren. Daar kwam, uitzonderingen daargelaten, weinig van.”

Volgens prof. drs. H.P.J. Ophof uit Rotterdam heeft het systeem een heel ander evenwicht opgeleverd dan tussen arbeid en kapitaal: “Er is een evenwicht ontstaan tussen bestuur en commissarissen.” Routinier Van den Beugel geeft aan waarom dat evenwicht er niet is: “In een grote meerderheid van de gevallen worden nieuwe commissarissen benoemd op initiatief van de raad van bestuur.” De door de ondernemingsraad bij bedrijven als Akzo voorgedragen commissaris dr. H.A. van Stiphout meent dat hij zijn positie te danken heeft aan Akzo-topman Loudon. “Zonder zijn toestemming zou ik geen commissaris bij de holding van Akzo zijn geworden.”

In het buitenland weet men dat commissarissen en directie in Nederland vaak twee handen op een buik zijn. De Belgische commissaris Leysen: “De kans bestaat in Nederland dat een directie bevriende of "makkelijke' commissarissen voorstelt, waardoor op de langere termijn de legitieme rechten van aandeelhouders niet worden gerespecteerd.”

Mr. J.R. Glasz - dank zij zijn standaardwerk De commissaris, aanbevolen gerdragsregels het geweten van het Nederlandse commissariaat - vindt het onjuist voor uit oogpunt van toezicht. “Voor een commissaris is zo'n "danksituatie' slecht. Een toezichthouder moet onafhankelijk zijn. Ongelukkig is dat de verantwoording niet is geregeld. Goed toezicht is nu volledig afhankelijk van de individuele kwaliteit van de commissaris. Het getuigt van hogere wijsheid dat een directie goed toezicht wenst.”

Vaak komt het erop neer dat commissarissen meer adviseur dan controleur zijn. Dat blijkt wel uit het feit dat veel bedrijven het niet erg vinden een bankier of een overheidscommissaris te hebben. Uit hoofde van controle is zo'n belangencommissaris natuurlijk ongewenst, meent Glasz. Hij wordt daarin gesteund door Robeco-president prof.dr. P. Korteweg, zelf destijds overheidscommissaris bij de NMB (tegenwoordig ING Bank) en Hoogovens. Korteweg: “Maar het opvallende is dat niet zozeer de overheid en de banken zelf, maar de bedrijven het prettig vinden een topambtenaar of een bankier in hun gelederen te hebben.”

Directies hebben dank zij de Structuurwet een prachtig consensusmodel. Als er controle is, is het meer ondanks dan dank zij de wet. Commissarissen, die gevraagd worden door directies voor een erefunctie en vervolgens aan niemand verantwoording schuldig zijn, hebben weinig prikkels om scherpe controle uit te oefenen.

Het primaat voor directies heeft een neveneffect: directeuren zullen zelf nooit hun stoel ter beschikking stellen. Glasz: “Men heeft het idee dat Nederland zich verschanst.” Euro-commissaris Leysen: “Eigenlijk is het gebrek aan invloed van aandeelhouders een onderdeel van het hele overdreven stelsel van protectieregels in Nederland. De Nederlander doet met de regelgeving net of een massale uitverkoop aan het buitenland dreigt. Daarmee wordt het bedrijfsbelang niet altijd gediend.”

De meeste commissarissen vinden het moeilijk oplossingen aan te dragen. Sommigen zoeken naar oplossingen in de sfeer van het verkorten van de duur van het commissariaat of een beperking van het aantal commissariaten. Dat zou goed zijn wanneer in Nederland een kliek onbekwame commissarissen elkaar de bal zou toespelen. Het idee van de kliek is gewekt door publicaties van Jos van Hezewijk in Nederland. Ook de Vereniging van Effectenbezitters wekt die indruk met een lijst van de grote Nederlandse commissarissengrossiers. Nummer één op die lijst in het afgelopen jaar drs. T.C. Braakman: “Ik vind die opsommingen van functies discrimenerend als ze in de sfeer van macht worden getrokken. Ik voel me dan benaderd op een manier van iemand die zegt: hij is zwart. Hij zal het wel gedaan hebben.”

Eminence grise Van den Beugel schetst dat er steeds minder sprake is van netwerken. Vroeger werden commissarissen vrijwel uitsluitend gerecruteerd uit protestantse hoek. Na de komst van de katholieke commissaris volgden andere denkrichtingen. Nu doen juist veel internationale commissarissen hun intrede.

Het inperken van het aantal commissariaten per persoon zal in de optiek van veel commissarissen het toezicht verslechteren. Veel hoogprezen commissarissen waren juist rijpere, om niet te zeggen bejaarde industriëlen met een groot aantal commissariaten. "Commissarisspecialist' Glasz noemt oud-Wessanen topman Van Driel en oud-Shell-man De Bruyne als voorbeeld. Deze mensen zouden niet tot zulke prestaties zijn gekomen wanneer zij minder lang aan mochten blijven of minder commissariaten zouden hebben gehad.

Toch vinden veel commissarissen dat iemand als oud-minister Van der Stee met zijn twintig commissariaten wel wat overdrijft. Glasz zou er wel een voorstander van zijn wanneer de gedragscode aan zou sluiten bij Duitsland en Frankrijk waar resptievelijk tien en acht commissariaten per persoon het maximum is.

Om commissarissen scherper te houden is volgens VVD-leider Bolkestein een grotere ingreep nodig. Hij pleit voor een herstel van het oude systeem waar de aandeelhouder de commissaris controleert. Hij ziet de Structuurwet als een jaren zeventig-verschijnsel dat de eigendomsrechten niet heeft gerespecteerd. “Een economie waar de eigendomsrechten worden uitgehold, destabiliseert op den duur.”

Hij krijgt steun van prof. Ophof. Hij meent dat aandeelhouders hogere eisen stellen dan andere betrokkenen bij een onderneming, zoals werknemers, leveranciers en afnemers. Hij krijgt bijval van belegger prof. Korteweg: “De belangen van aandeelhouders lopen het meest parallel met het grootste belang van een onderneming: het behouden van een rendabele marktpositie, want zonder afzet geen winst. Daarmee is tevens het belang van de overige stakeholders het beste gediend.” De Utrechtse jurist mr. M. Brink neemt het op voor het standpunt van de vakbeweging die meent dat je met evenveel recht kunt beweren dat werknemers de hoogste macht toekomt. “Werknemers hebben belang bij zo hoog mogelijke winst, omdat zij dan een zo hoog mogelijk loon kunnen krijgen. Aandeelhouders daarentegen zijn slechts geïnteresseerd in een bedrijf zo lang zij geen betere investering hebben gevonden.”

Brink en ondernemingsraad-commissaris Van Stiphout menen dat het in het belang van de werknemers is de Structuurwet te handhaven. Zij menen dat niet alle mogelijkheden van de wet zijn benut. Volgens Van Stiphout zouden ondernemingsraden veel vaker commissarissen moeten voordragen. Brink pleit voor een kleine wetswijziging waardoor het makkelijker wordt commissarissen te ontslaan, waardoor de prikkel om toezicht te houden wordt vergroot. Nu is nog een meerderheid van stemmen op een aandeelhoudersvergadering nodig om een rechter een oordeel te vragen over een commissaris. Hij pleit voor een verlaging van die drempel.

F. Swarttouw die als commissaris bij Fokker vorig jaar duidelijk maakte niet alles te slikken en opstapte is een voorstander van de richtlijn van de EG, die een driedeling van de raad van commissarissen voorschrijft. Eenderde van de leden zou gerecruteerd moeten worden uit de kring van aandeelhouders, een derde uit de kring van werknemers en een derde zouden de commissarissen zelf moeten aanwijzen. Dit voorstel is afgelopen maand ook door FNV en CNV gedaan.

Prof. Korteweg ziet het commissariaat echter niet als een remedie tegen bedrijfsongelukken à la DAF. Hij ziet het ook niet veranderen, zolang de corporatische elementen in de Nederlandse maatschappij overeind blijven. “Er moet nog wat veranderen in Nederland wil er een meer marktconforme opvatting komen. Komt die er, dan past daar ook een nieuw systeem bij met door aandeelhouders gekozen, maar onafhankelijke commissarissen. Niet om daarmee faillissementen te voorkomen, maar om alle geledingen van bedrijven te confronteren met de tucht van de markt.”

    • Maarten Schinkel
    • WABE van ENK