Morning dew

Ik heb eens iemand gekend die op hem leek, een decorsjouwer, met net zo'n massieve kop en van datzelfde weerbarstige zwarte haar. Een boom van een vent die er, met de vanzelfsprekendheid en fantasieloosheid van de werkelijk gevaarlijk dommen, vanuit ging dat alle andere aspecten van zijn menselijke aanwezigheid van hetzelfde formaat waren als zijn fysieke verschijning. De ene keer kwam hij op zijn werk met het verhaal dat hij ternauwernood had kunnen ontsnappen aan een vrouw die hem het hele weekeinde bij zich in bed had weten te houden door tot twee keer toe een verdovend middel in zijn drank te doen en nou ja, het was bovendien een waanzinnig stuk; een andere keer had hij twee nachten niet geslapen omdat het hoog tijd was geweest dat hij zich de relativiteitstheorie van Einstein eens eigen maakte. Of hij had zich plotseling herinnerd wie hij twee levens terug was geweest. U lacht misschien, maar ik lachte niet, ik keek wel uit. Hij zou een hap uit mijn gezicht genomen hebben. Niet uit woede, maar omdat ik er immers om vroeg.

Zo iemand, stel ik mij voor, was ook Tim Rose, toen die in zijn gloriedagen, rond 1966, net als de Timmen Hardin en Buckley, in Greenwich Village furore maakte als singer-songwriter. Eerder had hij gestudeerd voor priester, was hij navigator geweest bij het Strategic Air Command en een derde van de folkgroep ”The Big Three” met ”Mama' Cass Elliot. Een man, gespeld M-A-N, met in zijn hoofd een flipperkast waarvan elk oplichtend stootblokje een bom kon bevatten. ”I'm a fucking legend, man,” zei hij eens tegen het blad Rolling Stone, ”and legends are a pain in the ass.” Tim Rose schreef Morning Dew, een van de meest intrigerende songs uit de geschiedenis van de popmuziek en gecovered door bands zo verschillend als The Grateful Dead, The Jeff Beck Group en Einsturzende Neubauten.

Zelfs de dieren bevriezen in hun pas en spitsen de oren wanneer zij het vijftonige gitaarsignaal horen waarmee het lied zich aankondigt. Wat? Een koning die terugkeert uit zijn ballingschap? De intocht van het circus? De cavalerie? Riep iemand daar mijn naam? Alsof er op de beslagen spiegel van de hemel plotseling een met een reusachtige vinger geschreven boodschap verschijnt: De jacht is geopend. Sommigen zullen jagen, anderen gejaagd worden. Van te voren valt niet uit te maken tot welke groep je behoort, maar er klinkt teveel belofte in door om die al snel door ongeduldig hoefgetrappel van bas en drums ondersteunde lokroep te kunnen weerstaan. In zekere zin heb je je hele leven op dit teken gewacht. Jas! Hoed! Wandelstok!

Walk me out in the morning dew, my honey. Walk me out in the morning dew, today! Heel even is de stem van Tim Rose die van een man die, na een nacht lang triomfantelijk in bed de lakens te hebben uitgedeeld, zich nu, niet weinig pompeus, van zijn poëtische kant wil laten zien. De stem waarmee hij direct daarop zijn eigen verzoek afwijst klinkt honderd jaar ouder en vermoeider, alsof deze dialoog al sinds het begin der tijden gevoerd wordt. Can't walk you out in the morning dew, my honey. Can't walk you out in the morning dew, at all.

De structuur is die van een kinderversje uit de oude doos, waarin de vraag stellen hem per kerende post beantwoorden is: ”zeg ken jij de mosselman, de mosselman?' Het verontrustende in Morning Dew is echter, dat elk antwoord ontkennend is. Niemand heeft er ooit van de mosselman gehoord. Thought I heard a young girl crying, mama. Thought I heard a young girl cry, today. En dan met dreigend gefronsde wenkbrauwen, bestraffend bijna: You didn't hear no young girl cryin', mama. You didn't hear no young girl cry today. Of ze nou van hem net moet doen alsof ze niets gehoord heeft of dat ze dat uit zichzelf doet om hem te sparen, zeker is dat er ergens iets voor iemand verborgen moet blijven. Walk me out in the morning dew, herneemt Rose, koppig als een Bommel, zijn gebiedende wijs: wat mij daarbuiten ook te wachten staat, in de louterende prilheid van de morgendauw lost elk gevaar vanzelf op. Maar opnieuw is zijn welles niet sterk genoeg voor het nietes van zijn echo. Can't walk you out in the morning dew at all.

Even lijkt het er op dat hij met ”nee' genoegen zal nemen maar dan weerklinkt in de door korte drumsalvo's afgebakende stilte opnieuw het hoornschallende gitaarsignaal en dit keer heeft hij, roept hij, links en rechts cymbalen tegen de grond meppend, een jonge man horen huilen, hetgeen zijn en ons vermoeden bevestigt dat er zich daarbuiten iets gruwelijks af moet spelen; iets van rituele aard waarschijnlijk, een menselijk offer aan de god van de oogst, waarvan eventuele ongewenste getuigen met blindheid worden geslagen. Of is dat precies wat hem ooit is overkomen en kan hij daarom niet zelf de weg naar buiten vinden, de morgendauw in?

Maar het gaat verder, Stephen King voorbij: Now there's no more morning dew. What they were saying all these years was true, 'cause there's no more morning dew. Tim Rose zing-schreeuwt zichzelf hobbelend op geklapte stembanden de fade out in. Daarom kon ik niet naar buiten! Het gitaarsignaal was bij wijze van metafysisch luchtalarm, en het gehuil van die man en die vrouw daarstraks was omdat ze hetzelfde begrepen als ik nu: er wordt geen nieuw begin meer gemaakt. Gisteren was de laatste morgen.

Een geflipte priester met dit soort visioenen als staflid van het Strategic Air Command? Goddank is niemand zo dom geweest Tim Rose uit te lachen, toen hijop het idee kwam dat hij een grote toekomst had als folksinger.

    • Roel Bentz van den Berg