Lijden in de stadsjungle; Helen Knopper over de jaren negentig

Helen Knopper: De pretentie. Uitg. Contact, 230 blz. Prijs ƒ 39,90

De meest voor de hand liggende manier om in een roman "een tijdsbeeld' op te roepen is om her en der wat kranteberichten door de tekst te strooien.

Helen Knoppers nieuwe roman De pretentie heeft als ondertitel Kroniek van een kantelend evenwicht en op de flaptekst staat aangekondigd dat dit het eerste deel is van een trilogie over de jaren negentig. Al op pagina 12 verschijnt het eerste krantebericht: “De Golfcrisis, waar jij vierentwintig uur per etmaal mee bezig bent, zal misschien wel explosief, maar dan ook snel eindigen, het door jou zo gehate communistische bolwerk van de Sovjetunie is aan de funderingen ernstig verzwakt, en over een jaar gaan de Europese grenzen open.”

Dit speelt dus in 1991, onmiskenbaar. Het kostte enige moeite om na deze gemakzuchtige samenvatting van de nieuwsberichten verder te lezen, maar die weerzin bleek al snel onterecht. De pretentie is namelijk een meeslepend en goed geschreven boek en bij nadere beschouwing hebben de berichten over het wereldnieuws een minder platvloerse functie dan ik aanvankelijk vreesde. Wat Knopper er onder andere mee wil overbrengen, is dat de dagelijkse beslommeringen van haar personages voor henzelf oneindig intrigerender, spannender en dramatischer zijn dan de met geavanceerd wapentuig gevoerde oorlogen en in elkaar donderende imperia waarmee zij via de televisie worden geconfronteerd.

Volgens Van Dale is de letterlijke betekenis van het woord kroniek "Verhaal van gedenkwaardige gebeurtenissen, in tijdsorde gerangschikt, maar zonder onderlinge samenhang'. Inderdaad hebben de gebeurtenissen in De pretentie op het oog weinig samenhang. Het zijn de geschiedenissen van mensen die niets anders met elkaar gemeen hebben dan dat ze in dezelfde buurt wonen en allemaal op hun manier naar de verdommenis dreigen te gaan. Maar Knopper is gelukkig meer dan een chroniqueur alleen en als romanschrijfster laat zij gebeurtenissen, ondanks de schijnbare chaos, op een betekenisvolle manier naar elkaar verwijzen.

Het boek speelt in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, in een nieuwbouwcomplex dat de Bilding wordt genoemd en waarin een betrekkelijk toevallig samengestelde groep mensen woont die voor iedere grote-stadsbewoner herkenbaar is: individualistisch ingestelde veertigers en vijftigers, onder wie excentrieke nichten en drankzuchtige hetero's, oudere jongeren die al dan niet bezig zijn met hun zoveelste relatie, eenzamen en zielepieten, aardige mensen en onbetrouwbare rotzakken. Hun buurt, geterroriseerd door junks en vergeven van rotzooi, is gevaarlijk, maar de Bilding en directe omgeving lijkt een relatief veilig eiland waar een bijna dorpse sfeer hangt. Als bindend element fungeert de bourgondische psychiater Mong die in een belendend pand woont. Door zich consequent open te stellen voor zijn buren verzacht hij zijn eigen eenzaamheid en houdt hij - voor zolang het duurt - iets in stand waaraan geen naam wordt gegeven, maar dat je beschaving zou kunnen noemen.

De situatie begint te schuiven wanneer een van de hoofdpersonen het beeldschone meisje Neel uit een leernichtentent oppikt en met haar trouwt. Met haar komt de ellende de Bilding binnen: pretentie in de vorm van moderne godsdienstwaanzin, bezitsdrang, gekte, bedrog en drugs. Mong die tot dan toe zijn eigen methodes hanteerde om in balans te blijven, voelt het onheil naderen, vooral als zijn geliefde kater Potter door toedoen van onverlaten een gruwelijk einde vindt. De journaliste Maaike Wanting voelt het ook en tracht het in haar columns te bezweren.

Mong en Maaike proberen beiden iets tegen het alarmerende verval waarvan ze getuige zijn te ondernemen: Mong neemt een afgekickte junk van de ontwenningskliniek waar hij werkt in huis, Maaike probeert de mensheid met haar columns een hart onder de riem te steken. Maar de afgekickte junk gaat weer gebruiken en wordt een bedreiging voor z'n omgeving, terwijl Maaike eerst haar column en vervolgens - als gevolg van een gewelddadige beroving - bijna haar leven verliest.

De pretentie - willen ingrijpen, dus als het ware voor God spelen - wordt afgestraft. Dat ervaren niet alleen Mong en Maaike maar ook de gestoorde Neel die gelooft dat ze een engel is geworden, zowel als haar echtgenoot die dacht zijn liefdeloze jeugd te compenseren door een zoon op de wereld te zetten.

Alle personages proberen voortdurend een leegte te vullen die ontstaan is door het wegvallen van verbanden en door het gemis aan "iets' waaraan ze normen kunnen ontlenen. Een uitzondering vormt de Chinese jongen Lieman, de enige die niet is losgeslagen van zijn anker: hij maakt deel uit van een hechte, traditionele Chinese familie die in de buurt geworteld is. Vreemd genoeg lijkt de kleine Chinees de enige "autochtoon' in een gezelschap van dolende asielzoekers.

De onafwendbaarheid waarmee de personages idividueel en als collectief hun controle verliezen, is veelbetekenend. Iedereen ziet het aankomen, niemand is bij machte er iets tegen te doen. De ellende is te veelomvattend om te overzien. Maar zoals voor de columniste Maaike Wanting de abstracte gruwelen van de "schone' Golfoorlog pas invoelbaar worden door de beroemd geworden foto van de stervende, met olie besmeurde vogel, zo maakt de schrijfster van De pretentie het alledaagse individuele lijden in de stadsjungle zichtbaar door in te zoomen op een paar mensen wier lotgevallen ze volgt.

Helen Knopper doet dit op een gedreven manier en laat - na haar verrassende roman Een onfatsoenlijk afscheid (1977) - met dit boek opnieuw zien dat ze herkenbare problemen op een eigenzinnige en meeslepende wijze weet vorm te geven. De pretentie is geschreven in een soepele, leesbare stijl die echter niet in de eerste plaats opvalt door mooie beelden of oogstrelende zinnen. De kracht van dit boek schuilt vooral in de intrige en de opbouw van het verhaal, de beschrijvingen van de personages en de ongedwongen dialogen.