Iedereen in Damascus kan een verklikker zijn; Intieme schetsen van Lieve Joris

Lieve Joris: De poorten van Damascus. Uitg. Meulenhoff/Kritak, 274 blz. Prijs ƒ 36,50

Een reiziger die een vreemde stad bezoekt, is pas echt aangekomen als hij erin is geslaagd iets mee te maken van de intieme alledaagsheid van het leven in die stad. Het is zoiets elementairs als een slaapplaats zoeken en koffers uitpakken. Het begint met het verkennen van de straat, de buurt, en wat daar gebeurt; met het kopen van een brood en het herkennen van de weg terug. Dan zijn er de rituelen van de straat: hoe steekt men hier over, hoe pak je een bus, hoe reageer je op sissende jongens langs de weg? En af en toe heeft de reiziger het geluk een glimp op te vangen van de huiselijkheid van de bewoners van die vreemde stad.

In De poorten van Damascus beschrijft Lieve Joris zo'n ervaring, die ze jaren geleden opdeed in de souk van Bagdad, “toen mijn blik viel op een piepklein kapperszaakje, niet veel breder dan de deur. Rood licht, glimmende wandversieringen - de frivoliteit van een bordeel -, en daartussen, gereflecteerd in een gebroken spiegel, het gezicht van een man die weldadig werd ingezeept. De barbier was iets aan het vertellen, te oordelen naar zijn bewegende lippen; de twee mannen die in versleten fauteuils zaten te wachten, moesten er hartelijk om lachen. Al het geweld van de Golfoorlog heeft die scène niet uit mijn herinnering kunnen branden. Overdag de spandoeken met holle slogans, de immense portretten van president al-Bakr en zijn rechterhand Saddam Hussein, en 's avonds die vier mannen, verenigd in een ritueel dat zo vertrouwelijk was dat ik beschaamd het hoofd afwendde toen ze me opmerkten.'

Hoe opwindend en indrukwekkend dergelijke waarnemingen ook zijn, de reiziger die zèlf aan zo'n huiselijk tafereeltje deelneemt is een grote stap dichter bij een intieme verhouding met de stad. Hij hoeft zijn hoofd niet af te wenden. Hij kan zelfs af en toe het gevoel krijgen - of de illusie koesteren - geen buitenstaander meer te zijn.

Lieve Joris woonde meer dan vijf maanden in de Syrische hoofdstad Damascus, in huis bij een Syrische vrouw die ze twaalf jaar geleden in Bagdad had leren kennen. Deze Hala en haar dochtertje Asma wonen in een volksbuurt waar de straten geen naam hebben, de huizen geen nummer. “De overbuurvrouw van tweehoog kijkt zó de voorkamer binnen. Als zij er niet is neemt haar zoon het over. (-) Ook de buren aan de achterkant loeren door hun ramen.” En zo is Lieve Joris meteen al meer dan alleen observator, ze neemt deel aan het gezinsleven en vertelt daar in De poorten van Damascus aanstekelijk over. Over de verhouding tussen moeder en dochter en over het boodschappen doen. Over de televisieprogramma's waar Asma naar kijkt, over de inrichting van het huisje, over de dominante moeder van Hala en alle andere familieleden die voortdurend opbellen. Over Hala's broer die in Qatar werkt maar een maandje over komt om een vrouw te zoeken, over de popidolen van Asma (Prince en Madonna) en over het vurige islamitische geloof dat het meisje van school meekrijgt.

Over dit gezinsleven hangt één grote schaduw. “Angst, daar is de lucht hier vol van”, schrijft Lieve Joris als ze een uitstapje naar de stad Aleppo maakt. Maar het geldt evengoed voor Damascus, en voor het huis van Hala. Haar man is al elf jaar lang politiek gevangene van het regime van dictator Assad, de geheime politie is alomtegenwoordig, en vrijwel iedereen kan een verklikker zijn. Hala's angst voor de fundamentalisten en de geheime politie, voor een nieuwe oorlog en voor de toekomst van haar kind, voegt zich bij haar angst over het lot van haar man, en de angst dat hij opeens vrijkomt en ze haar zelfstandige leven zal moeten opgeven, de angst zelfs voor een scheiding en wat er dan van haar dochter zal worden.

De somberheid over dit alles is voortdurend op een onnadrukkelijke manier aanwezig, maar overheerst het boek niet. Slechts af en toe praat Hala er met de auteur over, soms in vertrouwelijke vriendinnen-gesprekken, soms in kleine uitbarstingen van irritatie. Het leven gaat verder en Lieve Joris schrijft er beeldend over: de bruiloft van een zusje met alle kennismakingsrituelen met de schoonfamilie die daarbij horen, een uitstapje naar het vakantiehuisje in aanbouw van Hala's moeder en de reactie van Hala op het schaarse nieuws van de vredesonderhandelingen over het Midden-Oosten die dan net in Madrid beginnen.

Het innemende, persoonlijke familieportret dat zo ontstaat, maakt het grootste en ook het sterkste deel van het boek uit. Als Lieve Joris de huiselijke kring verlaat, en zonder Hala in Syrië op stap gaat, zijn haar ervaringen weer meer die van een buitenstaander.

Er zijn boeiende stukken over een kritische schrijver die een toespraak houdt voor een portret van Assad, over welgestelde christenen in Aleppo en over een filmfestival in Damascus. Maar in deze, meer journalistieke, gedeelten van het boek gaat het behalve over interessante mensen vooral ook over Syrië. De vraag is - en de auteur werpt die zelf meer dan eens op - of haar sterk persoonlijke benadering van het land daarbij niet als een beperking werkt. Haar beeld van Damascus is dat van Hala, en een zekere eenzijdigheid en willekeur is daarmee gegeven. Bovendien blijkt ze nauwelijks Arabisch te spreken, wat haar gesprekspartners natuurlijk beperkt.

“Je zou een man als Rashid moeten trouwen,” zegt Hala in het begin van het boek tegen de schrijfster, refererend aan haar autoritaire zwager, “en een stel kinderen krijgen. Dan zou je na tien jaar wel een boek over Syrië kunnen schrijven.” Terecht heeft Lieve Joris niet voor die aanpak gekozen. Haar kennis had ze op die manier ongetwijfeld vergroot. Maar of ze als Syrische huismoeder met haar autoritaire man ooit nog tot schrijven was gekomen - laat staan van zulke onbevangen en gevoelige schetsen van het dagelijks leven - is zeer de vraag.