Het wassende water teisterde Achterhoek

Nederland heeft ernstig te lijden onder verdroging, is een algemene klacht. Maar in de Achterhoek was deze zomer eerder sprake van "vernatting'. Vooral afgelopen zaterdag, toen een vloed van hemelwater het Winterswijkse Plateau afstroomde.

RUURLO, 1 OKT. Kippenhouder E.J. Stegeman uit Ruurlo in de Gelderse Achterhoek kan opgelucht ademhalen. Afgelopen zondag in alle vroegte was het water rond zijn bedrijf zo hoog gestegen, dat een schuur met 110.000 slachtkuikens van amper een week oud dreigde onder te lopen. “Het heeft maar een haar gescheeld, maar gelukkig is het 's middags weer gaan zakken”, aldus de nog steeds onthutste boer, die op zijn eigen regenmeter kon aflezen hoeveel er de voorgaande dag uit de hemel was gevallen: 52 millimeter, een plaatselijk record.

Toch was het niet eens de overvloedige regenval die zijn kuikens in gevaar bracht. Vlakbij stroomt de Baakse Beek, waarvan het water tot een ongekend niveau werd opgestuwd bij een brug die wegens herstelwerk in de steigers stond. Die barrière dwong de overtollige massa een uitweg over land te zoeken. Een paar dagen later zijn hier enkele mannen bezig de schade te herstellen. Het peil is intussen aanmerkelijk gedaald, maar aan de drassige oevers is nog te zien hoe nijpend de toestand afgelopen weekend is geweest.

Waar bijvoorbeeld natuurbeschermers veelvuldig klagen over verdroging van het land, ook de hogere zandgronden, hoort men nu links en rechts van "vernatting', vooral in het 400 vierkante kilometer grote waterschap IJsselland-Baakse Beek, dat het centrale deel van de Achterhoek beslaat. “We hebben even de knop moeten omzetten”, verklaart watergraaf P. Bos, die zaterdag en zondag de meest bedreigde punten persoonlijk in ogenschouw nam.

Hij ontmoette er boeren die noodgedwongen hun vee van het land haalden of hun maisvelden zagen overstromen. “Sommige gedupeerden”, zegt Bos, “gaven ons de schuld van de overlast, omdat wij tenslotte de waterhuishouding regelen. Wij zouden ons werk niet goed doen. Dan probeerde ik uit te leggen dat ook wij tegen zulke extreme omstandigheden niet zijn opgewassen. Gelukkig werd dat door de meeste boeren begrepen.”

Hoe nat de afgelopen zomer was, toont een grafiek die stafmedewerker A. Oldenkamp van het waterschap over de neerslag in Ruurlo verstrekt. In juli viel er 210 millimeter regen, bijna drie keer zo veel als gemiddeld, in september 165 millimeter, ruim het dubbele van normaal en dan nog geconcentreerd in enkele dagen, vooral afgelopen zaterdag. Dergelijke hoeveelheden komen in een gebied als de Achterhoek harder aan dan in het westen. “In vlak polderland”, zegt Oldenkamp, “is het hoofdzakelijk een kwestie van wegpompen op de boezems, die weer uitmonden in zee of het IJsselmeer. Hier hebben we met een extra aanvoer uit oostelijke richting te maken.”

Het gebied verkeert namelijk waterhuishoudkundig in een verre van comfortabele positie. Aan de oostkant ligt het Winterswijkse Plateau met een hoogte van tussen de veertig en vijftig meter boven NAP. Dit plateau heeft, zoals men dat noemt, een zeer gering bergend vermogen door een ondoordringbare leemlaag op amper twee meter onder het maaiveld. Als gevolg daarvan stroomt overtollig regenwater pijlsnel richting IJsselland, dat tientallen meters lager ligt.

Er zijn diverse (gekanaliseerde) beken die het water afvoeren naar de IJssel: de Baakse Beek, de Veengoot, de Grote Beek en de Oosterwijkse Vloed. In dat bekenstelsel bevinden zich in totaal tachtig kleine stuwen, die men desgewenst met een eenvoudige slinger kan "strijken' (verlagen) of "opzetten' (verhogen). Die stuwen hebben globaal twee functies. In droge tijden moeten ze water vasthouden om te voorkomen dat het in één keer naar de IJssel stroomt, waardoor het gebied snel zou verdrogen. In natte tijden moeten ze daarentegen de stroomsnelheid afremmen om te voorkomen dat bodem en oevers van de waterlopen uit- of afslijten.

Normaal werkt dit systeem naar wens, al stuit het waterschap regelmatig op een belangentegenstelling tussen boeren aan de benedenstroom en hun collega's aan de bovenstroom. Watergraaf Bos: “Bij regenval zeggen ze aan de bovenstroom al gauw: klap die stuwen naar beneden! Maar dat willen ze aan de benedenstroom juist niet. Daar zeggen ze: wij hebben zelf al regenwater genoeg, dus laat die stuwen maar omhoog staan. En in droge tijden is het precies andersom. Tussen die tegenstrijdige belangen moeten wij als waterschap het juiste evenwicht zien te vinden. Het is steeds wikken en wegen wat we met de stuwen moeten doen: strijken of opzetten. Oók met het oog op particulieren, die te kampen kunnen krijgen met vollopende kelders.”

Vrijwel altijd stroomt er water over de stuwen heen, zeker 's winters. “Maar dan is die neerslag niet zo'n probleem”, zegt Bos, “omdat er toch niets op het land staat. De oogst is binnen en de koeien staan op stal”. Maar dat wordt anders als het 's zomers of in het vroege najaar met bakken uit de hemel valt, zoals in juli en september dit jaar. Dan komen de gewassen - hier vooral snijmaïs, maar ook gladiolen en wat aardappels - in gevaar, terwijl de koeien tijdelijk van het drassige land moeten. Anders zouden ze het gras vertrappen en bovendien te veel water binnenkrijgen, waardoor de kwaliteit van de melk drastisch vermindert.

Afgelopen zaterdag stroomde over de stuw in de Veengoot bij Vorden ruim tien kubieke meter water per seconde, een in september nog nooit gemeten hoeveelheid. Acht dagen eerder, vrijdag 17 september, was het ook al raak geweest met zeven kuub per seconde. Het vorige record stond op 2,5 kubieke meter per seconde en dateert uit 1988.

Bos was erbij toen de "bandjir' van het Winterswijkse Plateau kwam afzetten, maar kon er naar eigen zeggen ook niets aan doen. “Normaal proberen we het water te sturen, maar zaterdag viel er niets meer te sturen. De vloed was zo groot, dat we hem onmogelijk in de hand konden houden. Dus zijn er dingen misgegaan. Er zijn graslanden en gladiolenpercelen overstroomd en Stegeman zat in de rats om zijn 110.000 slachtkuikens.”

Maar hij wil de zaak ook weer niet overdrijven: “Ach, dit alles is natuurlijk maar peanuts vergeleken met Italië en Zwitserland.”

    • F.G. de Ruiter