Het allerergste was te erg; Tim Krabbe over de verfilmingen van Het gouden ei

Tim Krabbé heeft veel moeite moeten doen om het slot van zijn boek Het gouden ei ongewijzigd te kunnen handhaven bij de verfilming. Uiteindelijk schreef Krabbé zelf het scenario voor Spoorloos. Maar Hollywood maakte een remake waar de schrijver geen enkele zeggenschap over had.

De film The Vanishing gaat op 14 oktober in de Nederlandse bioscopen in première.

Tim Krabbé: Het gouden ei, uitg. Bert Bakker, ƒ 19,90.

Tim Krabbé: The Vanishing, Signet Book (paperback), ƒ 22,95.

Eindelijk krijgt Tim Krabbé de kans de Amerikaanse film The Vanishing te zien, die gebaseerd is op de Nederlandse film Spoorloos, die gebaseerd was op zijn roman Het gouden ei. Niet omdat hij een uitnodiging ontving van de producent of de distributeur, dat niet, maar omdat tv-presentator Ursul de Geer hem erop attent heeft gemaakt dat de film zaterdagavond, tijdens de Nederlandse Filmdagen, bij wijze van voorpremière zal worden vertoond in het City-theater in Utrecht. De schrijver betreedt te elfder ure de zaal en neemt plaats op een gereserveerde stoel, hoewel die niet voor hem bedoeld was. Hij komt net op tijd binnen om op de titelrol vermeld te zien, dat het scenario gebaseerd is op zijn roman The golden egg. Wonderlijk, denkt hij, want er bestáát helemaal geen roman met die titel. Knarsetandend was hij er immers mee akkoord gegaan dat de Amerikaanse uitgever zijn boek The Vanishing had genoemd.

Met stijgende verbazing ziet Krabbé de film. Na afloop laat zijn commentaar aan duidelijkheid niets te wensen over. “Wat een wanprodukt!” zegt hij. “Ik wist uit de voorpubliciteit al dat het eind helemaal veranderd was omdat in Hollywood een unhappy ending nu eenmaal onmogelijk is. Maar het moddergevecht waar de film nu mee eindigt, is natuurlijk uitgesproken bespottelijk. En verder zit het script nog stampvol symbolische verwijzingen uit het boek, die geen enkele functie meer hebben omdat de droom van Saskia - dat ze opgesloten in een gouden ei door het heelal vliegt en alleen maar kan hopen dat ze op een dag tegen nòg zo'n gouden ei aanbotst - er niet meer in zit. In plaats daarvan zijn er allemaal typisch Hollywoodse flauwiteiten in gestopt.”

Het is, denkt hij bij nader inzien, maar goed dat zijn rol in The Vanishing in de presentatie van de film zo weinig nadruk heeft gekregen. Op de titelrol blijft het beperkt tot die ene vermelding en in de persmap kan men ieders personalia vinden, behalve de zijne. Toevallig speelde een kennis hem die persmap in handen; niemand had de moeite genomen hem een exemplaar toe te sturen. Pas nadat hij zaterdagavond de film zag, heeft hij er in durven kijken: “Ik zag er toch wel een beetje tegenop. Het blijft naar om je ideeën verkracht te zien.”

Die ideeën dateren inmiddels van eind 1983, toen bij uitgeverij Bert Bakker een bundel al elders gepubliceerde verhalen van zijn hand zou verschijnen. Krabbé nam zich voor daaraan nog één nieuw verhaal toe te voegen. Op zoek naar inspiratie bladerde hij door zijn verzameling kranteknipsels. Het was een bericht uit het Vlaamse dagblad Het Laatste Nieuws dat zijn fantasie op gang bracht. “Jonge vrouw uit Luik verdwijnt op busreis naar Spanje,” luidde de kop. In vier korte alinea's maakte de verslaggever melding van de geheimzinnige verdwijning van de 18-jarige Pascale Lefebvre, die met vijftig andere toeristen in een bus naar Valencia zat. Ter hoogte van het Noordfranse dorp Assevillers was ze even uitgestapt om in een pompwinkel een pakje chewing-gum te kopen. Na een uur vergeefs wachten besloot de chauffeur zonder haar verder te rijden. Rijkswacht en brandweer konden geen enkel spoor meer van het meisje vinden.

Ontvoerder

De schrijver zag er een mooi kort verhaal in, dat echter al snel - ook qua structuur - uitgroeide tot een korte roman. “Mai Spijkers, die toen nog als redacteur bij Bert Bakker werkte, was het met me eens dat het als een afzonderlijk boekje moest verschijnen.” In ingehouden bewoordingen schreef Krabbé het verhaal over Rex en Saskia, onderweg langs de Autoroute du Soleil. Bij een pompstation gaat Saskia nog even iets te drinken halen, en komt nooit terug. Haar verdwijning wordt voor Rex een obsessie, tot hij jaren later oog in oog komt te staan met haar ontvoerder - een man die Saskia tot slachtoffer heeft gemaakt van zijn "ongelooflijk spannende' zoektocht naar een antwoord op de vraag hoe het zou zijn om vaststaande grenzen in het menselijk gedrag te overtreden.

Krabbé, die er nog altijd aan hecht dat in perspublikaties de afloop van het verhaal niet wordt verklapt, wilde het boek toeschrijven naar "het allerergste wat er volgens mij bestaat'. Onderweg verwerkte hij voorts een thema dat hem na aan het hart ligt: “hoe moeilijk het is de liefde te verwezenlijken en dat 't misschien alleen maar kan lukken in een denkbeeldige wereld.” In de botsing en de daarop volgende versmelting van twee gouden eieren in het heelal, bijvoorbeeld. “En qua plot was het dan ook nog een nieuwtje dat de moordenaar aan Rex voorstelt om hem precies hetzelfde te laten ondergaan als het meisje.”

Het schrijven gaf hem "een heerlijk, geëxalteerd gevoel' dat hij op pagina 90 van Het gouden ei letterlijk aan Rex heeft toegeschreven: “Er daalde een rust in hem en een gevoel van volmaaktheid dat hij herkende van lang geleden, uit de tijd dat hij gedichten schreef. Een hoogst enkele maal was het hem daarbij overkomen dat de vraag naar zin of succes en zelfs naar schoonheid of zeggingskracht verdween - en dat het opwindende besef resteerde dat hij iets nadeed; dat hij eindelijk deed wat iets heel hoogs van hem wilde, en dat hij de zware verantwoordelijkheid droeg dat stap voor stap te blijven doen.”

De schrijver leest het voor en voegt eraan toe dat iedere gedachte aan succes of roem tijdens het schrijven inderdaad verdween in de exaltatie: “Zó geconcentreerd heb ik veertien uur per dag zitten werken dat ik er high van werd. En dat ik het idee kreeg dat ik dit namens een hogere macht zat te schrijven. Inclusief het gevoel: wie ben ik dat ik hier nog een woord aan zou mogen veranderen?” Hij verwijst naar Nabokov die dat gevoel al eerder onder woorden bracht, en naar Capote die zichzelf eens omschreef als "de secretaris' van die hogere, dicterende instantie.

Ontknoping

Pas begin dit jaar besloot hij, in opdracht van het maandblad Esquire, uit te zoeken hoe het eigenlijk ooit met Pascale Lefebvre was afgelopen. De ontknoping bleek, zonder dat hij die ooit had gelezen, al een dag later in Het Laatste Nieuws te hebben gestaan: ze was per ongeluk in een verkeerde toeristenbus gestapt, maar had zich intussen allang weer bij haar eigen gezelschap gevoegd. Uiteindelijk kreeg Krabbé haar zelfs aan de telefoon, in een winkel in Luik waar ze werkte. Toen hij haar, vanwege 'de plechtigheid van het moment' in ietwat hakkelend Frans, trachtte uit te leggen welke de literaire en cinematografische gevolgen van haar vergissing waren geweest, reageerde ze volstrekt ongeïnteresseerd: “Wat heb ik daaraan, meneer?”

Het gouden ei werd in de zomer van 1984 redelijk tot goed ontvangen, maar niet door iedereen. “Het probleem in dit land,” meent de schrijver, “is dat er bij de literaire kritiek een groot misverstand heerst: als het verhaal aan de oppervlakte boeiend is, denkt men dat het dan ook wel oppervlakkig zal zijn. Zoals men van een mooie vrouw al gauw geneigd is te denken dat ze dùs dom is. Mijn credo als schrijver is echter dat een roman in de eerste plaats aan de buitenkant een spannend verhaal moet zijn. Op zichzelf vind ik dat trouwens al een literaire kwaliteit. En dan ga ik er maar van uit, omdat ik een diep persoon ben, dat er ook vanzelf wel diepte in mijn boek komt.”

Zijn aanvraag voor een aanvullend honorarium werd echter door het Fonds voor de Letteren geweigerd "wegens te geringe literaire kwaliteiten' - in hetzelfde jaar overigens, waarin hetzelfde fonds wel een verzoek voor zijn 43 Wielerverhalen inwilligde.

Intussen was Het gouden ei als manuscript al gelezen door de cineast George Sluizer, die er meteen een film in zag. Hij was weliswaar de eerste, maar niet de enige: ook Ben Verbong toonde interesse en de toenmalige producent Gied Jaspars schoof zijn toenmalige protégé Theo van Gogh als regisseur naar voren. De eerste producent die door Sluizer werd benaderd, ging ten onder aan de flop van een andere film. De tweede kon het niet met Krabbé eens worden over het scenario. Reeds toen werd de schrijver geconfronteerd met de wens om het inktzwarte slot van zijn boek te veranderen.

Vervolgens beloofde de schrijver aan George Sluizer, “die toen heel loyaal was”, dat hij zelf zou trachten een scenario te schrijven. “Ik deed dat niet graag, want er is niet veel aardigheid aan om je eigen verhaal nòg eens te vertellen. Maar ik wilde alleen toestemming tot verfilming geven als ik het eens kon zijn met het script.” Het resultaat van zijn arbeid werd vervolgens door Sluizer bewerkt en in 1988 onder de titel Spoorloos, in eigen beheer, verfilmd. Een goede film, vond ook Krabbé, die in Nederland ongeveer 100.000 bezoekers trok en in de rest van de wereld langzamerhand de status van een cult movie kreeg. De beste film van het jaar, volgens de Nederlandse Filmdagen van toen, en volgens het festival van Berlijn zelfs één van de beste Europese films. Johanna ter Steege werd er bekroond voor de beste bijrol.

Door de internationale reputatie van Spoorloos slaagde George Sluizer er vorig jaar in de grote Hollywood-firma Twentieth Century Fox te interesseren in een remake. En omdat Sluizer contractueel nog steeds over de filmrechten op het verhaal beschikte, kon hij er ditmaal mee doen wat hij wilde - de auteur had er niets meer over te zeggen. Fox engageerde de vooraanstaande scenarist Todd Graff, wiens eerste taak bestond uit het bedenken van een voor de Amerikaanse markt acceptabel geacht slot. Pas daarna merkte Sluizer, naar hij in diverse interviews verklaarde, “dat je dan als regisseur alleen maar de uitvoerder van een scenario bent.” Hij moest zich, op een enkel detail na, neerleggen bij de aanpassingen.

Boertje

Tim Krabbé, die in het verre Nederland te horen kreeg dat zijn slot zou worden veranderd, stuurde Fox een brief. “Ik schreef dat ze kennelijk niet hadden begrepen dat mijn boekje een ultimate happy ending had: nooit hebben twee gelieven elkaar immers zó gekregen als hier. Iemand van de produktie belde me daarna op. Ja, ik had volkomen gelijk, zei hij, maar ik kende blijkbaar de facts of life van Hollywood niet - wat wij hier maken is shit, maar we denken dat 't commercieel is.” Pas nadat hij de telefoon had neergelegd, besefte Krabbé dat hij dat zwart op wit had moeten vragen. Hij had zich als "boertje uit de provincie' laten overbluffen door een Telefoongesprek Uit Hollywood.

Zijn gevoelens jegens the film capital of the world zijn tweeërlei. “Enerzijds kijk ik als een echte Europeaan diep neer op de platte troep die daar wordt gemaakt. Anderzijds was ik toch heel tevreden toen ik merkte dat in The Vanishing nog hele dialogen zitten die rechtstreeks uit mijn boekje komen. Blijk ik tòch maar even dialogen voor Hollywood te hebben geschreven!”

Begin dit jaar ging The Vanishing in Amerika in première, gevolgd door zure kritieken van Amerikaanse recensenten die allemaal bewonderaars van Spoorloos bleken te zijn en zich stoorden aan deze karakter- en mysterieloze remake. De film was er al snel weer uit de bioscopen verdwenen.

Te snel, vreest Tim Krabbé, om nog omzetbevorderende invloed te kunnen uitoefenen op de pas verschenen Amerikaanse vertaling van zijn boek.

Hij schudt het hoofd en zegt dat die vertaling een verhaal op zichzelf is. Het gouden ei was op het bureau beland van Richard Gerber, redacteur bij de grote uitgeverij Random House. Hij gaf de vertaalopdracht aan de uit Groet afkomstige Claire Nicolas-White, die sinds 1939 woonachtig is in de Verenigde Staten en een paar jaar geleden in Nederland opzien baarde door de SD in De Aanslag van Harry Mulisch aan te zien voor Social Democrats.

Met een eerste proeve van vertaling (een rough copy) reisde ze naar Amsterdam, waar de schrijver tot zijn schrik moest concluderen “dat er niets van deugde”. Na langdurige onenigheid, waarvan het wederzijds gesteggel over het aantal voeten in een meter slechts één voorbeeld vormt, besloot Krabbé dat hij met deze vertaalster niet verder zou komen. “Ze had drie oplossingen voor alles wat ze niet begrepen had: overslaan, zelf iets verzinnen of letterlijk vertalen. Ergens staat de Nederlandse uitdrukking: er met de pet naar gooien. Dat was throwing their hats about geworden, wat in het Engels helemaal niets betekent.”

Nederlands

Met redacteur Gerber bleek het echter lastig praten te zijn, aangezien hij geen Nederlands kent en dus niet kon beoordelen of aan de oorspronkelijke tekst recht was gedaan. Ten einde raad schreef Krabbé een lange brief aan Harold Evans, de voormalige hoofdredacteur van The Times die nu aan het hoofd staat van Random House. Evans vertelde woensdagavond in het NCRV-programma Beroemd in het buitenland dat hij weliswaar de juistheid van de wederzijdse argumenten niet kon beoordelen, maar in zulke gevallen de mening van de schrijver altijd vóór laat gaan.

Krabbé schakelde op eigen kosten een in Nederland woonachtige vertaalster in en stuurde 788 wijzigingen naar New York. Die werden allemaal verwerkt. Het gevolg van alle vertraging was echter dat het boek niet meer kon profiteren van de publiciteit die met de lancering van de film gepaard ging.

“Maar het belangrijkste voor mij is dat mijn boek gered is,” zegt de auteur. Hij houdt het gebonden boekje liefkozend in de hand en geeft licht blozend toe dat ook de tekst op de achterkant uiterst complimenteus is. “A tense, beautifully told story of menace and dread,” staat er - een citaat van William Styron die op verzoek van de uitgever de drukproeven las.

De kleine roman met het grote mysterie verschijnt nu bovendien in Engeland, Zweden, Denemarken, Noorwegen, Duitsland, Frankrijk, Italië en Japan, allemaal dankzij de Amerikaanse verfilming. De Duitse vertaling is er zelfs onder twee titels (Das goldene Ei en Spurlos), terwijl Krabbé met voldoening vaststelt dat het in Frankrijk gewoon l'Oeuf d'or mocht heten.

In eigen land zijn inmiddels van Het gouden ei zo'n 30.000 exemplaren verkocht. Geen bestseller, meent de auteur, maar wel een everseller waarvan nu de elfde druk in de winkels ligt, met een collage van Amerikaanse filmfoto's op het omslag. Daarnaast was er een Bulkboek-uitgave (in zo'n 40.000 exemplaren) en er komt een scholierenuitgave in een oplage van 80.000, nadat Krabbé vorige week de Diepzee-prijs kreeg voor zijn sprong naar de derde plaats op de top-honderd van de meest gelezen boeken door leerlingen van middelbare scholen.

Het verheugt hem, naar hij zegt, dat het boekje zo'n lang leven beschoren blijkt te zijn. “Ik ben tot dusver vooral de schrijver van twee boeken die alletwee in leven zijn gebleven: De renner en Het gouden ei. Dat heb ik dus binnen - twee klassiekertjes die het voor mij iets minder erg maken dat ik zo weinig schrijf. Al die romanfiguren die ik ooit hoopte te scheppen, ik hoor ze wel eens kermen: zeg Krabbé, komt er nog wat van? In de meeste gevallen zal er niets meer van hen terechtkomen; veel van de romans waarvan ik op mijn twintigste dacht dat ik ze zou gaan schrijven, zullen ongeschreven blijven. Maar deze twee, die zijn er nu tenminste. Misschien nog één zo'n boek erbij - en dan ben ik niet voor niets schrijver geweest.”