Gras op alle daken; De opmars van het groene bouwen

Ecolonia in Alphen aan de Rijn is de grootste woonwijk op ecologische grondslag die tot nu toe in Nederland werd gebouwd. Het aantal experimenten met milieuvriendelijke architectuur groeit sinds midden jaren tachtig explosief. Is het groene bouwen een modegril of zullen composttoiletten en grasdaken het straatbeeld gaan bepalen?

De kinderen van echtpaar De Booy verklaren hun ouders voor gek. Zestig mille extra betalen voor een huis omdat het een grasdak heeft en veel hout van binnen? Het echtpaar hield voet bij stuk. “Wij wilden per se in een omgeving wonen waarin zo veel mogelijk rekening was gehouden met het milieu,” zegt mevrouw De Booy. Het werd een woning - iets voorbij kapperszaak Eco-Coiffure - die volgens de geharnaste principes van de bio-ecologie is gebouwd in de wijk Ecolonia in Alphen aan de Rijn. “Nadeel is alleen dat ik nu met de auto naar mijn werk in Zoetermeer moet forensen.”

Koningin Beatrix opende Ecolonia op 29 september, maar anders dan bijvoorbeeld bij Prins Charles het geval zou zijn geweest, betekent dat geen koninklijk stempel van goedkeuring voor de groene, oftewel duurzame architectuur. Wel duidt het erop dat het milieu steeds verder doordringt in de mainstream van de architectuur.

Het hoofdkantoor van de NMB (nu ING) Bank in de Amsterdamse Bijlmer uit 1987 was het eerste grote openbare gebouw dat door de nadrukkelijk organische vormgeving milieuvriendelijkheid uitdroeg, al heeft het volgens een onderzoek van de Novem niet de verwachte energiebesparingen opgeleverd.

Het meest wordt er geëxperimenteerd in de woningbouw. Met honderd woningen is Ecolonia tot nu toe de grootste eco-wijk in Nederland. Deze maand werd in Heerhugowaard de eerste paal geslagen voor een wijk van vierhonderd woningen. Voorlopig hoogtepunt wordt een uitbreidingswijk van Amersfoort met vierduizend woningen.

Ecolonia was een initiatief van de Novem (Nederlandse Maatschappij voor Energie en Milieu). Het is uitgevoerd door het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten met steun van VROM en Economische Zaken. Opvallend anders dan de meeste nieuwe woonwijken is het niet, of het moet zijn dat de bouw afwisselender is. Er hebben dan ook negen architecten aan meegewerkt, die ieder tussen de acht en de twaalf woningen ontwierpen. Ze liggen niet aan lange rechte straten, maar in een dorps aandoend patroon. Sommige huizen zijn met hout bekleed, andere zijn van baksteen of in verschillende kleuren gestuct.

“Veel milieumaatregelen zijn onzichtbaar als de bouw eenmaal klaar is,” zegt Ronald Rovers, medewerker van de Novem. “De rioolbuizen zijn bijvoorbeeld van aardewerk in plaats van pvc, en de vloeren van gerecycled gips in plaats van beton.” Enkele uitzonderingen zijn er wel, bijvoorbeeld de kabouterhuisjes met scheve ramen en schuin gemetselde bakstenen van Alberts en Van Huut (die ook het NMB-gebouw ontwierpen) en de woningen met grasdak van bio-ecoloog Renz Pijnenborgh.

In het ronde informatiecentrum aan de vijver is Pijnenborgh nog een stap verder gegaan. De houten planken aan de buitenkant zijn okergeel gesausd met verf op waterbasis, de binnenwanden zijn van leem en geïsoleerd met papiersnippers, het demontabele plafond is van Europees hout uit produktiebossen en op het grasdak liggen zonnecellen die de energie voor de verlichting leveren. Om de consument bewust te maken van zijn waterverbruik zijn de reservoirs op de wc's van doorzichtig plastic en bieden ze een keus tussen veel en weinig spoelwater.

Zachte bestrating

Ecolonia is géén experiment, aldus de Novem, maar een demonstratie. Rovers: “We laten hier zien wat nu al mogelijk is op het gebied van milieubewust bouwen.” Maar Ecolonia gaat nog lang niet ver genoeg, vindt Lucien Kroll, de Belgische ontwerper van het stedebouwkundig plan. Eind vorig jaar nam hij al ontslag, en naar aanleiding van de uitnodiging voor de opening schreef hij onlangs een woedende brief aan het stadsbestuur. Anne Dirkx, medewerkster van zijn Brusselse Atelier d'Urbanisme, d'Architecture et d'Informatique: “Wij stelden voor om de straten tot aan de huizen te laten lopen, met afwisselend "zachte' bestrating van zand, schelpen of stenen waar gras tussen kon groeien. Maar wat werd er getekend? Het bekende stramien van stoep, betonrand, fietsstrook, bomenrij, parkeerstrook en rijweg. Ons idee om parkeervlaktes te vermijden door steeds plukjes van twee, drie parkeerplaatsen te maken is ook genegeerd.

“Over het groen hebben we ellenlange discussies gevoerd. Wij wilden wel tweehonderd verschillende soorten inheemse planten gebruiken. Maar het antwoord van de gemeentelijke diensten was: "Wij kunnen toch geen onkruid aanplanten? En hoe komen we aan klaprozenzaad?' Dus staan er de geijkte berken, dennebomen en sparretjes.”

Architectonisch is Ecolonia een stap in de goede richting, zegt Dirkx. “Maar de aandacht voor de architectuur is ten koste gegaan van de buitenomgeving. De gemeente doet alsof ze hier bijzonder vooruitstrevend te werk is gegaan, maar daar is niets van waar. Wij werden geconfronteerd met onwil en rechte linealen.”

Kosten

Over de motieven van de mensen die in Ecolonia een huis hebben gekocht, maakt niemand zich illusies. Het is maar een minderheid die zoals het echtpaar De Booy een milieuvriendelijk huis uit overtuiging koopt en daar geld voor over heeft. De meesten zochten gewoon een huis in de Randstad, waar veel vraag is naar woningen in deze prijsklasse, tussen de 175 en de 300 duizend gulden.

Wel brengt het duurzaam bouwen extra kosten met zich mee. In Ecolonia was dat ongeveer tien procent; de helft daarvan betaalde de overheid, de andere helft deelden de kopers en de opdrachtgever, het Bouwfonds. Sommige kosten verdienen zichzelf terug, bijvoorbeeld als de bewoners minder hoeven te stoken; andere, zoals van gerecyclede bouwmaterialen, zullen op den duur lager worden als de vraag stijgt en ze in grote hoeveelheden worden geproduceerd.

Het ministerie van VROM schat dat nu in zestig tot zeventig procent van de woningen elementen van duurzaam bouwen worden verwerkt, en dat tien procent van alle nieuwbouw "tamelijk milieuvriendelijk' kan worden genoemd. Maar volgens de veel strengere normen van bijvoorbeeld de Vereniging voor Integrale Bio-logische Architectuur (VIBA) in Den Bosch is amper vijf procent van de bouw milieuvriendelijk te noemen.

De VIBA, waarbij ongeveer vijfhonderd architecten, aannemers, projectontwikkelaars, wetenschappers en fabrikanten zijn aangesloten, was eerder dit jaar met een "eco-huis' aanwezig op een bouwbeurs in Zuid-Laren, en begin dit jaar reikte minister Alders van VROM de prijzen uit aan de winnaars van de door de VIBA georganiseerde prijsvraag voor "Mens- en Miliebewust Bouwen en Wonen'. Een aantal ontwerpen wordt als voorbeeldproject gebouwd in Amersfoort, Arnhem, Enschede en Roermond. Oprichter van de achttien jaar oude VIBA is de Oostenrijker Peter Schmid, sinds 1972 hoogleraar aan de TU in Eindhoven. Met zijn woeste grijze haren en naturelkleurig kostuum ziet hij er anders uit dan de meeste van zijn collega's. Zijn kantoor op de tiende verdieping van het enorme betonnen hoofdgebouw is ingericht met houten meubels en sisal vloerbedekking. “De ecologische crisis is voor dertig procent het gevolg van bouwactiviteit,” zegt hij. Het probleem is dat we gewend zijn aan bepaalde produktie- en verwerkingstechnieken, waar ook grote economische belangen mee gemoeid zijn. Vóór de industriële revolutie bestond er helemaal geen onderscheid tussen het duurzame en het gangbare bouwen. We konden eenvoudigweg niet anders dan bouwen met natuurlijke materialen uit de eigen regio. Nu kunnen we ten koste van veel energie staal en aluminium produceren en over duizenden mijlen vervoeren.

“Tot midden jaren zestig bouwde ook ik daarmee grote prefab betonnen fabriekshallen en laboratoria over de hele wereld. Maar op een gegeven moment kwam ik tot het inzicht dat daar grote nadelen aan kleven, zowel voor het milieu als voor ons gevoel. We zijn afhankelijk geworden van kunstmatige middelen als liften en ventilatiesystemen. We zijn in staat hoog en imposant te bouwen, maar weinig mensen voelen zich daarin behaaglijk.”

Schmid heeft zijn opvattingen verwerkt in een - niet gerealiseerd - ontwerp voor een arbeidsbureau in Den Bosch. Het golvende gebouw is zo gesitueerd dat de zonnecellen en -collectoren het grootst mogelijke profijt van het zonlicht hebben; in de tuin liggen een recyclingsvijver en de compost van de toiletten, en het gebouw zelf is uitsluitend gemaakt van natuurlijke materialen.

Dat het milieubewuste bouwen duurder zou zijn, is volgens Schmid onzin, vooral op de lange termijn. “Als je de reparaties aan het milieu meerekent, is het gangbare bouwen tien keer zo duur. Niet alleen kost het fabriceren van de materialen meer energie, maar ook de sloop van de gebouwen en het schoonmaken van de grond, het water en de lucht kosten geld.”

Voelt Schmid zich een roepende in de woestijn? “Pas sinds het verschijnen van het Nationaal Milieubeleidsplan in 1988 wordt er niet alleen maar geglimlacht om wat ik vertel. Vroeger was ik een roepende in de woestijn, nu trap ik open deuren in.”

Artistiekelingen

Ecolonia kwam tot stand met steun van de ministeries die zich bezighouden met economie en technologie. Het ministerie van WVC stond erbuiten. Tot nu toe overlappen de werelden van de technici en de kunstenaars elkaar nauwelijks. Wiek Röling, oud-stadsarchitect van Haarlem en hoogleraar aan de TU in Delft, is een van de weinigen die op de eerste plaats als architect bekend staat, en pas op de tweede als "milieu-freak'. “Je hebt enerzijds de geitewollen sokken met hun composttoiletten,” zegt hij, “anderzijds de artistiekelingen die elke milieu-eis als een inperking van hun vrijheid van expressie zien. Daartussenin zit een groeiende groep, waar ik zelf toe behoor, die deze voorzieningen niet als een geloof beschouwt, maar als een verrijking van hun repertoire.” Dat het milieu op gespannen voet zou staan met de architectuur, bestrijdt hij. “Architectuur is overtuigend als de functie van het gebouw en de materialen logisch en vanzelfsprekend zijn. Als voorbeeld laat hij de school zien die hij als proefproject voor het ministerie van VROM bouwde in de Haarlemse wijk Zuiderpolder. Het is een rond gebouw van twee verdiepingen dat door de kinderen zelf - “Het zijn net kacheltjes” - wordt verwarmd. De ronde vorm is zowel een esthetische als een technische keuze: “Het is niet alleen mooi, maar zorgt er ook voor dat het gebouw relatief weinig buitenoppervlak heeft.” De enige opvallende verwijzing naar de ecologische inslag is het grasdak. Binnen lopen onder het plafond grote zilverkleurige buizen, die voeren naar een wisselventilator die de vuile lucht weghaalt maar de warmte vasthoudt. Sinds de oplevering in 1988 hebben ook de nadelen zich geopenbaard. “De ventilatoren beperken het gasverbruik, maar ze gebruiken in verhouding te veel elektriciteit en ze maken te veel lawaai.” Onlangs deed zich een nieuw probleem voor: hoe spoor je lekkage op onder een grasdak?

Mini-NMB's

Biedt het milieubewuste bouwen een artistiek concept voor de toekomst? Komt Nederland vol te staan met mini-NMB's, composttoiletten en daken die óf groen (of bruin) zijn door het gras óf blauw door de zonnecellen? Beide partijen lijken ervan overtuigd dat "milieu' en "architectuur' naar elkaar toegroeien. Maar voorlopig kan Michiel Cohen van het high-tech Delftse bureau CePeZed het woord milieu niet meer horen. “Gefröbel in de marge,” zegt hij, “afkopen van schuldgevoel. Er is een club opgestaan die het redden van de aardbol als een foefje gebruikt om zich op de markt te profileren.” De manier waarop de milieulobby in Nederland discussie voert, noemt hij verwerpelijk. “Maar niemand die zegt: hè, deze keizer heeft geen kleren aan! Want niemand wil de indruk wekken dat hij tegen het milieu is.”

Volgens Cohen denkt elke goede architect na over de materialen die hij gebruikt. Dat staal en aluminium milieu-onvriendelijk zouden zijn, wijst hij pertinent van de hand. “Staal kost veel energie om te maken, maar laat zich uitstekend hergebruiken. De produktie van een ton aluminium kost inderdaad meer energie dan een ton hout, maar je doet er ook veel meer mee. Milieubehoud vereist strategischer beslissingen die in een veel eerder stadium moeten worden genomen: het terugdringen van de mobiliteit, het weer bij elkaar brengen van woon- en werkplekken.” Aan de vraag of de kunst van het bouwen onder de vrome milieuwensen lijdt, komt Cohen niet eens toe: “ De belangrijkste vraag is niet: bouw je in leem of staal, maar: bouw je überhaupt.”

Ronald Rovers van de Novem vindt dat het "gangbare' bouwen met minder vormwil toe kan. “Het Rietveld-Schröderhuis mag wel mooi van vorm zijn, maar bouwkundig is het met al die profieltjes en richeltjes natuurlijk een onding.” In dit stadium vindt hij het belangrijk dat "groene' architectuur zich uiterlijk onderscheidt: “Het grasdak is niet per se zo veel beter, maar wel herkenbaar. Het brengt de discussie op gang. Op den duur zullen milieumaatregelen standaard worden in de bouw.”

Hier en daar worden inderdaad milieuvriendelijke systemen geruisloos in de architectuur opgenomen. Een voorbeeld is Hans Ruyssenaars' stadhuis in Apeldoorn: aan de koeling en ventilatie van dit grote gebouw komt geen apparatuur te pas, via een natuurlijk systeem van overdruk regelt dat zichzelf. Je ziet het er niet aan af.

    • Tracy Metz