En maar Chinees klappen onder elkaar; Roman van Leo Pleysier over een overzeese tante

Leo Pleysier: De Gele Rivier is bevrozen. Uitgeverij De Bezige Bij. 147 blz. Prijs: 27,50.

Tien jaar geleden maakte Leo Pleysier zich in zijn autobiografische roman Kop in kas nog enige zorg om wat hij noemde “de gespannen verhouding tussen mijn afkomst en de literatuur”. Hoe kon hij ooit serieus deelnemen aan de literatuur, dat bolwerk van verfijning en beschaving, met zijn provinciale achtergrond. Net als zijn broertjes en zusjes luisterde hij met rode oortjes en gekrulde teentjes naar de scabreuze verhalen die moeder Pleysier voor het slapengaan opdiste, nadat zij zich ervan had vergewist dat vader niet in de buurt was. Over ”Loempe Bet' gingen die verhalen. Een onhandige en ongemanierde dorpsvrouw die, te gast bij een rijke oom in de stad, onfatsoenlijk veel geconfijte pruimen at, zodat zij last kreeg van haar darmen en het hele huis onderpoepte omdat zij in het donker de wc niet kon vinden.

Hoe zou hij kunnen voorkomen, zo vroeg Pleysier zich indertijd af, om als schrijver als een soort loempe Bet ontmaskerd te worden. Hij loste dit vraagstuk eenvoudig op door haar in verschillende gedaantes, gestileerd en gedoseerd, in zijn werk toe te laten. Hij verhief zijn afkomst, anders gezegd, tot literatuur. Al zijn verhalen spelen zich af in een tamelijk bekrompen, boers milieu, waar sappig Vlaams wordt gesproken en men elkaar scherp in de gaten houdt. Een milieu waarin veel wordt verzwegen, maar soms ook weer van alles kan worden gezegd.

Het zijn niet de grote verbanden waarnaar Pleysier op zoek is, maar juist de kleinste, het gezins- en het familieleven. Je zou hem zelfs familieziek kunnen noemen als door alle nostalgie en vertedering heen niet ook de nodige scepsis te beluisteren viel. De overleden moeder die hij in Wit is altijd schoon (1989) aan het woord laat tegen haar zoon, is niet alleen een ontroerend, maar ook een irritant personage, dat geen onderscheid weet te maken tussen hoofd- en bijzaken, en openhartige uitspraken afwisselt met lasterpraat. Ook de lange monoloog die een oudere zus in De kast (1991) afsteekt tegen haar broer, houdt het midden tussen een interessant familieverhaal en een hoop gebeuzel over niets. Opvallend is de zwijgzame rol die voor zoon en broer is weggelegd. Zij horen het gepraat, zo is tussen de regels door te merken, met een mengeling van nieuwsgierigheid en gêne aan. Ze willen erbij horen en niet. Ze willen alles weten en ook niet.

Leo Pleysier verschuilt zich graag achter ”jaja' en ”ahzo' mompelende ik-figuren die het gepraat lijdzaam aanhoren. Maar hij is het natuurlijk zelf die zo'n familie-arrangement in het leven roept. Hij is het ook zelf die zich niet bij het onvermijdelijke neer kan leggen: dat de kindertijd voorbij gaat, dat gezinnen uit elkaar vallen omdat broers en zussen de deur uit gaan, dat de ouders sterven en dat aan alles een einde komt.

Dit besef van vergankelijkheid klinkt ook sterk door in zijn nieuwe roman De Gele Rivier is bevrozen, die veel minder monologisch van opzet is dan zijn voorgangers, maar zich wel weer geheel in de familiesfeer afspeelt. Wederom zitten de kinderen in hun pyjama's rond hun moeder geschaard, die deze keer geen zelfverzonnen verhaal vertelt. Zij leest een brief voor van tante Roza, die non is en missiewerk doet in China. “Die blote kindervoetjes met de lichtjes gekrulde tenen, dat zijn de mijne”, legt de ik-figuur uit, alsof hij samen met ons naar oude foto's zit te kijken. “Ze zijn koud ja, mijn voeten. Maar zolang het voorlezen duurt, voel ik daar helemaal niks van.”

Zijn fantasie wordt in volle gang gezet door de afwezige tante die van heel ver brieven schrijft vol stroeve zinnen, die meer vragen oproepen dan ze beantwoorden. Ook als ze een keer zelf komt, blijft ze raadselachtig. Alleen al haar verschijning is hoogst eigenaardig. “Stijfsel. Lijnwaad. Wol en katoen. De grote, witte ovale gummikraag die ze droeg. Wijde mouwen waar ze haar zakdoeken in wegstak. Net onder haar ellebogen bleven die daar dan ergens vastzitten. (-) Maar waar zat de rest? Waar ergens zaten ze verstopt: haar borsten, haar heupen, haar knieschijven, haar gewrichten, haar kuiten, haar ribben, haar schouderbladen?”

De Gele Rivier is bevrozen is een sfeervolle en aanstekelijke roman, vol gepeins en gepraat, gefluister en gegis over ”ons Roza', die tot verdriet van haar familieleden zonodig naar China en vervolgens naar India moest om zich daar verdienstelijk te maken. De knusse wereld waar zij ooit toe behoorde en waar men zich te sappel maakt om een uitlubberende trui, een kapstok, een volle asbak, een beslagen achterruit of een rieten mat ”voor in het salon' valt niet te rijmen met de duistere en gevaarlijke wereld ”ginderachter'. Dat leidt tot fraaie speculaties bij de achterblijvers. “Naar het schijnt ook een verschrikkelijk moeilijk volk, die Chinezen”, merkt een van haar broers zorgelijk op. “Altijd koppig. Altijd alles beter weten. Niks willen aannemen van iemand anders. Hun eigen goesting doen. En maar Chinees klappen onder elkaar de hele tijd.”

Maar behalve verbazing is er ook een groeiend onbehagen over het feit dat tante Roza ”die Indiërs en Chinezen' belangrijker vindt dan haar bloedeigen familie, haar bijbel en crucifix verkiest boven het gezelschap van neven en nichten en zich al te hoog boven ”ons gekrassel' verheven voelt. Langzaam maar zeker zakt zij weg uit de belangstelling, totdat zij als het ware verstart tot het beeld dat zij ooit voor het communistisch geworden China gebruikte: ”de Gele Rivier is bevrozen'.

Een hommage aan tante Roza kun je deze roman niet noemen. Veel begrip of bewondering is er niet voor haar vergeefse gevecht tegen “het snot, de stront, het kwijl, de etter, de wonden, de vuiligheid, de honger, het geweld, het creperen.” Als Pleysier al iets heeft willen zeggen over wij hier en zij daar ginderachter, dan is het wel dat de tegenstelling ook weer niet zo groot is als ze wel lijkt. Een mensenleven gaat voorbij, of je nu in Vlaanderen blijft of in verre landen goede werken verricht. Maar hij deed wel een mooie poging om een lege plek in de familiegeschiedenis op te vullen, om een spook tot leven te wekken, een bevroren rivier even weer te ontdooien.