Een verre tak, een oud verbond; De bewoners van het Koninkrijk der Dieren

Hoe oud of lelijk je ook bent, er zijn toch wezens die bereid zijn van je te houden en je de mooiste ter wereld te vinden. Het is daarom goed dat in westerse kinderkamers kinderen leren van teddyberen te houden, zo worden de vocaties voor diergedragstudies geboren.

De tekst van een toespraak uitgesproken bij de aanbieding van het boek Mijn naam is Haas, dierenverhalen uit verschillende culturen, onder redactie van W.L. Idema, Mineke Schipper en P.H. Schrijvers. Uitg. Ambo, 267 blz. Prijs ƒ 49,50

In het prachtige De schone slaapsters van Kawabata Yasunari wordt verteld hoe ergens in Japan een gelegenheid bestaat waar oudere mannen tegen betaling de nacht kunnen doorbrengen met een heel jong meisje, dat in diepe slaap is gedompeld - bedwelmd, met slaappillen, dus niet dronken of bewusteloos. De afspraak is dat zij haar niet zullen bekennen, anders gezegd "tot haar ingaan' - voor zover zij daar al toe in staat zijn; daar is het trouwens ook niet om begonnen - en dan is er ook nog het merkwaardige en raadselachtige verbod om aan haar vingers te sabbelen; maar verder mag alles: uitkleden, betasten, omhelzen, aanhalen, woorden van liefde in het oor fluisteren, kussen, strelen, aaien, of gewoon met haar slapen in de letterlijke betekenis; het heeft iets paradijselijks, een begoocheling, dromerig en troostend, maar er is ook een aspect van vergeefse tederheid en resignatie. Het betekent dat je je hebt neergelegd bij het feit dat je oud en aftands bent, dat je de hoop hebt opgegeven dat ooit iemand deze dingen nog bij vol bewustzijn en uit lust of liefde met je zou willen doen - kortom dat je definitief onbeminbaar bent geworden.

Maar gelukkig zijn er compensaties, zonder welke je jezelf misschien maar beter zou kunnen verhangen: er bestaan, ook hier in West Europa, wezens die je mag omhelzen, strelen en knuffelen, die je verliefde woorden in het oor kunt fluisteren en wier hartslag je kunt voelen. Ze zijn bovendien meestal bij bewustzijn of in elk geval niet bedwelmd terwijl je dat doet en ziedaar het grote wonder: je uiterlijk speelt geen enkele rol. Hoe miserabel, hoe deerniswekkend je er ook uitziet, hoe haveloos en onmodieus je ook gekleed bent, in hun ogen ben je stralend mooi; zelf dragen ze nooit kleren: knoopjes en ritssluitingen komen er dus niet aan te pas, je hoeft er ook niet voor naar Japan en, voor Nederlanders een onweerstaanbaar argument: je hoeft er niet voor te betalen, het is allemaal gratis voor niets, no charge, à l'oeuil, pertjoema. Ze kunnen zelfs iets dat meisjes niet kunnen, hoe geraffineerd en ingenieus je ze ook streelt, en dat is spinnen.

Ik heb het natuurlijk over de gestreepte vrijmachine, de staartdrager, de dubbelgepuntmutste, het besnorde liefdesdier - de kat, paradigma voor alle wezens die een mens kan liefhebben, met inbegrip van zijn eigen soortgenoten.

Adriaan Morriën heeft eens gezegd: de vrouw staat ons zoveel nader dan het dier; maar het is de vraag of dat waar is. Het is zeker dat wij in dit grote lege heelal maar één andere levensvorm kennen waarop wij ons eigen bestaan kunnen projecteren - afbeelden is misschien een beter woord - onze enige medereizigers op deze planeet, de bewoners van het Koninkrijk der Dieren.

Fabelmateriaal

Dat is wat hen maakt tot sprookjesfiguren, mythische wezens, fabelmateriaal. De tragedie is dat we ze niet kunnen begrijpen. Dieren kunnen weliswaar spreken - natuurlijk kunnen ze spreken - maar we kunnen ze niet verstaan. Hun handelingen en de gezichten die ze er bij trekken plaatsen ons voor ondoordringbare raadsels. Als wij hen diep in hun ogen kijken ontwaren wij daar niets dan een peilloze leegte. Wat wij proberen te vinden is analogie - want dat is uiteraard waar wij ons op baseren wanneer wij besluiten om realiteit toe te kennen aan manifestaties van pijn of welzijn, verdriet of vreugde, ja zelfs van denkprocessen bij anderen, inplaats van die op te vatten als uitingen zonder betekenis, zoals Augustinus zelfs nog deed met betrekking tot ketters op de brandstapel: niet meer dan loos en min of meer hinderlijk gebrul, niet te verwarren met het werkelijke lijden van martelaren voor het ware geloof.

Het lijden van dieren heeft in de loop der eeuwen bij de mensheid niet veel meer geloof ondervonden dan dat van de brandende ketters bij Augustinus, en net als in dat voorbeeld als gevolg van een soort misverstand. De geschiedenis van de relatie tussen mensen en dieren is van een tot hopeloosheid stemmende wreedheid - maar in het algemeen niet als gevolg van opzettelijk sadisme, eerder een communicatiestoornis. Ook in het dagelijks leven zijn daarvan voorbeelden te zien die soms treffen door hun onschuld. Zo kende ik in Parijs een oude dame die een hond had, Florence genaamd, van wie zij zielsveel hield. Florence was oud, zo doof als een baksteen en bovendien bijna blind van de staar; zo gebeurde het wel dat hij opeens de verkeerde kant uitging of vol vertrouwen iemand anders achterna liep. Dan kreeg hij slaag. - J'ai encore été obligé de corriger Florence, riep zij dan, il ne m'obéit plus!

Gebreken hebben steeds een verrijkende functie in dierenfabels, zoals ook in het algemeen, als gevolg van het erdoor opgewekte schuldgevoel; Aesopus was zelf een gebochelde ("vergeef ons onze bulten gelijk ook wij vergeven onze bultenaren"); zoals uit het voorgaande blijkt moeten alle verhalen over dieren, met inbegrip van moderne wetenschappelijke observaties van diergedrag, onherroepelijk tot de fabelliteratuur worden gerekend. Om opnieuw in de buurt te blijven: onze eigen oude kat is nu zo doof dat vrijwel geen geluid meer tot hem doordringt, hetgeen de vraag oproept in hoeverre hij daar onder lijdt. Het antwoord, dat dus alleen maar de vorm kan hebben van een fabel, werd aangrijpend onder woorden gebracht door mijn huisgenote, die zeer bekende schenkster van lauwe melk: "Hij denkt: ze zijn boos op me want ze praten niet meer tegen me'.

Hoera! Joepie!

Een nog ontroerender voorbeeld - het zal duidelijk zijn dat ik deze verhalen heb gerangschikt naar klimmende abstractie - is hoe de eerder genoemde schenkster het opvallende verschil in gedrag verklaarde tussen de hiervoor genoemde oude kater en onze recente nieuwe aanwinst, door haar omschreven als de "kleine hulpkat' of "invaller': toen zij bij de toewijzing van stoffelijke omhulsels te horen kregen dat zij kat moesten worden, reageerde de laatstgenoemde met enthousiasme: hoera! joepie! hup jongens, daar gaan we! en wat dies meer zij, terwijl de oude zich morrend schikte in het onvermijdelijke: nou, mooie boel, dat moest mij weer overkomen, 't zit me ook nooit mee, waar heb ik het aan te danken.

We gaan nu een stap verder met een passage uit een artikel (de Volkskrant 21 augustus jl.) waarin een dag televisie beschreven wordt door Willem van Manen:

“Zoals gebruikelijk is er vandaag (Zondag 15 Augustus) veel sport in de aanbieding; ik kies voor Superdogs op BBC 1. Twee onderdelen bevallen me het best: bij Gundogs moeten de honden een aantal keren een riviertje over, een prooi opsporen en deze weer terug brengen. (-)

“Bij het zwaarste onderdeel, Obedience, gaat het om het ophalen van een biefstuk, een gepeld hardgekookt ei, een reep chocolade en een namaak-eend, die vijftig meter verder op een dienblad uitgestald liggen. Hier scoort de mij onbekende rashond Thor zeer goed, een voor een brengt hij de delicatessen ongeschonden thuis. De als favoriet getipte herder Yarran pakt het anders aan: hij eet het ei op en brengt het lege dienblad naar zijn baas terug.”

Interessant is ook het wetenschappelijke commentaar waarmee deze beschrijving wordt besloten, namelijk: “Ik kom niet meer bij.”

Moderne dierenfabels zijn soms moeilijk te herkennen, maar dit is een goed voorbeeld: een beschrijving die zowel iets onthult van de diepere aard van het dier als van de waarnemer, anders gezegd van een karakteristieke visie op het dier in West Europa in het laatste decennium van de 20ste eeuw. Een ander aspect wordt belicht in het intussen alweer bijna een halve eeuw oude gedicht "Hond met bijnaam Knak' van Jan Hanlo uit 1946:

God, zegen Knak

Hij is nu dood

Zijn tong, verhemelte, was rood

Toen was het wit

Toen was hij dood

God, zegen Knak

Hij was een hond

Zijn naam was Knak

Maar in zijn hondenlichaam stak

Een beste ziel

Een verre tak

Een oud verbond

God, zegen Knak.

Verbond

Er is van alles over dit gedicht te zeggen, maar het voornaamste in dit verband is dat het gaat over de verwantschap tussen mens en dier: een verre tak, een oud verbond, daarmee uitdrukking gevend aan iets dat ver is te zoeken in de ontelbare dierfabels die onze cultuur - en vele andere - over de eeuwen hebben voortgebracht. In al die tijd werden de dieren gezien als een weerspiegeling van de menselijke samenleving, van een onzichtbare of hogere orde, van een of ander plan, als instantie waarheen vooral de luiaard werd opgedragen te gaan om wijs te worden; de dieren waren kortom een soort leermiddelen, requisieten in een toneelstuk, hulpmiddelen bij het onderwijs, boodschappers en ook bron van vermaak - maar niet een tak van de familie, ver of nabij, niet wezens met wie we een relatie hebben krachtens een verbond, gevoeld als oud maar in feite recent.

Muizen in jurkjes

Ja, wat recent is, is dat we van de dieren zijn gaan houden - na al die eeuwen van gepraat zonder de geringste belangstelling voor de dieren zelf: on traitera chez vous, de vous et sans vous, zo zou het devies kunnen luiden van de traditionele fabelliteratuur over dieren. Sommige mensen hebben niets dan hoon voor de neiging, specifiek voor de westerse cultuur, om dieren voor te stellen als knuffelbeesten. Vooral biologen van het blote knieën en sandalen-type, overtuigd de waarheid in pacht te hebben omtrent "de natuur' willen zich nogal eens vijandig en geringschattend uitlaten over Teddyberen en muizen in jurkjes. Ten onrechte. Zoals veldslagen werden gewonnen op de playing fields van Eton, zo werden de vocaties voor diergedragstudies geboren in de westerse kinderkamers. Het koesteren van Teddyberen en deze studies zijn twee kanten van dezelfde medaille en de naam van die medaille is liefde voor dieren; de behoefte om door te dringen, zou je kunnen zeggen, tot de dierenziel.

Zowel het succes als het falen van dit streven zou je in beide gevallen kunnen toeschrijven aan het feit dat de dieren, zomin die van peluche als die van vlees en bloed, in staat zijn om tegenspraak te leveren.

Nature of nurture, erfelijk of aangeleerd, bewustzijn of geconditioneerde reflex, instincten, imprinting, automatisme, niets van al die menselijke bedenksels stuit bij de dieren op ontkenningen, ze vinden het allemaal best, precies zoals de katten waar ik het over had je altijd mooi vinden, hoe onaanlokkelijk je er ook uitziet.

Teddy, hou je van me?

Wie zwijgt stemt toe, maar een duidelijk antwoord zou toch bevredigender zijn. Spraak is wat de dieren ontbreekt, dat is het ergste, niet dat je niet me ze naar bed kan. Net als met die slapende meisjes van Kawabata, waar immers vrijwillig van dat fysieke aspect is afgezien; de essentie van wat ontbreekt is ook daar: je wilt dat ze wakker worden, je aankijken en zeggen: ik heb je zo lief.

    • Rudy Kousbroek