Een aanstaande bakvis

Jean Fritz, Aan de verkeerde kant van de aarde. Vert. door Molly van Gelder. Uitg. Jenny de Jonge. f 24,75. Vanaf ca. 11 jaar.

Ruth White, Ginny. Vert. door Tjalling Bos. Uitg. Piramide. f 24,90. Vanaf 11 jaar.

Aan de andere kant van de aarde ligt China. Aan de verkeerde kant, vond Jean Guttery, een Amerikaans meisje dat er in de jaren twintig woonde. Jaren later, toen ze dik in de zeventig was, publiceerde ze onder de naam Jean Fritz een boek waarin ze terugkijkt op die tijd.

Het zijn woelige tijden in het China van de jaren twintig. De nationalisten winnen met de dag terrein en importburgers zoals Jeans vader, nota bene directeur van de YMCA in het Chinese Hankou, zijn op den duur hun leven niet meer zeker. Tijd om terug te keren naar het vaderland, liever vandaag dan morgen. Maar wat het meisje Jean betreft heeft dat niets met de politieke onlusten te maken: in Amerika, en nergens anders, hoort ze thuis, ook al is ze in China, aan de verkeerde kant van de aarde opgegroeid.

In Aan de verkeerde kant van de aarde, zoals de Nederlandse titel van Fritz' boek luidt, lezen we hoe Jean het leven in China langzaam maar zeker inwisselt voor een nieuw bestaan in Washington, Pennsylvania. Tegelijkertijd neemt ze - aanvankelijk met tegenzin - onherroepelijk afscheid van haar jeugd. Twaalf is ze als ze kennismaakt met de Nieuwe Wereld en met de nieuwe tijd, waarin vrouwen en masse hun haren afknippen en de charleston furore maakt. Twaalf is ze ook als ze voor het eerst verliefd wordt op een jongen die als je goed kijkt wel wat weg heeft van vliegheld Charles Lindbergh. En dat terwijl ze kort daarvoor niets begreep van het filmsterrengedweep van haar beste vriendin.

In het voorwoord van haar boek, dat in 1982 in Amerika uitkwam onder de titel Homesick, legt Jean Fritz uit dat gewoon opschrijven "wat er boven kwam drijven' aan herinneringen bepaald niet betekende dat er niet geschoven, gestileerd en geordend hoefde te worden, maar dat ze heeft geprobeerd haar verhaal 'zo eerlijk mogelijk' te vertellen. Tot op driekwart van het boek - waarin omwille van de authenticiteit een aantal jeugdfoto's van de schrijfster is afgedrukt - lijkt ze daar aardig in te zijn geslaagd, maar dan gaat het, tijdens de reis naar Amerika, midden op de oceaan, een beetje mis. Opeens krijgt Fritz' jeugdige alter ego iets gekunstelds, alsof de schrijfster als de dood is dat wij lezers niet doorhebben dat zich op verschillende niveaus veranderingen voltrekken in het boek. Jean mag dan pas twaalf jaar zijn, ze is blijkbaar wijs genoeg om bij zichzelf wat zij noemt een "tussenin'-gevoel te constateren, dat "pas bij de internationale datumgrens' weer wegebt. Eerlijk gezegd geloof ik er niks van.

Dat de schrijfster zichzelf als kind wel erg wereldwijs voorstelt is niet onbegrijpelijk: ze tekende haar herinneringen immers bijna zestig jaar na dato op. Des te opmerkelijker is het hoezeer Fritz die tijd dichtbij weet te halen: haar boek geeft een mooi, sfeervol beeld van de jaren twintig, gezien door de ogen van een aanstaande bakvis uit een welgesteld milieu, die zich begrijpelijkerwijs meer bekommert om de vraag hoe ze in godsnaam moet rolschaatsen met zijden kousen aan, dan om het politieke gewoel op de achtergrond. Het zijn juist dit soort concrete problemen waarin Fritz het meest overtuigt.

Net als het boek van Fritz eindigt ook Ruth Whites Ginny in Pennsylvania, en ook hier neemt de ik-figuur langzaam maar zeker afscheid van haar kindertijd. Er zijn meer overeenkomsten: gezien het motto is Ginny duidelijk autobiografisch, en ook in dit boek, dat het zesde tot elfde levensjaar van de hoofdpersoon bestrijkt, is opgroeien een moeizame en soms pijnlijke aangelegenheid. Ginny speelt zich af aan het begin van de jaren vijftig, in een dorpje in West-Virginia, waar bekrompenheid hoogtij viert. Dat geeft aanleiding tot een hoop dorpsproblematiek, en daarin verschilt Whites aanpak van die van Fritz: in Whites verhaal is het drama veel zwaarder aangezet, er valt een hoop leed te bespeuren en er vallen doden bij bosjes, van Ginny's geliefde hond tot een vijf jaar oudere vriendin die zwanger en wel zichzelf in de fik steekt.

Vanzelfsprekend is Ginny een stuk aangrijpender dan het boek van Fritz, waarin de emoties veel onderhuidser aanwezig zijn. Fritz is subtieler, ze houdt zich bewust op de vlakte, White haalt uit, en dat doet ze met verve. Liefhebbers van een brok in de keel mogen zich vooral niet laten ontmoedigen door het bespottelijk vrolijke omslag.

    • Carolien Zilverberg