De spiegels met een geheugen van Pieter Oosterhuis

Tentoonstelling: Stoomkracht en stile; foto's van Pieter Oosterhuis. T/m 21/11 in Gemeentearchief Amsterdam, Amsteldijk 67, Amsterdam. Geopend: ma. t/m za. 11-17 uur, zo. 13-17 uur. Boek 'Pieter Oosterhuis' in de reeks Monografieën van Nederlandse Fotografen, uitgegeven door Fragment, 200 afb.. Prijs ƒ 95,--.

Nederland is nog leeg. Het Leidseplein in Amsterdam ligt erbij als een steppe en het Vondelpark kan met recht een oase genoemd worden. Op de Albert Cuypstraat zijn vier molens in bedrijf en ver buiten de hoofdstad wordt met man en macht gewerkt aan overspanningen van rivieren, aan spoorlijnen, sluizen en kanalen. Staaltjes van nog ongekend vakmanschap, tegen welke achtergrond ingenieurs, aannemers en werklieden zich maar al te graag laten portretteren.

De bijna vergeten Amsterdamse fotograaf Pieter Oosterhuis (1816-1885) heeft die lege stadsgezichten en die bouwkundige bedrijvigheid van de vorige eeuw onuitputtelijk met zijn camera vastgelegd. Zijn portretstudio aan de landelijke Plantage Middenlaan, waar hij een patriciërspand liet neerzetten om zijn cliëntèle te ontvangen, verruilde hij uiteindelijk voor het reizen naar Hollands stadsschoon en provinciale bouwputten. De natie was toen nog zo trots op zijn waterstaat- en spoorwegwerken dat prinses Emma van Waldeck Pyrmont, de toekomstige echtgenote van koning Willem III, bij wijze van welkomstgroet in 1879 een Vaderlandsch Album kreeg aangeboden met "proeven van photographie' vol triomfen der techniek, zoals nieuwe stoommachines en havenhoofden. Van de 172 afbeeldingen nam Oosterhuis een derde voor zijn rekening.

Vanaf vandaag is in het Gemeentearchief Amsterdam te zien hoe vindingrijk de voormalige magazijnbediende Oosterhuis als een van de eerste fotografen van Amsterdam te werk is gegaan. Aanvankelijk wilde hij schilder worden, net zoals zijn vader. Het portret van familieleden in een huiselijke 17de-eeuwse setting, tentoongesteld in het Gemeentearchief, onderstreept de juistheid van zijn beslissing om de penselen neer te leggen en voortaan "spiegels met een geheugen' te fabriceren, zoals de daguerreotypieën, de vroege fotografische wonderen op verzilverde koperplaten, werden genoemd.

Een van de dertien bewaard gebleven daguerreotypieën laat Oosterhuis zien als een stijve "boekhouder', met snor, platgestreken kapsel en flinke strik. Beslist niet de "uitvinder', die hier als een pionier stereo-opnamen - dubbele opnamen voor de stereoscoop - maakte, die vrijelijk experimenteerde met standpunten en licht- en schaduwwerking, die chemische procedés ontwikkelde om zonder provisorische donkere kamer te hoeven reizen, die de "eerste' onder de landschapsfotografen werd genoemd en die heel vroeg op het idee kwam om nieuws te fotograferen.

Dat nieuws bestond in 1856 uit de onthulling van "Naatje' op de Dam, een "Gedenkteeken ter herinnering aan den Volksgeest van 1830-1831', waarvoor hij positie koos op een bovendieping van het Koninklijk Paleis. Het resultaat was een kristalheldere miniatuur van een druilerige dag, waarop honderden militairen, huzaren te paard en een volksmenigte zich op eerbiedige afstand vergapen aan een metershoge sokkel, afgerond met een beeltenis van een zo te zien krachtdadig figuur.

Oosterhuis gaf al snel de voorkeur aan de meer tijdloze verslaggeving: het Nederlandse stadsgezicht, sinds de 17de-eeuw een populair genre op prenten, schetsen en doeken. Als foto zou het in verzamelaarskringen bepaald niet populair worden. Anneke van Veen, die de vandaag verschenen, interessante monografie van Pieter Oosterhuis heeft geschreven, wijt de late acceptatie van fotografie als kunstvorm met name aan het feit dat vooraanstaande collectioneurs van topografische stadsportretten in de 19de-eeuw de fotografie links hebben laten liggen.

Maar die weerzin tegen zo'n mechanisch medium als de fotografie weerhield Oosterhuis er niet van om als een toerist ten behoeve van de toerist door eigen land te trekken om in grote oplagen "klassieke', dus eerder geschilderde en getekende stadsgezichten te produceren. Van het Paleis voor Volksvlijt naar de Beurs in Rotterdam, van de Oude Gracht in Utrecht naar de Kleine Houtpoort in Haarlem. Bijna nergens is mede door de lange sluitertijden geen levend wezen te onderscheiden en bijna overal componeert Oosterhuis zijn stadsbeeld als volleerd academisch schilder. De afbeeldingen kwamen, zoals het Gemeentearchief uitgebreid laat zien, eerst in de stereoscopen en albums en later op de veel goedkopere carte-de-visite en de prentbriefkaart terecht. Zodoende konden zij die thuis bleven "reizen in het hoekje bij de haard', aldus een reclame-slogan uit die tijd.

Verreweg de mooiste en grootste opnamen zijn gemaakt van werken in uitvoering: het Noorderzeehoofd in IJmuiden, het Kanaal door Walcheren, de spoorbrug over de Lek en de Moerdijkbruggen, die in zieltogende parten verdeeld over de horizon liggen verspreid. Oosterhuis keek verder dan de gracht. Dat vertrouwde aangezicht werd een avontuurlijk vergezicht. Elke opname is een eerbetoon aan de opdrachtgevers, de Ingenieurs van Waterstaat, die later zelfs bedongen dat aannemers verplicht werden dit soort reportages te leveren. En elke spoorlijn, schutsluis of sluisput lijkt een bouwtechnische mijlpaal in de vaderlandse geschiedenis. Hier mocht de mens wél te voorschijn komen: als de niemendallerige meetlat van het vernuftige, soms ontzagwekkende spektakel dat zich om hem heen afspeelde.

    • Marianne Vermeijden