"De soberheid is hier uit het oog verloren'; A. Cras van de Rekkense inrichtingen

De directeur van de Rekkense inrichtingen voor justitiële jeugdzorg werd deze week geschorst. Jarenlang zouden begeleiders en pupillen hebben gesmeten met geld.

REKKEN, 1 OKT. Er was spoedberaad in Rekken gisteren. Er woedde een flinke storm en het bestuur van de L.H. Fonteinstichting bepaalde zijn koers. Recht vooruit, bleef het devies. “We laten alles over ons heen komen”, stelde voorzitter A. Cras, “we zijn open geweest en dat zullen we ook blijven”.

Oorzaak van de "storm' is een vernietigend rapport over het functioneren van de twee instellingen die de stichting in Rekken beheert: het justitieel internaat De Marke (70 pupillen) en de daaraan verbonden Koningin Wilhelminaschool. Financieel en pedagogisch wanbeheer zijn kort gezegd de conclusies van het rapport, dat de stichting zelf liet opstellen en in de openbaarheid bracht. Onder de inmiddels geschorste directeur van de school werden jarenlang tienduizenden guldens verspild en waarschijnlijk valselijk gedeclareerd, en pedagogisch deugde er ook bitter weinig van zijn beleid.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Bestuursvoorzitter A. Cras wenst in een antwoord op die vraag een duidelijke scheiding te maken tussen beide zaken. Volgens Cras is de stichting financieel gezien “gewoon jarenlang belazerd” door de directeur. “Iedereen weet dat je zo niet met overheidsgeld mag omgaan. Je kunt uit eten gaan voor 50 gulden, voor 100 en voor 150 gulden. Je hebt de plicht dat sober te doen. Die soberheid is hier uit het oog verloren.”

Toch was het geen zaak van een paar maanden. Er werd volgens het rapport al in 1989 door een door het bestuur zelf aangestelde interim-manager gesteld dat het “onvoorstelbaar was hoe er hier met overheidsgeld werd omgesprongen”. Hij beval aan het management te ontslaan.

Waarom is er toen niet gereageerd?

“Er zijn toen wel dingen veranderd en er is gezegd dat we daarmee weer verder konden, met deze directeur, die uitgebreid beterschap beloofde. Achteraf zien wij ook wel dat het fout is gegaan. Maar het was een kwestie van vertrouwen. De boeken werden gecontroleerd, de accountant gaf z'n fiat, we kregen goede rapportages. Ja, verhalen en geruchten kreeg je soms van medewerkers. Maar als je dan vroeg: kun je dat hard maken, heb je bewijzen, dan bleef het stil.”

Er werd met vijf grote geleasde Mercedessen rondgereden.

“Geloof het of niet, voor ons als bestuursleden was dat nieuw.”

Het stichtingsbestuur is verbolgen over de financiële uitkomsten van het onderzoek (die overigens nog worden gecontroleerd door een externe accountant), maar vindt de conclusies over de pedagogische uitwassen veel belangrijker en veelzeggender. Het wil voor de vele in het rapport beschreven incidenten - van getolereerd hasjgebruik tot ongewenste intimiteiten en mishandelingen - geen verontschuldigingen zoeken. “Wat niet kan, kan niet.” Maar het vindt wel dat er “verzachtende omstandigheden” gelden voor de toestanden op het instituut en voor de medewerkers ervan, die in het rapport als pedagogisch “zwak” en “soft” worden omschreven.

Buitenstaanders, betoogt Cras, kunnen over het algemeen moeilijk begrijpen hoe het er in beide Rekkense inrichtingen toegaat. “Wij zijn het eindstation van de kinderbescherming. We hebben hier te maken met jongeren die een onvoorstelbaar bedroevend leven achter de rug hebben. Na Rekken is er niets anders meer dan de jeugdgevangenis. Jongeren gaan hier weg met een perspectief in de samenleving, of ze worden gevankelijk afgevoerd. Onze kinderen zijn immuun voor elke behandeling. Ze hebben lak aan alle gezag. Mensen die werken met zulke jongeren moeten zelf ook onconventioneel zijn en ook onconventionele methoden toepassen om hun doel te bereiken. In zo'n klimaat is het vrijwel inherent dat er dingen gebeuren die in normale omstandigheden niet voorkomen. Wij werken hier op het scherp van de maatschappelijk snede. Dat betekent voor ons als toezichthouders ook dat er een zekere clementie en coulance ontstaat. Dat zal, ongeacht alle veranderingen, ook in de toekomst zo blijven. Wij hebben behoefte aan zulke mensen. We hebben niks aan boekhouders.”

Maar zo'n lange reeks van incidenten?

“Ze staan hier in dit rapport bij elkaar. Dat werkt anders dan wanneer je af en toe eens wat hoort. Er gebeurt hier ook ontzettend veel goeds.”

Toch wordt er ook een totaal gebrek aan pedagogische samenhang tussen het instituut en de daarbij horende school geconstateerd. Dat kan niet de bedoeling zijn.

“Dat is het ook niet. Het is duidelijk dat de school gefaald heeft. Het instituut De Marke is veranderd, maar de school niet.”

Is wat bij u gebeurd is niet wat de laatste jaren ook in andere justitiële instellingen gebeurd en heeft het niet dezelfde oorzaken? Zijn de hulpverleners met hun uit de jaren zeventig daterende visie niet gewoon in hun tijd blijven steken?

“In zekere zin. Het is duidelijk dat de pedagogische visie die hier op school werd aangehangen - het pedagogisch optimisme - niet meer maatschappelijk gesteund wordt. Daar hebben we rekening mee te houden. De maatschappij was vroeger permissief, ze heeft veel goed gevonden. We zitten nu in een restrictieve samenleving die andere eisen stelt. Daar kunnen we het mee eens zijn of niet, we hebben ons er naar te voegen. Want de maatschappij is tenslotte onze subsidiegever.”

Financieel beheer en management van school en instituut zullen naar aanleiding van het rapport waar nodig “grondig worden aangepakt” stelt Cras. De openheid die de inrichtingen nu betrachten en de commotie die dat oplevert passen in het streven naar een nieuwe start: “Het werkt als een douche. We pakken het van hier weer helemaal nieuw op.”

    • Frank Poorthuis