De play-back show

Bekend is de meewarigheid of het medelijden dat zich van verstandige volwassenen meestermaakt bij het zien van die gedresseerde kinderen die Olympisch kampioen in het turnen of het schoonrijden worden. We zien ze met hun onvolgroeide lichaam en hun al te volgroeide verbetenheid in hun starthouding staan, en dan opeens breekt de virtuositeit in een ongelofelijke reeks wervelingen los. “Leuk geknikkerd hebben ze nooit en daar is het nu te laat voor.”

Ik weet niet of deze volwassenen gelijk hebben. Misschien is zo'n kampioentje het slachtoffer van eerzuchtige ouders die zelf dan weer slachtoffer zijn, omdat ze destijds nooit de kans hebben gehad, kampioen te worden en nu door hun kind compenseren wat ze dertig jaar geleden tekort zijn gekomen. Je hebt ook kinderen die zelf al zo eerzuchtig zijn dat ze hun ouders pressen tot datgene wat de bovengenoemde verstandige volwassenen tot medelijden beweegt. We zouden dan eerder medelijden met de ouders moeten hebben. De werkelijkheid is ingewikkelder dan de sportliefhebber bij de televisie denkt. Die turn- en schaatsfestijnen zijn mijn liefhebberij niet. Dat zal de reden zijn waarom ik er geen oordeel over heb, althans de nuance zoek.

Anders is het met de play-back show, waarin ook kinderen en meer of minder grote mensen hun virtuositeit demonstreren. De kandidaat - altijd de kandidaat; vroeger dacht je daarbij aan een examen, nu aan de televisie - verschijnt op het toneel en wordt met een mengsel van bescherming en ironie door de showmaster beklopt en toegesproken. Dan wordt er een plaat opgezet, en de kandidaat doet alsof hij zingt. Als het om Elvis Presley gaat maakt hij er de bewegingen van Presley bij, en komt er Madonna uit de luidspreker dan zien we haar mimiek en motoriek. Als je je ogen dichtdoet denk je dat je de grote artiest hoort, en doe je ze weer open dan zie je een marionet van de stembanden.

Waarom is het met de Olympische spelen anders dan met de play-back? Omdat bij die laatste voorstelling iemand zijn uiterste best doet, tot in de kleinste kleinigheden een kopie te zijn. Het is geen kwaadaardige of komische imitatie die tot doel heeft, het origineel van zijn zwakste kant te laten zien, maar de kopie waardoor we juist aan al zijn sterkste kanten zullen denken.

Eerzucht die zich tot doel heeft gesteld, kampioen te worden van iets onherhaalbaars, de dubbele dodensprong, de omgekeerde rietberger, wat het dan ook mag zijn - dat is uniek. Eerzucht die het volmaakte duplicaat voor ogen heeft is een duplicaat van eerzucht. Daarom is de play-back show veel meelijwekkender dan het turnen op de Olympische spelen.

Maar laten we de illusie niet meteen bederven en ook hier naar de nuance zoeken. Iemand die een nummer van Elvis Presley tot in de kleinste fracties van bewegingen in play back kan "doen', kent het in ieder geval uit zijn hoofd. (Nadoen is het niet; misschien heeft hij wel een microfoon van hout in zijn handen). Op school moesten de kinderen vroeger van alles uit hun hoofd leren: onregelmatige werkwoorden, afwijkende meervoudsvormen, "Duitse rijtjes', gedichten en soms voor straf een heel verhaaltje. Daarna kregen ze een beurt, wat betekende dat ze het geleerde voor de klas moesten "opzeggen'. Dit "opzeggen' kunnen we beschouwen als een vroege voorloper van de play back. Weliswaar weet niemand hoe het “Ik ben geboren uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee” uit de mond van Jacques Perk zelf heeft geklonken, maar wie de tekst uit het hoofd kent, is in ieder geval beter in staat, te vermoeden "wat er door de dichter heen ging' toen hij aan het schrijven was.

Een hogere vorm van opzeggen heet reciteren. Is iemand die feilloos heel veel uit andermans werk kan reciteren daarmee de marionet van diens talent geworden? Die kans is helaas niet gering. Maar door uit het hoofd te leren steken de kinderen ook veel vakmanschap op. Op den duur weten ze hoe het moet. Dan zijn de woorden en de techniek van de zinsbouw tot gereedschap geworden, in een grote verzameling die ze binnen de werkplaats van hun hersens meteen bij de hand hebben en ook kunnen gebruiken. Ze zijn tot vakmensen geworden.

Omdat het een kwart eeuw geleden is dat de studenten in Parijs de verbeelding aan de macht wilden brengen wordt er weer het een en ander herdacht. Een bijverschijnsel van deze revolte was het verzet tegen het vakmanschap waardoor de verbeelding in de knel zou komen. Dat is een vergissing met duurzame gevolgen gebleken. Verbeelding zonder vakmanschap eindigt al vlug in gestuntel. Anders gezegd: vakmanschap is het gereedschap van de verbeelding. Dan nog wat Olympische eerzucht erbij, en de kans is groot dat er op den duur iets ontstaat dat het aanzien waard is.

    • H.J.A. Hofland