De metamorfose van rechter tot acteur; King Lear, een tragedie zonder verlossing

Koninklijke Schouwburg, Den Haag t/m 3 okt. Tournee t/m 15 dec. Inl. 070-3565363

Terwijl u dit leest gaat in Den Haag, bij het Nationale Toneel, het doek op voor een van de meest fantastische openingsscènes ooit geschreven: die van Koning Lear. Hoofdpersoon wil rijk verdelen onder drie dochters en vraagt hen om beurten hun liefde en respect voor hem te betuigen.

Het is een tragedie, wat zeggen wil dat de hoofdpersoon eraan gaat. En omdat hij bedacht is, door een schrijver die de gebeurtenissen in een ordelijke, betekenisvolle samenhang kon plaatsen, zullen we ons tijdens de werdegang van de titelheld afvragen wat de zin is van zijn leven. Dat is de speciale kwestie waar een tragedie ons voor plaatst. Zij laat ons iets zien dat "erg' is, en omdat het niet om documentaire beelden gaat, maar om theater, om make-believe, zullen we ons afvragen wat al dit erge betekent.

Shakespeare laat ons met Koning Lear een onomkeerbare vloed ellende zien. Waarom zou hij dat doen als hij niet hoe dan ook vond dat het zin had om het te laten zien? En zelfs als hij die zin niet zou kennen, dan geeft hij met zijn drama toch op zijn minst een raadsel op?

Er is met die fameuze openingsscène overigens iets bijzonders aan de hand. De hoofdpersoon kiest namelijk uit het eerste het beste dilemma waar hij voor geplaatst wordt de verkeerde uitweg, door de enige oprechte dochter te verstoten. Hij maakt niet zomaar een toevallig, onwillekeurig foutje, het gaat niet om een "flaw' in zijn karakter - maar om een immense morele enormiteit. Er is op het toneel maar een dochter die een geweten lijkt te bezitten, en uitgerekend die ene wordt verstoten, door een wrokkige grijsaard die rechtertje speelt.

Een oude man met macht en geld die de wijsheid niet op kan brengen naar zijn liefste kind te luisteren, en die zijn macht vervolgens misbruikt om haar leven te ruïneren - over zo iemand kunnen we kort zijn: onder curatele, die man. Opbergen die man. Die heeft zijn recht verspeeld op deelname aan de wereld der verstandige beslissingen.

Of ook anders: als het er in een tragedie om gaat om ons van de hoofdpersoon af te vragen wat de waarde van zijn leven is, dan hebben we wat deze Lear aangaat wel al heel snel een antwoord paraat. Bijna dood, en dan ook nog het leven van opkomende generaties vergallen met je wrok, je gebrek aan mensenkennis en je aftandse stommiteiten! Een onwijs oude-mannen-leven wordt hooguit gedoogd (nadat het buiten de samenleving is geplaatst), maar heeft geen zin.

Koning Lear ontleent zijn speciale stuwkracht aan dit allereerste, scherpe oordeel. Een tragedie plaatst ons altijd in de positie van een bijna goddelijke rechter - we mogen levens wegen en vonnissen wijzen. Scène voor scène plaatst ook Koning Lear ons voor de vraag: all right, je vroeg wat het leven van een seniele bejaarde nog waard was - bedoelde je daar dan mee dat hem dit moet overkomen, deze scène waarin hij door zijn oudste dochter geschoffeerd wordt en van de helft van zijn personeel beroofd? En daarna deze scène, waarin hij door zijn middelste dochter en haar waardeloze echtgenoot in een bulderende storm op straat is gezet? Moeten oude, onwijze mannen boete doen, en als zij dit doen, wanneer is het genoeg, wanneer mogen ze dan weer wel leven? Een jaar voor hun dood? Of een week? Of als zij hun laatste adem uitblazen?

Hel

Er is een subplot in deze tragedie, ook met een vader die door kinderen, althans: door zijn onechte zoon, door het slijk wordt gehaald. Op zeker moment wordt hij zelfs, door nog weer een ander personage, van zijn ogen beroofd, in de wreedste scène uit de toneelgeschiedenis. Ook ten overstaan van deze graaf van Gloster moeten we ons afvragen: wanneer is een lot verdiend, wanneer onverdiend. En pas wanneer Gloster, en de inmiddels hallucinerende Lear, en nog een paar personages, in een raaskallend gesprek bij elkaar gebracht worden, besef je ineens dat niet hun dialogen krankzinnig zijn, maar je verlangen om nu nog te kunnen zeggen: deze mensen gaan door deze hel omdat zij morele vergissingen hebben begaan.

Je begon je korte carrière als toeschouwer van dit stuk als rechter, menende: de gebeurtenissen leren mij de waarde te bepalen van deze levens, maar ergens op deze stormachtige heide raak je van je apropos. Je zou dolgraag willen kunnen zeggen: deze burgeroorlog is losgebrand omdat een Voorzienigheid iets met deze personages te vereffenen had, en omdat ik dit begrijp, ben ik het er "ergens' ook wel mee eens.

Maar de tragedie dendert door totdat er geen "omdat' meer geldig lijkt te zijn. Lear, Gloster, de nar (tevens uitvinder van de galgenhumor) en Edgar (die moet doen alsof hij gek is, omdat hij anders wordt opgepakt) dwalen door hun stormachtig niemandsland. De ontaarde dochters, zonen en schoonzonen begaan hun stammenoorlog-achtige misdaden. Lear wil allang weer zijn Cordelia in de armen sluiten en nederig voor haar knielen en zeggen dat het hem spijt. We zijn zijn rechter niet meer, er is geen orde namens dewelke we kunnen oordelen, we kijken naar Lear, Gloster, de nar en Edgar om er achter te komen welke waarde zij zelf nog aan hun levens toekennen. Van gedaagden zijn zij voorbeelden geworden. Acteurs op een veel te groot en koud toneel. En zoals zij zich, door de ellende en de elementen gedwongen, leren vereenzelvigen met onderkruipsels, zo probeert ook het stuk ons gelijk te laten zijn met hen. Misschien is het geheim van de tragische werking daar wel te vinden, in de toeschouwersmetamorfose van rechter tot acteur.

Lear ondergaat allerlei stadia van loutering, nu hij de wereld ervaart zonder dat de wereld hem als een koning ziet. Je denkt: als er geen omdat te bedenken is voor de ellende die een leven in petto kan hebben, dan is er misschien een opdat. Als Lear dit alles toch moet verduren, dan misschien wel opdat hij zich identificeert met "arme naakte sloebers', van wie hij vast stelt: “te weinig heb ik mij van hen iets aangetrokken.”

Deze loutering is beslist een belangrijke lijn in het drama van Lear. Zozeer zelfs dat de grote Shakespeare-essayist van rond de eeuwwisseling, A.C. Bradley, voorstelde het stuk De verlossing van Lear te noemen. Toch verzet zich iets tegen dit voorstel, al is het alleen al omdat Lear zich op het eind van het stuk van geen enkele verlossing bewust lijkt te zijn. Hij richt zich eenvoudigweg niet tot een hogere, verlossende instantie. Hij wil alleen maar kijken naar de lippen van zijn jongste dochter van wie zonneklaar is dat zij niet meer leeft.

Privilege

Lear wordt, zoals een andere schrijver over Shakespeare heeft opgemerkt, rok voor rok gepeld, als een ui. Het noodlot, "de plot', aanvankelijk een straf, vervolgens een loutering, herleidt hem steeds meer tot de kern, tot iemand die op geen enkel privilege, of bezit, of zelfs maar filosofie, een beroep kan doen om te zeggen: dit is de zin van mijn bestaan. Maar bereikt de tragedie al pellende ook heus de kern? Het antwoord zou Lear, en vervolgens ook ons, troost moeten bieden.

Maar het slotbeeld van Koning Lear is welbekend: “Re-enters Lear with Cordelia dead in his arms.”

Ik ken niet alle tragedies die er geschreven zijn, maar ik hoop dat er bij de ongelezene niet een is met een ten hemelschreiender slot dan dat van Lear. Door alles is de hoofdpersoon heengegaan - waar haalt zijn bedenker dan de wreedheid vandaan om Cordelia voor Lears ogen vermoord te laten zijn? Lear was toch al eindelijk bijna dood? Waarom dan ook nog zijn dochter, om wier verkeerd begrepen oprechtheid het allemaal begonnen was?

Iets "zinvols' schrijven over dit slot is zoiets als een schuilkelder moeten bouwen maar je hebt alleen maar een zakje legosteentjes. Er is tegen het verhaal van Lear geen verweer. Mensen sterven. Er is geen reden te bedenken waarom zij dat "op tijd' zouden doen. Er is geen Voorzienigheid die wacht op het juiste, het rechtvaardigste, het waardigste moment. En in Lear weigert ook de man die voor een "zingevende' afloop zorgen kan, Shakespeare zelf, voor God te spelen, en hij schrijft: “Re-enters Lear with Cordelia dead in his arms.”

“Een tragedie bestaat om zich zelver wille,” schreef Northrop Frye in een van de mooiste boeken over Shakespeare en het tragische inzicht dat ik ken, Fools of Time. Deze tragedie geeft een dood zoals die, zodra hij niet is bedacht, niet in een filosofie is vervat, op ons inwerkt - als datgene wat altijd komt.

Er zijn tragedies opdat we ze op ons in laten werken. Alleen gelezen, gespeeld of bijgewoond doen ze hun werk, dat denkbeeldig is, even ongrijpbaar als de sprong die de stekeblinde Gloster maakt van de rotsen, in de vaste overtuiging dat hij zelfmoord pleegt - maar er zijn geen rotsen, er is alleen maar een plat toneel.

    • Willem Jan Otten